Komt, maakt God met mij groot
En Maria zeide: mijn ziel maakt groot den Heere; en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien. Lukas 1 : 46, 47 en 48a.
Naast Elisabet staat Maria in het koor van hen die de grootheid bezingen van het Kind dat geboren zal worden, van de Zoon die gegeven zal worden. Maria heeft die wondervolle boodschap van de engel Gabriel ontvangen, namelijk dat zij bevrucht zal worden en een Zoon zal baren, die de Naam Jezus zal ontvangen. In diezelfde dagen is zij op reis gegaan naar Zacharias en Elisabet. En als ze daar aangekomen is, wordt zij door Elisabet, die vervuld is van de Heilige Geest, zalig gesproken. 'Zalig is zij, die geloofd heeft, want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden’.
Ja Maria heeft geloofd, zij heeft zich in het geloof overgegeven aan de Heere met de woorden: 'Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord'. Bij de ontmoeting met Elisabet, wordt haar geloof bevestigd en versterkt.
En zoals Elisabet even tevoren gezongen heeft dat de Heere haar heeft aangezien, zo zingt nu ook Maria daarvan. Haar lofzang klimt op tot God: Mijn ziel maakt groot den Heere! En als Maria ook ons dan opwekt en zegt: Komt, maakt God met mij groot, zingen wij dan met haar mee? Dat is niet van zelf sprekend. De lof des Heeren is verstomd in ons leven en het zou stil gebleven zijn als niet de Heere zelf ervoor had gezorgd dat er weer mensen zouden zijn, die Hem gingen groot maken. En hoe doet God dat dan? We zien het bij Maria. Zij gaat zingen als ze gehoord en ervaren heeft hoe God in de Heere Jezus Christus omziet naar een wereld verloren in schuld. Ja alzo lief heeft Hij de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Van nature zingen we de liederen van de wereld en van de zonde uit volle borst mee, maar wanneer de Heere genade doet ervaren, wanneer Hij door Zijn Geest ons hart en onze mond vernieuwt, dan gaan we ook een nieuw lied zingen voor de Heere.
Een nieuw lied en toch een oud lied. In de lofzang van Maria klinken de woorden door van de lofzang van Hanna, de moeder van Samuel. 't Zijn oude, voor Maria welbekende woorden, die nu op een bijzondere wijze voor haar spreken en waarmee zij nu de Heere groot maakt, vanwege de grote dingen die Hij aan haar gedaan heeft. Nee het is voor Maria niet een herhaling van wat een ander eens gezongen heeft, maar ze stort met deze woorden haar ganse hart uit voor de Heere.'Zo is het toch voor haar een nieuw lied. Mijn ziel maakt groot de Heere. Zingen wij zo wel eens een nieuw gezang voor de Heere? Het is toch de eerste begeerte van een mens die genade, die zegen van God ontvangen heeft, om de Heere daarom groot te maken? Zingt voor die God die wonderen doet! Is Hij niet een God van wonderen? Maria zingt: mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker, omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd - heeft aangezien. De blijdschap als een vrucht van de Heilige Geest vervult het hart van Maria en die blijdschap laat zich ook niet verdringen door wat dan ook. Die blijdschap is er alleen wanneer we de Heere ook persoonlijk kennen als onze Zaligmaker, in Wien God ons redding bereid heeft. Wie de Heere alleen maar kent, als de Hoge, de Heilige, de Verhevene, die kent deze blijdschap niet, daar is er slechts sprake van ontzag, van vrees.
De blijdschap wordt ons deel als we ontdekken dat de hoge en verheven God naar verloren mensen, als Maria en als wij, omziet. Ja dat is het wonder dat we dan met Maria gaan bezingen dat de Heere daar naar een mens omziet, waar hij het niet zou verwachten nl. op de plaats waar hij door de zonde terecht gekomen js. De tekst spreekt van nederheid, de berijming van de lage staat. Dat heeft niets te maken met nederigheid. Het is niet zo dat de Heere tot de mens overkomt als hij maar nederig genoeg is. Nee de Heere zoekt de mens op. Hij ziet de mens aan, in de lage staat van zijn diepe val, van zijn afval van God.
In het leven van Maria had dat nog bijzondere betekenis. Van koninklijke waardigheid was er niets meer te vinden. Wat was de oorzaak van het diepe verval van het koningshuis van David? De afval van God, de ongehoorzaamheid van het vorstenhuis en het volk telkens weer, had geleid tot het afbouwen van deze stam. Maar ook in algemene zin is Maria onzer één geweest. Een Adamskind in deze lage staat van de ellende terecht gekomen vanwege de ongehoorzaamheid. Onze koninklijke afkomst en waardigheid zijn we kwijt geraakt bij de zondeval. We zijn van nature kinderen des toorns. Wij zijn bij God vandaan gegaan en Hem daarom kwijt. Wij zijn aan de dood onderworpen. Dat is onze lage staat. En wat zouden wij doen? Daar is iemand die door eigen schuld volkomen aan lager wal geraakt is, die aan de grond zit. Vindt zo iemand in zijn nood bij mensen een open deur, een open hart. Veelal wordt hij versmaad. Onze levenswijze tegenover God is zeker niet beter te noemen. Zou het dan onrecht geweest zijn als God ons in onze lage staat had laten zitten? Maar neen. God ziet naar zulke mensen om. Hij steekt hun de reddende hand toe, Hij antwoordt hen nog vóórdat zij tot Hem roepen. Zo zocht God Adam al op in het paradijs. Hij doet hem de adventsbelofte horen. En wat nu de engel Gabriel aan Maria doet horen is in wezen niet anders dan deze zelfde belofte, nl. dat Hij komt die Zijn volk zalig maken zal van hun zonden. En komt er tot ons een andere boodschap? Wij mogen horen dat de Heere zich niet heeft geschaamd om mens te worden, dat Hij zich vrijwillig onder de toom en de vloek van God heeft gesteld. Nooit zendt Hij een zondaar die tot Hem de toevlucht neemt weg met de woorden: met u wil Ik niet te maken hebben. Wel kan Hij ons als we tot Hem vluchten beproeven door te zwijgen. Zeker is dat de Heere mensen opzoekt die zich bevinden op de weg van God af. Met hen wil Hij te doen hebben. Hen roept Hij om Hem te volgen. Dan gaat er veel aan de kant, maar dan is er ook vreugde en blijdschap.
Dan wordt er een nieuw lied voor de Heere gezongen. En dan blijft deze lofzang niet tot één dag of één uur beperkt, dan is ons hele leven ervan doortrokken. Zeker dan is het met name de rustdag die we wijden met psalmen tot Gods eer. Dan zal met name uit Sions zalen de lofzang tot de Heere klimmen met stil ontzag. Maar het zal daar niet toe beperkt blijven. Zingen we nog wel? Daar wil de Heere wonen, waar de lofzangen Israels worden gezongen. En daar is voor de satan geen plaats. Nu wordt de lofzang op aarde telkens verstoord, onderbroken. Er zijn wanklanken telkens weer opnieuw. Maar daarom is het ook voor hen die hebben geleerd om een nieuw lied voor de Heere te zingen, blijvend advent, totdat Hij komt met de wolken des hemels en de nodiging klinkt tot heel Gods Kerk: Komt, maak God met mij groot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's