Caesar of Christus ?
En het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, zo vangt Lukas 2 aan. Vanwaar deze historische uitweiding? Is dat uit puur geschiedkundige belangstelling? Nee. Er zit meer achter. Dit: de geboorte van Gods Zoon vond plaats in onze geschiedenis. Niet in het luchtledige tussen hemel en aarde, maar midden in het Romeinse Rijk; in Israël waarover keizer Augustus heerschappij voerde. En hiermee zitten wij gelijk bij ons thema: wie voert nu eigenlijk het bewind. Caesar of Christus?
Lukas begint ondubbelzinnig met Caesar: de machtigste man van het toenmalige wereldgebeuren, alleenheerser van het Romeinse Imperium. Zijn arm heerste van zee tot zee. De hele wereld was zijn territorium.
Wat er buiten zijn gebied aan aarde was, had niets te betekenen. Julius Caesar Octavanius, bijgenaamd de verhevene (Augustus). Niet tevreden met deze hoogheidstitel, liet hij zich daarenboven Divus noemen: de goddelijke. Draagt zijn heerschappij geen messiaanse trekken? De hele wereld had hem te aanbidden. Hij had de oeumene, de wereld, geleid tot eenheid. Hij kon bogen op de befaamde Pax Romana (Romeinse vrede). Messiaanse allure! Jawel, maar dan: anti-messiaans! Want bedenk, hoe dit keizerschap zich heeft ontwikkeld: straks wordt het een machtig systeem van keizerverering en afgodsdienst. Christus' gemeente zal bij duizenden worden afgeslacht. Er zal weinig aan mankeren of de jonge plant van de gemeente zal als onkruid vertrapt worden door de laars van de keizer.
In deze hoogspanning plaatst ons Lukas 2. Deze woorden hebben niets van een romantische kerstsfeer, maar alles van het enerverende, angstige klimaat van een noodtoestand. Hiet staat slangezaad tegenover vrouwezaad. En zoals het voortdurend gaat: het slangezaad is aan de winnende hand en de heerschappij van het beloofde vrouwezaad ligt diep verscholen. De adventskerk heeft al eeuwenlang uitgezien naar de vervulling van Gods belofte aan Abraham: In u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden. Zijn nu dan nóg niet aangebroken de dagen waarvan de profeet gezongen heeft: En gij Bethlehem Efratha . . ., uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn . . ., Hij zal staan in kracht en hoogheid . . ., Hij zal groot zijn tot aan de einden der aarde en Deze zal Vrede zijn? Heeft deze toezegging een einde? Mogen we niet verwachten dat het kerstverhaal inzet met: En het geschiedde in die dagen, dat keizer Augustus zijn naam verloor, zijn verhevenheid gesloopt werd, en zijn vrede als voos aan de kaak werd gesteld? Waar blijft nu het Godswoord van Psalm 72: Hij zal heersen van zee tot zee, zijn vijanden (waaronder Caesar!) zullen het stof lekken, ja alle koningen zullen voor Hem buigen? Maar lees: Caesar gebiedt en het staat er! Eengebod gaat immers van hem uit, een beschikking, een 'dogma'. Dat is een opvordering krachtens autoriteit. En het bestrijkt N.B. de hele wereld! En die hele wereld gehoorzaamt. Caesar wil tot meerdere glorie, krachtiger organisatie en waarschijnlijk belastingtechnisch geschiktere centralisatie naam, beroep en vermogen van zijn onderdanen in publieke registers laten beschrijven.
De keizer gebiedt! En zélfs Gods eigen volk heeft maar te gehoorzamen: Gods horigen horig aan de Caesar! Het is het volk waaruit de Messias voort zou komen; dat de alleenheerschappij verwachtte van Hem op wiens schouders de heerschappij is!
En nu de meest brandende vraag: Jozef en Maria hoeven hier toch zeker niet onder te buigen? Deze telgen van het beroemde Davidsgeslacht zullen toch onder dit juk niet doorgaan? Zij weten immers dat de belofte Gods een dezer dagen zal vervuld worden? Maria draagt het heilige zaad! Heeft zij niet gezongen: Hij heeft krachtig werk gedaan, Hij heeft machtigen van de tronen getrokken, Hij heeft rijken ledig heengezonden? Hij heeft. Hij heeft, Hij heeft! Wat heeft Augustus dan nog in te brengen?
Toch, geen spoor van eigenmachtig optreden. Zij kunnen er niets van bekijken, van Gods weg. Zij zien ook niets van de beloofde heerschappij. Zoals Augustus niet weet dat hij maar een speelpop in Gods handen is, zo ook weten Jozef en Maria niet hoe God werkt. Gods regiment werkt in het verborgene. Zelfs zo verhuld, dat Jozef en Maria niet eens uit eigen beweging naar Bethlehem gaan omdat zij nu eenmaal wel weten dat volgens Micha daar de Christus geboren moet worden. Nee, zij gaan omdat . . . Caesar beveelt. Jozef gaat. Samen met Maria. En . . . samen met de Christus in haar schoot! Onderworpen, lijdzaam, volgzaam, voegzaam.
Maar wie voert in dit gebeuren dan eigenlijk het bevel? Aan wie is de zeggenschap? Aan God. Nochtans! Aan God, de Man van zijn Woord. Ogenschijnlijk moge Hij de Messiaanse belofte vergeten zijn, schijn bedriegt. Hij is bezig ze stuk voor stuk te vervullen. De keizer met al zijn rumoer is als was in zijn handen.
Hij laat hem zich opblazen als een ballon. 'Als nu de ballon volgeblazen is en iedereen denkt, dat ze boven liggen en 't gewonnen hebben, en ze zeker zijn van hun zaak, dan prikt God een gat in de ballon en dan is het radicaal uit' (Luther). Heel Augustus' rep en roer is maar een middel om een klein detail van de Oud-Testamentische profetie in vervulling te laten gaan: Bethlehem zal de plaats van Jezus' geboorte zijn. Dat wordt de uitvalspoort van Gods offensief.
Daarvan heeft Rome niet gedroomd. Maar vanuit dat gehucht zal het wereldrijk omsingeld en genomen worden door het Evangelie! Terwijl het slangezaad er op uit is Gods beloften dood te drukken, is het enige resultaat de vervulling ervan. Maar . . . voor het blote oog is daar niets van te zien. Wij moeten van Gods kruisweg geen program maken, dat voor vlees en bloed bij voorbaat doorzichtig is. Het gaat werkelijk door het tegendeel heen, geleid als een blinde die de weg niet weet (Jes. 42 : 16). Jozef, Maria en Jezus, zij gaan onder het gebod van de keizer door. Dat is het enige wat vlees en bloed kan concluderen.
Nog vóórdat de Christus is geboren buigt Hij (voor Wie alle koningen zouden buigen!) voor de Caesar. De Messias onder de anti-messias! Reeds hier daalt Hij de tunnel in van zijn vernedering en ontlediging. En zo zal het doorgaan in zijn leven: een gestadige dood: verguisd en miskend, gescholden en verschopt, gemarteld en mishandeld, vervloekt en gekruisigd. Nochtans: juist zo voert Hij het bewind, juist zo volvoert Hij het gebod (het eigenlijke 'dogma'!) van zijn hemelse Vader. Zo draagt Hij onze zonde en vervloeking, onze straf en dood. Daaronder gaat zijn heerlijkheid, verhevenheid en goddelijkheid schuil. Divus en Augustus is Hij, maar met versluierde glans en glorie, om onze zaligheid. Daarom, zo predikt Luther, heeft zich onze lieve genadige God en Zaligmaker uit onuitsprekelijke liefde en barmhartigheid, veel verder in onze ellendige en door de duivel verachte, geplaagde en geschonden natuur gestoken, en is Hij veel dieper in het vlees gekropen dan de duivel daarbinnen kan komen. De duivel kan een mens plagen en martelen, maar hij kan nochtans niet een persoonlijk mens worden. Maar door deze blijde geboorte van dit Kindeke is God in één persoon met onze menselijke natuur verenigd, en is de Zoon waarachtig ons vlees en bloed. Ja, hier moest wel ieder mens de ander uit louter vreugde op de schouders nemen om wille van Christus' vlees en bloed.
Wie zonden heeft, valt Luther daarin bij. Wat zou het ons baten als Christus in de majesteit van hemelse praal en glorie was ontvangen en geboren? En hoe zou Gods Naam weer luister en gewicht herkregen hebben, als Christus niet juist voor onze diepe verlorenheid en schande had betaald?
Zó regeert deze goddelijke en verheven Koning wanneer Hij zich onderhorig maakt aan de 'goddelijke' en 'verheven' Caesar.
Straks, 33 jaar later, dezelfde confrontatie! Maar nu heviger, geconcentreerder. Christus voor het Romeinse gericht. Pilatus vertegenwoordigt het wereldrijk, gevolmachtigd om het recht zijn loop te laten hebben. En Christus, de Koning laat zich door de stadhouder veroordelen. Uiteindelijk: door de keizer van Rome.
Christus gevonnisd door Caesar (zij het inmiddels een andere Caesar: iberius). En wat is er dan te zien van de heerschappij op zijn schouders. Nog duizendvoudig minder dan in Lukas 2. En nochtans is Hij Koning. Niet van hier, maar van Boven. Koning van vrede en verzoening. Niet van vrede die vergaat zoals de Pax Romana, maar van vrede die alle verstand te boven gaat, de Pax Christiana: betaald met bloed, gevestigd in het welbehagen Gods. Nee, vlees en bloed zien gedaante noch heerlijkheid; geen aantrekkelijks in Bethlehem noch op Gabbatha (Joh. 19 : 13). Maar het hoogheilig Evangelie verzekert ons: dit is Hem! Dit is de Koning der Oud-Testamentische beloften. Dit is de Koning die zonde, duivel en dood overwint. Deze is de Koning die niet zoals Augustus zijn rijk sticht op het bloed van anderen, maar op zijn eigen bloed.
Nog eenmaal zullen de Caesars Augustus, Tiberius, Caligula, Nero . . . tegenover deze Christus staan. U en ik zullen er bij zijn. Dan zal er een gebod uitgaan van Koning Christus, de enige Augustus, dat de gehele wereld beschreven zal worden. Allen, van de eerste sterveling tot de laatste boreling, zullen wij daar verzameld worden. En Jozef gaat ook dan op. Met Maria. Begenadigden, omdat Het Kind zich eenmaal voor hen in het gericht heeft gesteld . . . De zee zal haar doden geven en de aarde. De graven zullen geopend worden. Alle levensboeken opengeslagen. Alle oog zal Hem zien. Niet meer in de beschermende en genadige verborgenheid van het kruis, maar op de wolken in stralende glans en pure heerlijkheid. En die fonkel en schitter zal alleen uit te houden zijn voor wie in de verachtelijkheid en onwaardigheid van zijn kribbe en kruis hun heil, hun Heiland mochten zien. Maar voor alle Augustussen, voor alle Caesars, voor alle opgeblazen pochers die Christus hebben licht geacht, zal dat licht verblindend zijn. Dat gericht door Jezus, dat gezicht op Jezus snijdt de wereld der mensen in tweeën. Jezus komt! Jezus, die naar Bethlehem kwam uit Nazareth. Jezus, die naar Golgotha kwam. Jezus, die uit de doden weerkwam. Jezus die naar het laagste, leegste, zwakste, zwartste hart komt om er intocht te houden. Die Jezus is in aantocht. En het zal geschieden in diezelve dag dat er een gebod zal uitgaan van de goddelijke Augustus in de hemelen, dat al degenen die Jezus niet hebben liefgehad, een vervloeking zullen zijn. En dat allen die zichzelf mishaagd hebben, maar Jezus hebben liefgehad, gezegend zullen zijn. Want God, de Betrouwbare, is zijn toezegging niet vergeten: in Hem zullen alle geslachten van het aardrijk eeuwig gezegend zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1976
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1976
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's