De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Het Tweede-Kamerdebat over de zaak-Menten en al wat daar om heen speelt, heeft heel wat pennen in beweging gebracht. In het Centraal Weekblad van 27 november gaat ook ds. J. Overduin op deze kwestie in, in een artikel getiteld: Politiek is een hard bedrijf. Met name de psychologische en ethische aspecten van het debat vormden voor hem aanleiding tot deze reactie. Overduin laat er geen twijfel over bestaan, hoe hij zich opstelt ten aanzien van de kwestie-Menten als zodanig. Maar hij meent dat in het debat op een handige wijze niet alleen de minister van Justitie Van Agt, maar ook de lijsttrekker van het C.D.A. flink onder het mes van de kritiek genomen werd. Dat is natuurlijk niet alleen door Overduin, maar ook door anderen, o.a. door mr. v. Agt zelf naar voren gebracht.

Een hard bedrijf

Van linkse zijde is dit natuurlijk heftig weersproken en ook een blad als Hervormd Nederland vindt het nodig de minister op dit punt polariserende neigingen aan te wrijven. Wij voor ons menen dat dit wel eens eerder kon wijzen op polariserende trekken bij H.N. Maar dit terzijde. Terug naar het artikel van Overduin.

Overduin signaleert een ontstellend tekort aan ethische instelling en begripvolle menselijkheid. Al is z.i. de minister daar zelf wat schuldig aan geweest door een te formele opstelling, dat neemt niet weg volgens Overduin, dat de oppositie tegen zijn beleid te weinig menselijk was. Hoe ver gaat ministeriële verantwoordelijkheid.

Maar Van Agt draagt ministeriële verantwoordelijkheid. Wij kunnen niet zonder dit patroon, maar er zitten wel moeilijke ethische kanten aan. Het is immers een onmogelijke zaak deze verantwoordelijkheid zonder delegeren (en een zekere mate van vertrouwen in uitvoeyring) uit te oefenen. Een vader in 'n gezin, een directeur in een bedrijf, een kerkeraad in een gemeente, een burgemeester enz. enz., zij dragen ieder op hun gebied de uiteindelijke verantwoordelijkheid, maar zij kunnen niet alle fouten voorkomen, omdat zij niet overal tegelijk aanwezig kunnen zijn. Zonder delegeren en vertrouwen kan geen enkele gezagsdrager werken.

Ik vond dat de ministeriële verantwoordelijkheid verabsoluteerd werd tot in een gebrek aan realiteitsbesef, hetgeen ethisch laakbaar is. Een ethische en daardoor menselijke relativering zou alle partijen ten goede zijn gekomen.

Zakelijk zijn in de volle zin van het woord betekent niet de zaken te versmallen en te verzelfstandigen los van allerlei Jselangrijke gegevens van de betrokken mensen en situaties.

Zo proberen wij toch ook misdadigers te behandelen. En minister Van Agt is volgens allen een integer mens. Jammer, dat de minister geen duidelijke analyse gaf van het onbillijk en politiek opblazen van de ministeriële verantwoordelijkheid. Het hele schouwspel deed mij denken aan een gevecht tussen twee totaal verschillende partijen: een fijngevoelig en tenger pianist, die ineens zich in de ring bevindt om een wedstrijd aan te gaan met enkele boksers, licht- en zwaargewicht. De pianist is in lichamelijke kracht de verliezer maar blijft in fijngevoeligheid de meerdere, terwijl de boksers physiek overwinnen maar in fijngevoeligheid de nederlaag lijden.

De gretigheid, waarmede werd aangevallen in een zaak die de minister minstens even zwaar woog, illustreerde het tegenovergestelde van wat Paulus zegt: de liefde is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid.

Het vervullen van de wet der waarheid en der gerechtigheid is ook voor de politiek alleen mogelijk door de liefde.

Politiek is een hard bedrijf. Er moet meer ethiek en psychologie bij te pas komen. Intussen is het beeld van de sterke opposanten ethisch meer geschonden dan dat van de zwakke haast perfectionistische Van Agt. Perfectionisten en ethisch nauwgezette mensen lopen het gevaar in emotionele situaties te veel oog te hebben voor de bomen en te weinig voor het bos. Intussen moeten wij niet vergeten dat men overwinnen kan in de vorm van een nederlaag, en dat men een nederlaag kan lijden in de vorm van een overwinning. En waar was collega Den Uyl? Collegialiteit moet van twee kanten komen. 

Een hard bedrijf. Bij de lezing van deze titel en dit artikel moest ik denken aan die andere uitspraak van een befaamd theoloog: politiek is een heilige zaak. Ik weet wel, dat het woord 'heilig' hier niet moralistisch misverstaan mag worden. Dat de uitspraak staat tegen zeer bepaalde theocratische achtergrond. Toch kan men de vraag stellen of de realitiet waarin politiek zich voltrekt niet van dien aard is dat men op zijn minst het spreken over 'een heilige zaak' met een aantal vragen en afgrenzingen moet omgeven, in de zondige, gebroken werkelijkheid stuiten we keer op keer op een stuk verharding, onheilig manoevreren en onzakelijke demagogie. Ook dat te onderkennen behoort tot de politieke verantwoordelijkheid die christenen dragen.

Ethisch reveil

De laatste maanden duikt regelmatig de term 'ethisch reveil' op. Menigmaal gekoppeld aan discussies over het C.D.A. Daaraan zal het feit dat CD. A.-lijsttrekker, mr. Van Agt deze term gelanceerd heeft niet vreemd zijn. InHervormd Nederland van 20 november wordt over deze zaak het volgende geschreven:

Het door C.D.A.-lijsttrekker Van Agt geïntroduceerde begrip 'ethisch reveil' achten we weinig gelukkig. Al gauw wordt hierbij gedacht aan betutteling en zedemeesterij. De indruk kan ook ontstaan, dat door zo de nadruk te leggen op één bepaald aspect van de samenleving andere knelpunten over het hoofd worden gezien. Op de A.R. partijraad heeft mr. W. Aantjes een invulling van Van Agts oproep gegeven, die ons meer aanspreekt. Aantjes zei, dat het gaat om de mensen en om het samenleven der mensen, om de meest kwetsbaren onder hen en om de taak van de overheid daarbij. In dit verband noemde hij ook uitdrukkelijk het arbeidsethos (arbeid niet beoordeeld naar economisch rendement, maar naar maatschappelijke zin, rechtvaardiger inkomenverhoudingen, een nieuwe visie op de eigendom, zorg voor de internationale ontspanning, voor vluchtelingen en arme landen en verdediging van het principe van de vermogensaanwasdeling (VAD). Het evangelie keert zich tegen restauratie en conservatisme, het vraagt om hervorming, aldus Aantjes.

Te hopen valt, dat Van Agt bij zijn terugkeer uit Boekarest de vertaling van mr. Aantjes niet al te vrijmoedig zal vinden. Maar dit soort problemen krijg je als je zomaar een bepaald begrip over een partij uitstort zonder dat de betekenis ervan onderwerp van breed beraad is geweest.

Wat betreft bezinning en beraad over een verstrekkend begrip als 'ethisch reveil' kunnen we accoord gaan. Toch roept dit schrijven in H.N. vragen op.

Vooreerst: Is het in deze tijd van vervlakking en normverlies, van zedenverwildering en wetsverachting nu nodig om meteen te schermen met woorden als 'betutteling' en 'zedenmeesterij'. Me dunkt, als er een ding is, waar onze samenleving bepaald geen last van heeft dan is het dat wel. Van een blad als H.N., dat graag zoveel begrip op brengt voor allerlei stromingen (bevrijdingsbewegingen, Marxisten, etc.) zou men op z'n minst mogen verwachten een groot stuk begrip voor iemand die vanuit een innerlijke overtuiging opkomt voor een ethisch reveil. Voor men hier kritische vragen gaat stellen (en natuurlijk mag dat en kan dat niet uitblijven.) zal ieder die van oordeel is dat een erkennen van normen en geboden niet schadelijk, maar zegenrijk voor een volk is, dankbaar moet zijn dat er stemmen klinken die hiervoor pleiten. Zeker, christenen die weten van de goedheid en de heihgheid van Gods geboden zullen dankbaar moeten zijn als de aandacht gevraagd wordt voor ethische principes.

Een tweede opmerking naar aanleiding van het stukje in H.N.: Het blad vraagt in navolging van Aantjes aandacht voor de sociale vragen, inkomensverhoudingen, bezinning op de eigendom enz. Dat zou een juiste invulling zijn van een ethisch reveil. Ongetwijfeld hebben de sociale aspecten daarmee te maken. Maar we krijgen wel eens de indruk dat ethische kwesties zich daartoe beperken. De commentator van H.N. spreekt van een 'invulling die meer aanspreekt'. Dat kan. Maar waarom zou hier niet het gevaar van betutteling dreigen?

Dan spreek ik nog niet eens van hen die b.v. protesten tegen legalisering van abortus of sexuele ontaarding van de hand wijzen met een beroep op de NAVO of wat in Chili gebeurt. Wie niet tegen de praktijken in Chili protesteert, zeggen sommigen, mag ook niet protesteren tegen abortuspraktijken. Alsof men het ene misdrijf kan neutraliseren met te wijzen op het andere.

Uiteraard zal een ethisch reveil aandacht dienen te schenken aan de sociale vragen, aan de kwetsbare groepen in de samenleving. Maar dat is niet het enige terrein.

Ethiek en dogmatiek

Opvallend is dat in het artikeltje in H.N. alleen gesproken wordt over datgene wat, om het dogmatisch te zeggen, alleen te maken heeft met de tweede Tafel van de wet, de liefde en de zorg voor de naaste. M.i. ligt hier een vraag ten aanzien van de vulling van een ethisch reveil. Wie ons volk opwekt tot een reveil zal niet alleen moeten spreken over de geboden m.b.t. de naaste (al moet dat grote aandacht krijgen), maar voor alles ook over de liefde tot God als het eerste en grote gebod. Men kan zeggen: daarmee verlaat men het terrein van de ethiek.

Maar in de reformatorische visie kan men ethiek en dogmatiek, leer en leven niet scheiden. Daarop wijst ds. J. H. Velema in een artikel in 'De Wekker' van 19 november.

In kerkelijk-reformatorische kring is altijd betoogd dat er een nauw verband is tussen ethiek en dogmatiek; tussen het leven en de leer. En dat niet zonder reden. Om het heel eenvoudig te zeggen: het gaat in de ethiek om de vruchten van het geloof, om het nieuwe leven, dat vrucht is van de rechtvaardiging van het geloof.

Als we de rechtvaardiging en heiliging niet van elkaar losmaken, maar tegelijk de rechtvaardiging aan de heiliging laten voorafgaan, dan betekent dit principieel dat we niet over de ethiek kunnen spreken, over het handelen van de mens, in dit geval de christenmens, zonder te spreken over het geloof, waaruit dit handelen op moet komen en de norm, waarnaar dit handelen zich moet richten.

De benaming ethisch reveil en de toelichting die daarop wordt gegeven geeft de indruk dat men over een dergelijk reveil geheel opzichzelf spreekt.

Het lijkt er op dat alle nadruk gelegd wordt op het doen en laten van de mens. Als dat maar anders wordt dan is het goed. Als men zich samen maar gaat bezinnen op een andere levenswijze, dan is het ethisch reveil een feit. De nadruk valt dan op de gemeenschappelijkheid, niet op de verschillen, aldus genoemde commentator.

Het is te vrezen dat dit karakteristiek gaat worden voor de benadering van allerlei vragen op ethisch, breder op politiek gebied.

Uitgaan van gemeenschappelijke waarden en belangen; naar mijn besef humanistisch gekleurde waarden, waarbij het Evangelie ook nog een woord meespreekt, als inspiratiebron namelijk, maar allerminst als grondslag en als norm.

Het is het klimaat, waarin het C.D.A. kon ontstaan; het klimaat ook, waarin de gevulde algemeenheid een slagwoord is geworden, dat reformatorische christenen en rooms-katholieke kerkleden, recht-en vrijzinnigen samen moet brengen en samen moet doen werken in een nieuwe opstelling, waarbij vroegere scheidslijnen geruisloos verdwijnen en de schotjes en hokjes van weleer tot antiquiteiten worden verklaard.

Wie zich in dit klimaar niet thuisvoelt heeft het niet gemakkelijk en wie het waagt de geestelijke gezondheid van dit klimaat in twijfel te trekken, wordt als een achterlijk mens beschouwd, die zijn tijd niet verstaat en hier niet meer thuishoort.

Er is geen ethisch reveil mogelijk, zinvol, bestaanbaar zonder dat dit reveil een geestelijk karakter draagt.

Een reveil dat niet opkomt en bestaat in de terugkeer naar Gods wet en getuigenis, is geen waarachtig reveil. Het is alleen een tijdelijke, incidentele, lokale verbetering, op bepaalde punten vaak, maar zonder de wortel aan te tasten van het kwaad, zonder de bron te zuiveren waaruit het kwade opkomt.

Elk reveil dat de naam reveil waard is, is altijd geestelijk van aard en heeft dan ook altijd zoals de geschiedenis ons laat zien ethische consequenties voor de wijze waarop de christen leeft en handelt en niet handelt. Wie dit overslaat snoeit hier en daar een paar takken, maar de verkeerde wortel blijft.

Het is een goede zaak wanneer vandaag wordt gezien: we moeten anders gaan leven, menswaardiger en meer medemenselijk.

Maar dat kan alleen werkelijkheid worden wanneer we met elkaar tot de Heere God terugkeren, ons tot Hem bekeren en ons door Hem laten gezeggen in alle vragen van ethiek en politiek.

Dat zal rijke gevolgen hebben voor het volksleven, zoals de Bijbel ons leert en de geschiedenis laat zien. Daarom moeten we niet spreken over een ethisch reveil. Krijgen we ook nog een maatschappelijk of een theologisch reveil?

Het echte reveil heeft rijke gevolgen op elk gebied. Laten we daarom bidden, daarop hopen èn dat verwachten.

Wat gaat het Evangelie betekenen in allerlei ethisch-pohtieke beslissingen? Anders gezegd: Wat betekent de bijbelse notie van de theocratie, de heerschappij des Heeren over heel ons leven in een ethisch reveil? Nogmaals, we mogen in het geestelijk klimaat van onze tijd dankbaar zijn wanneer mensen oproepen tot bezinning, heroriëntering, en paal en perk willen stellen aan verwildering en verval. Maar een christelijke politiek zal daarmee niet kunnen volstaan. Een christelijke politiek die gedragen wordt door een profetische visie zal hebben op te roepen tot bekering, erkenning van Gods gebod over heel de linie van ons leven. Zo'n reveil kunnen we niet maken, niet organiseren. Zo'n reveil is een wonder van de Heilige Geest. Dat te zeggen, mag niet leiden tot vrome lijdelijkheid. Het roept ons tot de activiteit van gebed en waakzaamheid. God make velen getrouw om in de samenleving van onze tijd te zeggen en te doen wat gezegd en gedaan moet worden. Tot welzijn van ons volksleven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's