Geloofsbeleving in het Oude Testament
1
In de Hebreeënbrief geeft het Nieuwe Testament een overzicht van Gods handelen in Christus in het Oude Testament. De beginwoorden van de Hebreeënbrief (1 : 1 en 2) bieden al dadelijk zulk een overzicht van het spreken Gods door de eeuwen: God voormaals veel maal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, welke Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door welke Hij ook de wereld gemaakt heeft.
Voor Mozaische tijd
Daar is dan vooreerst de geloofsbeleving in de vóór-Mozaische tijd, toen het spreken Gods tot de; mensen persoonlijk plaats vond, nog niet door een geschreven woord. Wij kunnen hierbij onderscheiden: openbaringen door spreken, spreken van God Zelf of door engelen of door de Engel des HEEREN, door openbaringen door visioenen, door openbaringen door dromen. De voor-Mozaische tijd is tevens de voor-patriarchische tijd. Eerst na Abraham, Isaac en Jacob kwamen de patriarchen, de twaalf zonen van Jacob, waaruit de stammen van Israël zijn voortgekomen. Met Abram begint de bondssluiting, met Mozes begint de volks- en kerkgeschiedenis van Israël, waarin de religie in wet en verzoening in de tabernakeldienst vaste vormen gaat aannemen. ' Hierbij gaat de religie over van het persoonlijke naar het algemene - het volkse en het kerkelijke.
In die voortijd van Adam tot Noach - in de oude wereld - en dan van Noach tot aan de patriarchen - was het spreken en handelen Gods persoonlijk en ging ook de religie, de Godsverering, strikt persoonlijk van die oude figuren zelf uit. De Godsverering had nog geen algemeen karakter. Het spreken van God met de mens was veelszins kort en bondig. Als God met Adam spreekt en met Eva dan doet Hij dat door eenvoudig te vragen naar de zonde: 'Hebt gij gegeten'. Als zij de schuld van de een op de ander werpen, dan gaat de HEERE daar niet nader op in en spreekt over elk een oordeel uit en geeft dan de Moederbelofte, de belofte van de Messias, maar ook tevens een oordeel over elk. Dat is het proto-evangelie. Wij vinden hier niets van een erkennen van schuld, niets van een God toevallen in Zijn recht, wij vinden hier een recht gehandhaafd over Adam, over Eva, over de slang en voorts; bepaald een eenzijdige zondaarsliefde bij God. Met een kort woord staat daar de Moederbelofte, dat is de moeder aller beloften, dat is ook wel de belofte van het gezegend moederschap. Met korte woorden wordt ook het eerste mensenpaar uitgedreven uit het Paradijs. Wij lezen hier van geloofswerkzaamheden bij Adam en Eva niets, , van een zoeken van God niets, van enige Godsdienst van 's mensenzijde niets. - Met dit korte woord moeten deze mensen het doen en ook de oudste voorgeslachten. Maar dit prot-Evangelie, deze belofte is het barende Woord. Hieruit is het hele Woord ontstaan. Met de summiere gegevens hier hebben wij het hele toekomende Woord te doorlopen. Met deze ene belofte hebben Adam en Eva en het eerste nageslacht het moeten doen in hoofdzaak. En zij hebben het ermee gedaan: Adam en Eva en hun kinderen tot aan Noach toe. Onderschat de kracht der belofte niet! Daarin zit de inspiratiekracht van de Heilige Geest. En zulke eerste woorden in de bijbel, tot mensen gesproken, bezitten de wortelkracht van de bijbel. Heeft God in die voortijd niet meer gesproken? Vooreerst het waarschuwende en ontdekkende woord tot Kaïn. Eén van de klemmende bewijzen, dat God ook tot verworpenen spreekt, waarin ontdekking, maar ook waarschuwing ligt. En dan begint men in de dagen van Seth, bij de geboorte van Enos de naam des HEEREN aan te roepen. Daar is de eerste, weer summiere, Godsverering. Alweer: met dit summiere moest men het doen. Nadat Kaïn en Abel geofferd hadden - van altaren lezen wij hier nog niet. Dit geschiedt eerst bij Noach, na de vloed. Toen voor het eerst werd een altaar gebouwd. Dat was na de ark het eerste bouwsel, ' dat van Godsdienstige aard was. Men moet van zo'n altaar niet te gering denken. Het is het eerste Godshuis en wel het altaar; zonder daaromheen en daarover een omkleding. Wij hebben tot nu toe dan alleen de sobere Godsopenbaring door het woord, de aanroeping van de Naam des HEEREN, het offeren en de vaste offerplaats, het altaar. Dit beslaat heel de voortijd, toen de mensen vermenigvuldigd werden, dat toen de mensen geweldigen begonnen te worden op de aarde en het gedichtsel van de harten der mensen alleenlijk boos was op de aarde. Ik moet een restrictie aanbrengen op het weinige spreken van God. Het is bij Henoch, die met God wandelde gedurende drie honderd jaar, dat men mag aannemen, dat er een spreken Gods geweest moet zijn, zoals een vriend met zijn vriend. Soortgelijk blijkt ook met die andere vriend Gods, Noach, met wie God uitvoerig het bouwen van de ark besprak en de wijze, waarop hij de ark zou bevolken.
Daar is dus in die voortijd 'n summiere Godsopenbaring, genoegzaam tot hun geloof en gericht van meetaf op Christus, daar is ook een aanroepen van God en een spreken en wandelen met God. Daartegenover is er de waarschuwing Gods aan een Kaïn, voordat hij zijn wandaad doet, en tevens een twist van de Geest Gods met de inwoners der aarde vanwege de toenemende goddeloosheid. Dit summiere Godsgeloof was genoegzaam om de vroege kerk te stichten en instand te houden tegen de reuzen van die tijd, tegen de reuzen, die mannen van naam waren, de uitvinders van tenten (Jabal), van harpen en orgelen (Jubal), de leermeester van alle werken in koper en ijzer (Tubal Kaïn). Dit waren de geweldigen, die van ouds geweest zijn mannen van naam. 'Het woord klein - de eredienst klein - de kerk klein, als een mosterdzaad in een grote wereld. Na die geweldige tijd, met de geweldige vloed is er geweest de torenbouw met de spraakverwarring.
Patriarchale tijd
Ik kom aan de groot patriachale tijd van Abraham tot Mozes. Wederom een tijd zonderschriftwoord, zonder tempel of tabernakel, de tijd van het wordende woord en het wordende verbond, de tijd van de zich ontplooiende Godsopenbaring, waar de kerk veel en graag op terugvalt. Het is de tijd van Abraham, Isaac, Jacob en de twaalf patriarchen tot aan Mozes toe, tot aan de volks wording toe. Een tijd belangrijk voor de voortschrijdende Godsopenbaring. In deze tijd treden op de Godsopenbaringen door gezichten en door dromen. Daarover dan nu! Wij lezen bij Abraham eerst: De HEERE nu had tot Abram gezegd: 'Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; en Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken, en wees een zegen: en Ik zal zegenen die u zegenen en vloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden'. Trekt nu Abram na een vijfjarig verblijf in Haran, waar zijn vader Terach sterft, naar More, dan lezen wij voor het eerst, dat de HEERE, aan Abram verscheen en zeide: 'Aan uw zaad zal Ik dit land geven'. Hier is dus weer het spreken Gods - dus de belofte, die in Abram's leven zo'n alles beheersende plaats in zal nemen. En daar komt de verschijning. In Handelingen 7 deelt Stephanus mede aan de Joodse Raad, dat de HEERE daar aan Abraham verschenen is als de 'God der heerlijkheid'. Wij lezen nog enkele keren bij Abraham, dat de HEERE hem verschenen is. Het is slechts enkele keren zo geschied, maar het heeft zo'n diepe indruk op Abraham gemaakt, dat hij dat nooit heeft kunnen vergeten. Evenals het horen van de stem Gods een onuitwisbare heugenis bij iemand achter liet, evenmin zal ook de verschijning Gods ooit vergeten kunnen worden. Daarbij viel Abraham op zijn aangezicht. Bij dat zien zou later Jesaja roepen: 'Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en dewijl ik woon temidden van een volk, dat onrein van lippen is'. Niettemin bracht deze verschijning Jesaja's roeping tot profeet met zich. Zo zou weer later Johannes op Padmos als dood aan Jezus' voeten vallen, ware het niet, dat Deze de hand op Johannes legde en hem toevoegde: 'Vrees niet'. En ook deze verschijning werd voor Johannes de deur tot het ontvangen van de hele Openbaring van de geschiedenis der kerk en de eeuwige toekomst van de eindtijd en van wat daarna geschieden zou.
De verschijning des HEEREN toen, is voor ons Nieuw Testamentische mensen hetzelfde als wanneer ons de Schriften geopend worden. Prof. dr. S. F. H. J. Berkelbach van den Sprenkel, de dogmaticus, sprak dan van een opengaan der Schrift tot op God. Open tot op God! Als wij God mogen ontmoeten, als de HEERE Zich aan ons openbaart door het geloof, dan openbaart Zich dezelfde levende God. Dan horen wij dezelfde levende stem Gods en dan verschijnt Hij Zelf levend in de Schriften. Daar is de zaligheid, toegezegd aan allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad. Als God in Christus Zich openbaart, dan geldt ook voor ons: 'Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien'. God is dus de God Die verschijnt, de God Die Zich openbaart. Het volk van God zal in de hemel geen vreemd God ontmoeten. Hij kan verschijnen in het woord, in het gebed, in de prediking. Paulus zegt: Ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. Houdt u echter het meest op de openbaringen dóór en in het Woord!
De openbaringen kunnen ook geschieden door dromen. Tijdens het verbondsoffer Genesis 15:12 kwam ook bij Abraham een openbaring Gods en een spreken Gods bij een diepe slaap. Bij Jacob geschiedde de eerste openbaring van God en van Zijn engelen te Beth-El. - Wat toch te zeggen van dromen? Zijn dromen bedrog? Deed de HEERE die openbaringen door dromen zolang het Woord Gods er nog niet was? Laat mij in het algemeen een opmerking hierover maken. Het kan wel een bewijs van Godsvrucht zijn als men zelfs in de slaap met God bezig is, met Zijn woord bezig is. Hoewel wij daarmede voorzichtig moeten zijn, als wij denken aan de dromen bij Babels koningen, die toch waarlijk wel verre van de Godsvrucht af waren. De HEERE is echter vrij om Zich van zulke openbaringsmiddelen te bedienen bij ontstentenis van het geschreven woord. Wat ons betreft: ik verwerp het droomleven niet, maar wil u op vastere grond uwer zaligheid wijzen, namelijk het geloof in het Woord. In verband met deze openbaringswijzen wil ik ook nog wijzen op het vragen en ontvangen van tekenen. Abraham vroeg: 'Waarbij zal ik het weten? ' En dan geeft God als teken het verbondsoffer van de driejarige vaars, de driejarige geit, de driejarige ram, de tortelduif en de jonge duif. Wij komen in later dagen van het Oude Testament het vragen van tekenen meer tegen, namelijk bij Gideon - de tekenen van het droge en natte vacht bij de dauw. Het teken mag er zijn tot bevestiging van het geloof, nooit bij twijfel of bij ongeloof. Jezus zal in het Nieuwe Testament voor het boos en ongelovig volk wijzen op het teken van Jona de profeet. Geen teken, dan dat van Jona voor een boos en overspelig volk. Wilt gij een teken vragen, daar is een hecht en blijvend en algemeen geldend teken in de besnijdenis van Abraham af van het Oude Verbond en van Jezus' hemelvaart af voor het Nieuwe verbond, in de Doop. En dat teken zij u hecht en bondig, wijl het niet minder dan het Verbond Gods u bezegelt. En dit teken was voor Abraham's zaad dicht bij huis, namelijk gesneden in hun vlees - en voor de vrouw in het vlees van haar vader of van haar man, zodat de vrouw op grond van haar vaders of haar mans besnijdenis mocht rekenen op de verbondsweldaden Gods. En dit teken is voor het zaad van het Nieuwe Verbond dicht bij huis, op het voorhoofd, beide voor man en voor vrouw. Vraagt gij een teken: met dit verbondsteken zult ge bij uw God nimmer tevergeefs iets hopen of iets vragen ! ! Het is het enige teken, wat de HEERE Zijn volk meegeeft op zijn levensreis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's