De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De twintiger jaren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De twintiger jaren

De oecumenische beweging en de ideologieën 1925-1966

9 minuten leestijd

Al ongeveer 15 jaar staan de zgn. 'ideologieën' weer volop in de belangstelling. Sinds de jaren '60 is er een herleving van allerlei marxistische denkvormen te constateren die wij veelal „samenvatten onder de term 'neomarxisme'. Niet alleen in de filosofie en in de politiek, maar zeer speciaal óók in de theologie.

Wat is eigenlijk een ’ideologie’?

Van Dale's woordenboek definieert het begrip 'ideologie' onder meer als het geheel der ideeën dat ten grondslag ligt aan eén wijsgerig stelsel, vooral met betrekking tot hun maatschappelijke of politieke strekking. Kortweg zou ik een ideologie willen omschrijven als een politieke en maatschappelijke leer met pseudö-religieüze trekken, welke zich ten dienste stelt van de verkrijging of instandhouding van de macht van diegenen die pretenderen de beste uitleggers en vertegenwoordigers van de betreffende leer te zijn. Over het alge­ meen zijn ideologieën totalitair en vullen ze het vacuüm op dat in een religieloze (secularistische) maatschappij is ontstaan. Mijn definitie gelijkt enigszihs op die van de Russische dissident Amalrik, die in essay 'Het Rad der Ideologieën' de ideologie een sociaal belangrijk ideeënsysteem noemt, dat door deze of gene sociale groep wordt gesteund en dat dient voor het veranderen of voor de instandhouding of versterking van de sociale verhoudingen. Wanneer wij het concreet over 'ideologieën' hebben dan denken wij veelal aan die twintigste eeuwse verschijnselen van marxisme, communisme, nationalisme, nationaalsocialisme, facisme en maolsme. Sommigen klassificeren ook het kapitalisme of het liberalisme als ideologie. Noch het kapitalisme, noch het liberalisme echter fungeren als pseudo-religie. In elk geval niet het kapitalisme, aangezien het niet in de plaats treedt van de religie en het deze ook niet tracht ria te bootsen.

In drie artikelen willen wij in het kort stilstaan bij het thema van de oecumenische beweging en de ideologieën.

Velen vragen zich in deze tijd namelijk af of die oecumenische beweging niet zelfde vertegenwoordigster van een ideologie is geworden en of binnen die beweging geloof en ideologie niet sterk naar elkaar zijn toegegroeid. Is dit altijd zo geweest? Of was het vroeger duidelijk anders? Op die vragen hoop ik in beknopte vorm antwoord te geven.

De oorsprong en latere betekenis van het begrip ’ideologie’

De problematiek van de ideologieën is een verschijnsel van de 19e en vooral 20e eeuw. Zij zijn ontstaan in een tijd van losweking van geloof en kerk.

Toch werd in de 19e eeuw met dat begrip 'ideologie' iets anders bedoeld dan dat wij er nu mede bedoelen. De Franse filosoof Antoine Destutt de Tracy (1754-1836) gebruikte het begrip 'ideologie' als eerste om er de 'wetenschap der ideeën' mee aan te duiden. Deze wetenschap onderzoekt de oorsprong der ideeën en de wet volgens welke deze zich hebben ontwikkeld. Hoewel wat de oorsprong betreft het begrip van iedere politieke inhoud verstoken was, bleek dat al spoedig de 'ideologen' met de politiek in verband werden gebracht. De 'ideologen' waren typische vertegenwoordigers der verlichting die een duidelijk vrijheidsideaal voor ogen stond. Zij wilden de wereld veranderen - naar een wereld die overeenkwam met wat zij in de natuur en in de mens ontdekten. Er ontstaat een ideologen-opvoedkunde, die ook politieke inhoud krijgt. Juist die nadruk op de vrijheid van de mens brengt de ideologen in botsing met de Franse diktator Napoleon. De ideologen krijgen op een gegeven moment zelfs de schuld van het debacle van de Russische veldtocht. Hiermede heeft het begrip 'ideologie' het terrein van de politiek betreden. Maar toch blijft het nog grotendeels beperkt tot de leer der ideeën, de filosofische denkwereld. Vooral Marx zal het begrip 'ideologie' in verband brengen met non-aktivisme, met vooral de Duitse filosofie die de wereld wel interpreteert, maarniet wezenlijk verandert. Marx wil revolutie. Ideeën worden geboren uit de materiële praktijk en die materiële wereld moet op zijn kop gezet worden. Bij Marx is de ideologie juist a-politiek. Het is theorie, geen praktijk.

Latere marxisten echter vergeten Marx' visie op de ideologieën (opzettelijk? ) en gaan het begrip 'ideologie' op de eigen leer betrekken. In het Oostduitse Philosophisches Wörterbiich (8e druk, - 1972) wordt neergeschreven dat er in de 20e eeuw een onverzoenlijke strijd gaande is tussen 'een burgerlijke en een socialistische ideologie'. De Sowjet-ideologie bestaat uit twee componenten: marxisme en leninisme. De maoïstische ideologie heeft er nog een derde (de meest belangrijke!) component aan toegevoegd: szu-hsiang -  de gedachten van Mao Tse-tung.

Aldus krijgt het begrip 'ideologie' in de 20e eeuw de betekenis, van politieke en maatschappelijke leer met veelal totalitaire trekken. Steeds duidelijker wordt het dat die ideologieën gaan fungeren als nieuwe nietchristelijke religies, nieuwe geloven, pseudo-godsdiensten.

De oecumenische beweging en de ideologieën in de twintiger jaren

De oecumenische beweging dateert van het begin van deze eeuw. Velen menen dat de zendingsconferentie te Edinburgh (1910) het startpunt van de oecumenische beweging is. Uit die conferentie kwamen later de Internationale Zendingsraad en de plannen voor de beweging van Geloof en Kerkorde (Charles Brent) voort. In de twintiger jaren vinden er enkele belangrijke oecumenische conferenties plaats: Stockholm '25, Lausanne '27 en Jeruzalem 1928. Deze drie conferenties geven aan de consolidatie van die drie oecumenische hoofdstromingen, respectievelijk Leven en Werken, Geloof en Kerkorde en de Internationale Zendingsraad.

In de twintiger jaren speelt binnen de oecumenische beweging de problematiek van de ideologieën nog nauwelijks.

Wel had de laatste oorlog (1914-1918) velen binnen de nog maar net beginnende oecumenische beweging aan het denken gezet. Vooral de 'vader van de oecumenische beweging' Nathan Söderblom. Tegenover het brute geweld van het nationalisme (zoals zich dit vooral in Duitsland manifesteerde) stelde hij de zekere stabiliteit van het internationale overlegorgaan, met name de Volkenbond. Internationale structuren moeten worden versterkt, ten einde de oorlog zoveel mogelijk tegen te gaan. De Duitsers daarentegen keerden zich steeds tegen die Volkenbond en tegen de tendens naar internationalisme, omdat zij daarin een onverantwoord en onbijbels optimisme herkenden en omdat zij een meer pessimistische visie op de wereld hadden: rijk Gods en wereld staan tegenover elkaar en het rijk Gods breekt pas baan tegen het einde der geschiedenis-het is apocalyptisch. Bovendien was er a! een halve eeuw een hele 'Deutsche Kriegstheologie' (Men leze hierover vooral Karl Hammers studie!), die het denken in vele Duitse kerken diepgaand beïnvloedde.

Nationalistische - en dus ideologische - elementen speelden in de Duitse theologie soms een niet onbelangrijke rol.

Tegenover die dreiging van het herlevend nationalisme stelt de oecumenische beweging in de twintiger jaren de internationale overlegstructuur. Men was in die jaren optimistisch gestemd over het vestigen van de wereldvrede door middel van de Volkenbond. Vooral van Amerikaans-Engelse zijde prevaleerde de 'theologie van het rijk Gods in het verlengde van een door ons in gang gezette wereldontwikkeling'. Soms werden zelfs de Volkenbond en het rijk Gods op één lijn gesteld. De conferentieverklaring van Stockholm sprak over 'de leidende beginselen van een christelijk internationalisme'. Het is dus al vroeg binnen de oecumenische beweging zó gesteld dat men tegenover de ideologie van het nationalisme tendeert naar een andere ideologie, en wel die van het internationalisme, dat weliswaar nog wel 'christelijk' moest zijn, maar dat toch in niet-christelijke organisaties betekenis kon krijgen.

Oecumenisch optimisme (Anglo-Amerikaanse richting en Söderblom) tegenover Duits pessimisme!

Stockholm heeft zich verder niet over de revolutie van 1917 in Rusland uitgelaten. Het is overigens opvallend hoe weinig aandacht de oecumenische beweging in de twintiger jaren besteedt aan de opmars van het totalitaire en sterk anti-kerkelijke communisme. Wel wordt in Stockholm tamelijk positief over een 'sociaal christendom (onder invloed van-het in die jaren zo populaire 'Social Gospel'!) gesproken. Stockholm had een lichte sympathie voor het socialisme, zoals ook in de conferentieboodschap naar voren kwam, die immers werd gericht 'aan de arbeiders van de wereld'. De Geloof en Kerkorde-conferentie van 1927 heeft zich vrijwel uitsluitend met leerstellige kwesties beziggehouden en niet met sociale ethiek. Daardoor was er geen ruimte voor een bezinning op het punt van de ideologieën.

De Jeruzalemconferentie van de Internationale Zendingsraad (IMC) daarentegen gaat spreken over niet-christelijke systemen. Sprak Edinburgh (1910) nog over niet-christelijke godsdiensten (een enger begrip), de systemen waar Jeruzalem het over heeft doelen zowel op de godsdiensten als op de ideologieën. Al spreekt men in Jeruzalem dan wel nog niet over ideologieën, er is wel een duidelijk besef aanwezig dat er een nieuw denken aan het opkomen is. Jeruzalem staat vooral stil bij het secularisme - 'een catchword' zo constateert William Paton in 1929. De tendens dat vooral jonge intellectuelen zich gaan afwenden van de godsdienst houdt de kerken diepgaand bezig. Daarover is men ten zeerste verontrust, ook en vooral in Jeruzalem.

Er schijnt een religieloos tijdperk in te treden. Maar wat zal er dan voor die religie in de plaats komen? Welke nieuwe geloven zuilendeze jongeren gaan aanhangen? Die vrees voor het nieuwe en onbekende dat wel móet komen klinkt duidelijk als ondertoon door in de rapporten van Jeruzalem die over dat 'secularisme' handelen. Dat secularisme bedreigt alle religies. Tegen die nieuwe vijand moet gezamenlijk worden opgetrokken voordat zij allen overmeesteren zal. De 'common front' (gemeenschappelijk front) gedachte overheerst in Jeruzalem-maar het is een gedachte die geboren is uit angst en niet uit de zorg voor de voortgang der Evangelieverkondiging. De houding van Jeruzalem tegenover de nieuwe dreigingen is verdedigend, niet aanvallend. De vijand van het christendom is niet meer te vinden in de andere godsdiensten, maar in de secularisatie of het secularisme.

Met deze wat vreesachtige, defensieve houding treedt de nog maar net begonnen oecumenische beweging de jaren 30 in. In die jaren zal de ideologieproblematiek plots geweldig aktueel worden en zal de vrees van velen binnen en buiten de oecumenische beweging bewaardheid worden: de nieuwe geloven van de jongere generatie zullen de wereld sleuren in een nieuw fanatisme, een nieuwe razernij - uiteindelijk in een nieuwe oorlog. Daarover echter in ons tweede artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De twintiger jaren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's