Mannen van de Nadere Reformatie over Woord en Geest
Een uiteenzetting te geven over de verhouding van Woord en Geest in de denkwereld van de reformatoren Luther en Calvijn is al moeilijk maar nog heel wat moeilijker is een ook maar enigszins betrouwbare weergave te bieden van wat de mannen van de Nadere Reformatie daarover gezegd hebben in hun preken en andere nagelaten geschriften. Wij ontkomen en niet aan ons schuldig te maken aan generaliseren, maar menen toch dat risico te moeten en te mogen nemen.
Heilige Schrift en Geest
De mannen van de Nadere Reformatie waren gereformeerde predikanten, geschoold in de gereformeerde theologie; dat zal men nooit mogen vergeten. De gereformeerde belijdenis af te vallen kwam in hun hoofd niet op. Of men nu Teellinck neemt of Schortinghuis, Lodenstein of Van der Groe, de gereformeerde belijdenissen, door de kerk hier te lande aanvaard, en zelfs de gereformeerde dogmatiek, gelijk die op de nederlandse hogescholen aan de theologische faculteiten onderwezen werd, stonden voor hen vast. Zó vast dat zij er blijkbaar lust in hebben gehad hele stukken van die gereformeerde leer zo vaak er aanleiding toe was niet alleen in hun catechismusverklaringen maar ook in hun andere geschriften te repeteren. Wij die zovele eeuwen na hen leven en wellicht wat minder leerstellig geïnteresseerd zijn hebben de neiging om te vermoeden dat zij hiermee slechts tol hebben willen betalen aan de orthodoxie, en dat hun hart alleen maar gelegen zou hebben in de op de leer volgende toepassing. Toch konden wij ons daarin wel eens vergissen. Ook de meest piëtistische gezinden onder hen waren niet alleen maar piëtisten maar ook van harte orthodoxe predikanten. Weliswaar is er bij vele mannen van de Nadere Reformatie als wij hen vergelijken met hun collega's (hoewel de grenzen vloeiend zijn) een zekere verschuiving op te merken, althans in later tijd, van leer en kennis naar praktijk en bevinding, maar dat betekent niet dat de leer, de kennis er voor hen niets meer toe te doen zou hebben gehad.
Het leerstuk van de goddelijke inspiratie van de Heilige Schrift hebben zij allen, voorzover ik weet, gehandhaafd. Waar het te pas kwam hebben zij het uitgesproken, beleden mag men wel zeggen.
De Schrift is voor hen dus Gods Woord. Aan de Schrift wordt door hen alle eer bewezen. De Schrift, het geïnspireerde Woord van God, is voor hen, gelijk de Belijdenis zegt, regel voor geloof en leven.
Het bovenstaande is gemakkelijk aan te tonen uit Wilhelmus a Brakels Redelijke Godsdienst. Zeer duidelijke uitspraken heeft hij gedaan in zijn befaamde Waarschuwing tegen de Piëtisten (Red. Godsdienst I.XLIII). Hier verdedigt hij een aantal stellingen waarvan de eerste drie luiden als volgt:
1) dat een christen grote liefde moet hebben tot de waarheid Gods;
2) dat een christen hoogachting voor de kerk moet hebben;
3) dat de H. Schrift de enige regel voor geloof en leven is.
De waarheid, zegt Brakel, heeft God gegeven aan Zijn kerk; daar moeten wij haar zoeken. Waar deze waarheid niet is daar is ook geen geloof. Wij moeten voor deze waarheid strijden. Men mag geen gemeenschap hebben met dwalingen en met dwalenden. Men, moet vlieden allen die zich van de kerk afscheiden, 's Heeren lof wordt gezongen, de Heere wordt aangebeden en Zijn Naam wordt beleden in de kerk. En dan keert Brakel zich tegen hen die hij 'piëtisten' noemt maar die men beter 'mystieken' en 'geestdrijvers' kan noemen, aan wie hij verwijt dat zij doen wat zij kunnen om de kerk te ruïneren. Een kerkorde, de predikdienst en de sleutelmacht verwerpen zij, zegt hij, en hij ziet daarin niet anders dan een verwoesten van de kerk.
Ten aanzien van de Schrift spreekt Brakel zich als volgt uit: Zij is het Woord van God; zij bevat niets dan de waarheid; zij is regel des geloofs en regel des levens. En dan komt zijn piëtistische gezindheid (maar dan in gunstige zin door ons bedoeld) boven als hij gaat spreken over 'geestelijke oefeningen'. Hij waardeert ze hogelijk, evenwel, zij moeten, zegt hij, voor de rechtbank van de H. Schrift kunnen bestaan, anders deugen zij niet. Mat andere woorden: de bevinding moet de toets van de Schrift kunnen doorstaan. God leidt, zegt Brakel verder. Zijn kinderen niet buiten het Woord om. Wilt ge piëtisten (en dan bedoelt hij dus: mystieken, geestdrijvers) onderkennen, zo roept hij uit, ga dan na welke kennis zij van het Woord hebben, of zij dat Woord hoogachten en of zij er ook wérk van maken. Sommige piëtisten, zo weet Brakel, verwerpen het Woord geheel, anderen houden het slechts voor een boek voor beginnelingen, om dan later op te klimmen tot hogere beschouwingen, en weer anderen houden de Schrift voor slechts een dode letter.
Het komt ons voor dat hier door Brakel, zij het in een ietwat piëtistisch taalgebruik, toch hetzelfde gezegd en beleden wordt als wij ook bij Calvijn hebben aangetroffen. Geest, Woord en Schrift blijven sterk op elkaar betrokken. De Schrift is door de Geest geïnspireerd, maar de Geest wordt niet in de Schrift opgesloten. Geest en Woord mogen niet worden gescheiden, al worden zij wel onderscheiden. Wat zich als Geesteswerk, als bevinding aandient moet de toets van het Woord Gods, de Schrift kunnen doorstaan.
Doch leggen wij hier nu eens naast het boekje dat door Brakels vrouw, Sara Nevius, is geschreven en door Brakel zelf later is uitgegeven. De titel ervan doet al wat vreemd aan, zij luidt: 'Een aandachtig leerling van den Heere Jezus, Door hem zelf geleert, zonder hulp van Menschen' (editie Amsterdam 1770 7). Brakel zelf schrijft in het Voorwoord dat men de woorden 'zonder hulp van mensen' niet mag opvatten als een uiting van geestdrijverij. Blijkbaar heeft hij het gevaarlijke van deze uitdrukking wel aangevoeld. Immers zij schijnt de bediening van het Woord Gods, door mensen, uit te sluiten. Wij vragen: als er geen geestdrijverij mee is bedoeld waarom , dan deze gevaarlijke woorden gebruikt? Brakel schrijft verder - hel was na de dood van zijn vrouw - Het Woord Gods was haar enige regel en dagelijks voedsel! Wij nemen dat graag aan, alleen, er blijkt in het boekje niet veel van. Schriftplaatsen komt men er nauweiijk in tegen, en hetzelfde geldt van verwijzingen naar de bediening van Woord en sacrament. Het Geesteswerk wordt geheel in het afgetrokkene beschreven. Wij willen daarmee niet zeggen dat Sara Nevius een geestdrijfster was of een labadiste (al is zij wel bevriend geweest met Anna Maria van Schuurman, die een volgelinge van De Labadie was), maar wél staat voor ons vast dat de relatie Woord en Geest hier toch wel erg los is.
Ergens zegt Sara Nevius dat de inwendige leringen van de Geest naar het Woord moeten zijn (64), en dat doét denken aan wat wij haar man hebben horen zeggen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het funktioneren hiervan in haar boekje bepaald niet erg duidelijk is. Hetzelfde geldt van haar opmerking (146) dat het verlichte verstand zich altijd bij de geopenbaarde waarheid moet houden. Dit zijn trouwens de enige 'zekeringen' tegen mystiek en geestdrijverij die wij in haar geschrift tekenkwamen.
Veel sterker klinken door de 'onmiddellijke onderwijzingen' die zij, naar zij schrijft, van de Geest ervaren heeft. En zelfs de zeer verdachte uitdrukking 'inwendig licht' kwamen wij meermalen bij haar tegen (79, 144). En dat alles wordt dan gesteld tegenover het 'uitwendige' van de leraars (2) en zelfs tegenover al te uitwendige, wat het ook is (54 vv).
Men zal ook moeilijk kunnen beweren dat bij Sara Nevius, gelijk bij de reformatoren, het geloof centraal staat. Veeleer een mystieke liefde! Deze liefde karakteriseert zij als 'een geestelijke hoedanigheid der ziel' (43). Elders noemt zij deze liefde een 'hebbelijkheid' die de ziel is ingestort (13). Wat ons vooral trof is dat zij deze hebbelijkheid 'het fundament van alle troost' noemt (43). Dus dan is de enige troost van de christen beide in leven en sterven niet meer dan hij weet en gelooft dat hij naar lichaam en ziel het eigendom van de Heere Jezus Christus is, maar een mystieke, ingestorte liefde tot Christus. Ik vraag: staah wij dan nog zo ver af van de middeleeuwse mystici, tegen wie - merkwaardigerwijs - Brakel, haar man, zijn 'Waerschouwinge' schreef? Nogmaals, wij willen niet voorbijzien dat ook bij Sara Nevius de gereformeerde leer ondergrond is van al wat zij beleefde en schreef. Maar dit klinkt bij haar maar zwak door. Woord en Geest worden niet geheel gescheiden, maar wel is de afstand zo gróót geworden. Het werk des Geestes, de bevinding is niet meer, gelijk bij Calvijn, verzegeling van wat de Geest, in de Schrift, tot de gemeente zegt. Er is aan de Geest een vrijheid gegeven die Hij niet begeert, waardoor bevinding gemakkelijk verwisseld kan worden met allerlei gevoelens, gewaarwordingen, ervaringen die algemeen religieus zijn, en die men dan ook in andere religies tegenkomt.
Algemene indruk
Wij zouden het bij Brakel en zijn vrouw in dezen kunnen laten. Ongetwijfeld mogen hun inzichten representatief worden geacht voor wat er leefde in de kring van de mannen en vrouwen van de Nadere Reformatie. Toch willen wij ons ook nog wagen aan het geven van een algemene indruk.
Het lijkt ons onmiskenbaar dat bij de predikanten die behoord hebben tot de beweging van de Nadere Reformatie de prediking als bediening des Woords niet meer gestaan heeft onder dezelfde hoogspanning als bij de reformatoren Luther en Clavijn. Zij werd - hoe vreemd het ook klinkt - objectiever, in de zin van: biedend een objectieve weergave van het werk des Geestes in zondaarsharten; zij werd 'gemoedelijker' . Er is weinig besef meer dat er onder de prediking wat gebeurt. Het werk des Geestes schijnt zich meest elders af te spelen. In de prediking hoort men dan nog alleen hóe dat werk er uitziet, wat dat werk des Geestes onderscheidt van hetgeen het slechts 'nabijkomt', en men ontvangt vermaningen om het te begeren, er om te bidden, er om te zuchten; en men ontvangt vertroostingen als men zich in de kenmerken van het ware Geesteswerk herkent; en men ontvangt opwekkingen om er in toe te nemen. Het geestelijk leven wordt bekeken vanaf een punt dat er naar het schijnt min of meer ver van afstaat. 'De prediking krijgt een analyserend en beschrijvend karakter. De prediking is nu verwijzing naar...., inplaats van gebeuren van....
Hoe verder men komt in de 17e eeuw hoe meer de 'toeleidende weg' aandacht en nadruk krijgt. Soms gaat zij heel de prediking overheersen. Bij Calvijn moet men alle moeite doen om uit heel zijn oeuvre enige uitspraken er over op te diepen, bij de mannen van de Nadere Reformatie vult zij tientallen bladzijden; dat is een groot verschil.
Er wordt nu meer naar het Woord toegepreekt dan gepreekt vanuit het Woord. De toepassingen hangen er soms maar wat bij, hebben vaak maar een zeer geringe relatie tot de vooraf behandelde tekst. En verlopen ook schematisch; altijd op dezelfde wijze.
Zo krijgt toch, misschien onbedoeld, het werk des Geestes een zekere zelfstandigheid naast het Woord; zo gaat toch de bevinding een eigen leven leiden.
Er schijnt een heel systeem van kenmerken, bevindingen te hebben bestaan wat men gewoon van elkaar overnam. Ieder predikant (ook al stond hij zelf er geheel buiten) kon het gebruiken. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat hetgeen deze mannen preekten bij henzelf niet écht leefde, maar wel dat er een 'beoefeningsleer' bestond die schoolser is dan wij vaak denken.
Dit alles heeft ontegenzeggelijk veel goeds opgeleverd, veel pastorale, geestelijke stof, die nóg gebruikt kan worden. Men kan critisch Staan tegenover het systeem (de classificatie-methode) en toch waardering hebben voor hetgeen er in (ondanks) dat systeem naar voren is gebracht.
Wel zijn er grenzen. Die liggen daar waar de bevinding versmald wordt tot 'één weg' die als een wet de zielen wordt opgelegd. Meestal worden dan tegelijk de kenmerken van wat het niét is, maar slechts het werk des Geestes (verstaan in deze versmalde betekenis) nabijkomt breed uitgemeten. Bij Van der Groe is dat zulk een kramp geworden dat hij in zijn geschriften doorlopend spreekt over de ware uitverkorenen, - alsof er ook nog andere uitverkorenen zijn!
De mannen van de Nadere Reformatie hebben - terecht - willen benadrukken dat het niet genoeg is het Woord te horen, het \ oor waar te houden en wel te geloven. Zij namen het op voor de noodzaak van het werk des Geestes in zondaarsharten. Wij willen dat volledig honoreren.
Wat Calvijn genoemd heeft de verzegeling van het Woord in de harten door de Geest is waarlijk niet niets. Waarom zou het niet legitiem zijn om, al naargelang de tekst er aanleiding toe geeft, in de preek op te nemen wat zij kan uitwerken in de harten, door de Geest? Maar laat het sober gebeuren, niet schematisch, en in nauwe verbondenheid aan tekst en preek.
In de kerk der middeleeuwen werd vóór de consecratie van brood en wijn de Geest aangeroepen om de verandering van deze elementen in het lichaam en bloed van Christus te bewerkstelligen. De Reformatie heeft met de mis afgerekend. Zij stelde de prediking centraal. Ook nu het gebed om de Geest, maar dan vóór de prediking, als een bede om verlichting.
Achter deze verwisseling zit een hele visie op de eredienst, op de prediking en op heel de aard en het karakter van het geestelijke leven van de christenheid. Wij moeten, als wij reformatorisch willen zijn, het leven des geloofs maar dicht bij de prediking houden, Woord en Geest wel onderscheiden maar niet scheiden. Er mag best aandacht zijn voor de uitwaaiering van het werk des Geestes in hart en gemeente; maar wee ons als wij in de prediking van het Woord niet meer horen de polsslag van de Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1976
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's