Nieuws van de Troon
En Die op de troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. Openbaring 21 : 5a.
Onze tekst vraagt aandacht voor Hem, Die op de troon zit. En het is aan geen twijfel onderhevig, wie daarmee bedoeld wordt: dat is God Zelf. Johannes had Hem al eerder gezien. Bij het begin van de openbaringen - hoofdstuk 4 spreekt ervan - zag Johannes een troon, die gezet wat in de hemel, en Eén op de troon. En aan die Ene werd eer en heerlijkheid gegeven. Want Hem werd toegeroepen: heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal. En zojuist had Johannes een grote witte troon gezien, en Degene, Die daarop zat - van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden. En hij zag de doden klein en groot, staande voor God, staande voor Zijn troon. (Openb. 20 : 11, 12). Hij is op de troon gezeten; dat duidt een toestand van rust aan. Dat wil dus zeggen: vanaf die troon worden alle dingen in hemelse rust en orde bestuurd. Er kunnen zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen.
Wat een heerlijke zaak! God regeert, en het loopt Hem niet uit de hand. Hij leidt de wereldgeschiedenis en de kerkgeschiedenis - en Hij leidt haar tot het einde toe. Hij brengt haar naar de voleinding. Welke vijand er ook is, hoe Gods kerk ook bestreden kan worden, welke benauwdheden er ook kunnen zijn: Eén zit er op de troon, en Hij zal de Zijnen beschermen. Hij zal het zo leiden dat alles tot hun zaligheid moet dienen. Hij zit op de troon, de Héére regeert-en dat daarom de aarde zich verheuge, en veel eilanden zich verblijden. Want het bestuur van alles ligt in Gods handen.
Zou het daar niet om gaan, ook voor ons, ook voor dit jaar dat pas begonnen is? Kohlbrugge zegt in een nieuwjaarspreek: 'Het is de wens ' van mijn hart, dat u gedurende het gehele jaar het ondervinden en geloven moogt dat daarboven Eén is, Die op de troon zit'. Ja, en Hij is toch een God, Die rechtvaardig, wijs en zacht regeert. Die Zijn ellendigen niet vergeet, maar hen recht doet op hun klacht. Daarom: dat Israël op de Heer' vertrouw'; zijn hoop op Gods ontferming bouw', en stil berust in Zijn beleid, 'van nu tot in all' eeuwigheid.
Wel is het de vraag direkt: Hebt U Hem in het oog gekregen? Kent U Hem Die op de troon zit? Want het eerste is dan toch dit, dat we voor Hem leren beven en buigen. Jesaja zag de Heere zitten op een hoge en verheven troon en hij riep uit: Wee mij, want ik verga, want ik ben een man van onreine lippen. Mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien. Ja, dat betekent dat we zelf van de troon afgaan, en dat we diep voor de heilige God leren buigen. Dan hebben we te maken met een troon van gericht, waar we eigenlijk nooit meer toe kunnen naderen. Maar weet U: er is er Eén genaderd tot die troon, tot de Vader en wel met Zijn eigen bloed, met Zijn offerbloed. En zó heeft Hij de troon van gericht een troon van genade gemaakt! En daarom mogen we nu toegaan tot de troon der genade, want de toegang tot die troon staat dag en nacht open in het bloed van Christus. Om daar bij die troon geholpen te worden. Daar mogen we elkaar toe opwekken: laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, er genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. En gelukkig als we ongeveinsd, in het midden der ellenden, ons met gebeên tot die troon blijven wenden. Daar moeten we zijn, we moeten bij Hém zijn. Die op de troon zit. Want vanaf die troon dalen alle zegeningen neer, vandaar schenkt God genade voor genade.
En Die op de troon zat, zeide. Zéide. God gaat hier dus spreken. Dat was nog niet eerder gebeurd. In vers 3 lezen we van een stem van een engel uit de hemel vandaan. En ook verder terug in het boek Openbaring hoorden we nog niet uitdrukkelijk van het spreken van God Zelf. Maar nu wel, nu neemt God Zelf het woord. Dan is het hoogst belangrijk, dan mogen we wei extra goed luisteren. Als God gaat spreken, houdt dat wat in! Bij de schepping sprak God, en het gebeurde terstond. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Zijn Woord is altijd met macht, Zijn Woord is tegelijk daad. Zo is het ook in de genade. God spreekt tot een zondaar zó krachtig, dat er wat verandert. Hij zegt tot een harde zondaar: Tot hiertoe, en niet verder, en... het gebeurt! Die mens kan zo niet verder meer leven. En God zegt: leef. En de dode zondaar gaat inderdaad leven. Daarom: als Gód spreekt, mogen we onze oren wel spitsen; dan mag het wel zijn: ik zal horen wat God de Heere spreken zal.
Hier gaat Hij spreken, Die op de troon zit. En hier gaat Hij spreken in een beslissend ogenblik, want het einde van de wereldgeschiedenis nadert. Het boek Openbaring zegt dat duidelijk. Hij zal daarom spreken in Zijn gericht en in Zijn oordeel. Maar ook in Zijn genade, want Hij zal aan Zijn kerk denken. Die op de troon zit, zeide. Op dat Woord kunnen we dan ook aan. Op dat Woord mogen we ons verlaten. Zijn Woord is machtiger dan alles wat de duivel ons influistert. Hij zegt het. En Hij is toch geen man dat Hij liegen zou. Zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?
En wat zegt Hij nu? Ziet, Ik maak alle dingen nieuw! Ziet! Opgelet, want er volgt iets verrassends. Ziet! U weet het nog wel van de kerst: ziet, ik verkondig u grote blijdschap. En wat Christus zei net voor Zijn hemelvaart: Ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld. Ziet, dat mag hier zeker gelden, want hier gaat het over iets dat nog nooit gezien is, over iets dat geen oog heeft gezien; en wat geen oor heeft gehoord, en in het hart van geen mens is opgeklommen, maar wat God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben. Ziet, Ik. Ik met de hoofdletter. 't Gaat hier bepaald niet om ons ik, om dat hoogmoedige, goddeloze ik. Dat ik van ons moet sterven in de ontmoeting met Hem Die op de troon zit. Én dan blijft God alleen over. Ik. Voor Hém wordt onze aandacht gevraagd. Voor die grote God, de Machtige, de Schepper van alle dingen, maar ook de Herschepper, en ook de Voleinder van alle dingen. Hij Die alles stuwt naar de voleinding. Ik - dat is Hij Die zegt: Mijn Raad zal bestaan, en Ik zal zal Mijn welbehagen doen.' Ik. Ik maak alle dingen nieuw. Dat doet God, en Hij alléén. Wij maken niet zoveel nieuws. Zeker, we zijn knap, er worden vele uitvindingen gedaan. Nieuwe dingen worden ontdekt. Vele pogingen worden aangewend om de samenleving te vernieuwen. Maar.... komen we zoveel verder? Blijft het onze niet altijd stukwerk? Het onze is toch altijd onvolkomen, en nooit echt helemaal nieuw. Wat vandaag nieuw is, wordt morgen weer als achterhaald en oud beschouwd. De Prediker zei het al: Er is niets nieuws onder de zon. Hetgeen er geweest is, datzelve zal er zijn. En vooral: onszelf, ons eigen hart kunnen we niet vernieuwen. Dat blijft al maar hetzelfde: geneigd om God en de naaste te haten. Maar wat bij ons onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Ik. Hij Die op de troon zit, kan alles wel nieuw maken. En wel: écht nieuw. Niet een klein beetje, maar helemaal. Er staat niet: Ik zal alle dingen wat anders maken, wat verbeteren, wat opknappen. Ook niet: Ik zal het als nieuw maken, zodat het bijna echt is. Maar niéuw, volstrekt, totaal, fonkelnieuw. Nieuw en heerlijk, zodat niet meer de smet en het vuil van de zonde eraan kleeft, maar dat de glans, de eeuwige glans van Gods heerlijkheid erover ligt. Zo zal Ik alles nieuw maken, zegt de Heere.
Dat belooft God hier. En nu gaat het in de tekst eigenlijk om dingen die God al eerder beloofd had. In Jesaja stond al: gedenkt aan de vorige dingen niet. Want ziet. Ik zal wat nieuws maken. Jesaja sprak zelfs al van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
En Jeremia sprak al van dat nieuwe, dat God zou geven: een nieuw verbond, een nieuw hart. En al die beloften zijn in beginsel vervuld, in de komst vande Heere Jezus Christus. In Bethlehem is dat nieuwe, dat bevrijdende, al verkondigd, omdat de Zaligmaker geboren was. En op de Paasmorgen heeft God in beginsel alle dingen nieuw gemaakt, toen het leven, het eeuwige leven aan het licht kwam.
Maar het wacht nog op de definitieve vervulling. Want veel is er nog onverlost, veel is er nog niet vernieuwd, veel is er nog aan de dienstbaarheid der verderfenis onderworpen. En daarom wacht het alles op de voleinding, het wacht op het ogenblik waarop deze belofte van God heerlijk in vervulling zal gaan: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.
Wat dit nader inhoudt, en hoe we persoonlijk in die vernieuwing delen, hopen we Volgende week te zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's