Gedachten des vredes
Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij. Psalm 40 : 18a.
Is dit de lofzang, die in ons hart blijft weerklinken , ook nu het Kerstfeest weer achter ons ligt? Is dit woord Gods voor ons een bemoediging nu het jaar onzes Heeren 1976 ten einde snelt en er een nieuw jaar als een nog onbeschreven blad voor ons ligt? Is dit ons houvast?
Ik ben ellendig en nooddruftig. Als we omzien en het jaar dat bijna voorbij is, overzien, dan zijn er vele zegeningen te tellen. Aan de andere kant is er in veler, ja in aller leven ook moeite en verdriet geweest. David spreekt in deze psalm zelfs over kwaden, tot zonder getal toe, die hem omgeven. Ze zijn er ook in ons leven in meerdere of in mindere mate. Ik ben ellendig en nooddruftig. Dat laatste, dat nooddruftig zijn, is een gevolg van het eerste. Als het volk Israël veertig jaren lang door eigen schuld moet omzwerven in de woestijn, dan zijn zij nooddruftig. In de woestijn wordt het nodige niet gevonden, maar de Heere gedenkt nog aan Zijn volk en schenkt hen het nodige goed.
Wij zijn ellendig, wij verkeren door eigen schuld in de woestijn en we zwerven door die woestijn. Ja onze ellende ligt nog dieper. Wij zijn van God vervreemd, wij zijn Zijn stem ongehoorzaam geworden en hebben Hem verlaten. Hem; Die in al onze behoeften voorziet. Daarom zijn we nooddruftig.
En zo'n zwervend volk dat God verliet en nog telkens verlaat, kan toch niet anders verwachten dan dat de Heere hen aan hun lot overlaat. Zou Hij nog ooit aan hen gedenken en naar hen omzien? Als Hij dat doet, zal het toch zijn om hen te straffen en weg te doen van voor Zijn aangezicht?
Soms kan het ons zijn of de Heere inderdaad niet meer naar ons omziet. Ik heb de Heere lang verwacht. Het duurt soms zo lang en we hebben geen recht. Zou God Zijn gena vergeten? Zo lezen we het ook in de profetieën van Jesaja, hoe Sion klaagt: de Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten. Maar dan is daar die goddelijke bemoediging: kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zpon van haar , schoot? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik u toch niet vergeten.
Zo belijdt ook David: de Heere denkt aan mij. Dan mag het zijn, zoals het is: een leven vol moeite en verdriet, een ruisende kuil vol modderig slijk, waar hij steeds dieper in vast komt te zitten, dan mogen kwaden tot zonder getal hem omgeven en de ongerechtigheden hem aangrijpen, David mag er toch vast van overtuigd zijn: De Heere dénkt aan mij.
Kent u dit ook? Of leeft in uw hart de gedachte: wist ik nu maar of de Heere ook wel aan mij denkt? Och wie niet door het ontdekkende werk van de Heilige Geest oog heeft gekregen voor zijn ellende en nooddruft, die verwacht ook de Heere niet, die roept niet tot Hem. Maar wanneer wij ons leven overzien bij het licht van Gods Woord, als we de balans opmaken, dan blijkt dat we zo diep in de schuld zitten, dat we er nooit meer uitkomen. Arm en ellendig zijn we dan voor God. Nu worden de armen en de ellendigen in deze wereld gemakkelijk vergeten, zij gaan in de massa ten onder. Maar alzo is het niet bij God. Hij denkt aan hen. Hij, Die door ons mensen zo vaak wordt vergeten. Hij denkt aan ons. En dan zijn Zijn gedachten niet vol toom, maar vol liefde en ontferming. Als we daar iets van gaan zien, dan moeten we ons toch wel diep verootmoedigen en met verwondering belijden: Heere wat is de mens dat Gij zijner gedenkt, wie ben ik dat Gij nog naar mij omziet. Want geen mens is het waard, geen mens heeft het ernaar gemaakt dat de Heere zo doen zou en als Hij het dan doet, kunnen we ons alleen maar verwonderen en verblijden.
De Heere vergeet het geroep van de ellendigen niet. En als we dan met de nood, met de schuld van ons leven, ook van dit jaar dat achter ons ligt vluchten tot de Heere, dan mogen we dat niet doen met de gedachte: wie weet misschien is er uitkomst. Nee we mogen tot de Heere gaan in het vertrouwen dat zijn oor tot ons geroep geneigd is, dat Hij aan ons denkt. Mensen kunnen teleurstellen. Mensen kunnen zeggen: ik zal nog eens aan je denken en intussen je toch vergeten. Zo is het bij de Heere niet.
Dat de Heere aan mensen verloren in schuld denkt en gedacht heeft, dat is werkelijkheid geworden, dat is concreet geworden in de komst van Zijn Zoon de Heere Jezus Christus in deze wereld. Hem zond de Vader. In Hem stak Hij ons de reddende hand toe. In Christus gaf de Heere aan een volk omzwervend in de woestijn en Leidsman die hen brengen wil in het beloofdfe land. We hebben het gezongen tijdens de Kerstdagen: Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt. Ook wij mochten het weer horen in de prediking van het kerstevangelie, dat de Heere aan ons gedacht heeft, dat Hij nog aan ons denkt.
Wat een reden om voor de Heere ons ganse hart uit te storten, om al onze bekommernis op Hem te werpen. Als er een schip voor de kust in nood verkeert en het s.o.s. seint en de noodsignalen worden opgevangen dan gaat er een reddingsploeg uit.
Het wonder is echter dat de Heere de Redder, de Verlosser al beloofde aan de mens die er niet om vroeg, dat Hij Hem zond in een wereld die Hem niet nodig meende te hebben en dat Hij thans nog wordt gepredikt aan mensen die van nature niet naar Hem vragen.
De Heere heeft gedachten des vredes gehad over Zijn vijanden en daarom Zijn Zoon gezonden om in die vijandige wereld te sterven. Ja de Heere doet alles om mensen te redden. De Heere Jezus geeft Zijn leven om vijanden met God te verzoenen. Is het niet het grootste wonder dat ooit is gehoord? Is dat niet het bewijs dat God aan ons denkt en dan met gedachten des vredes?
Nu kunnen menselijke reddingspogingen falen. De vloed of de storm kunnen te sterk zijn. Voor de Heere is niets te wonderlijk, is niets te groot. Hij weet wel raad, in de grootste nood.
Het is weer Kerstfeest geweest. Wat heeft de prediking van Christus' komst in deze wereld ons te zeggen gehad? Wij mochten gedenken, hoe de Heere aan ons gedacht. Als we daar in het geloof uit leren leven en zo ook het nieuwe jaar ingaan dan is de toekomst, hoe onzeker, toch zeker, want God denkt aan ons. Dan kan ik zingen: de Heere is bij mij, ik zal niet vrezen, de Heere zal mij getrouw behoên.
Er zijn heel wat mensen die kerstfeest vieren, de jaarwisseling vieren en dan is het weer voorbij voor een jaar en zij vergeten. Maar weet wel God vergeet niet. Wie niet verbroken en verslagen wordt, onder de gedachten des vredes die de Heere gehad heeft over ons, wie zich niet tot Hem leert wenden om behouden te worden, die zal in de dag der dagen bemerken dat de Heere niets vergeet, maar alles brengt in het gericht. En wie zal dan bestaan? Maar daar is nog vergeving. De gedachten des vredes, ze worden ons nog gepredikt. In onze ellende en onze nooddruft, is er een God die aan ons denkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1976
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's