De predikantenvergadering
De jaarlijkse predikanten-vergadering van de Gereformeerde Bond geniet altijd weer een goede belangstelling. Dat was ook dit jaar het geval. Boeiende referaten werden gehouden door drs. A. de Reuver over God en het lijden, prof. dr. G. Quispel over. De kerk in Rusland en prof. dr. W. H. Velema over Kerk - politiek - prediking. Goede besprekingen volgden, zodat het geheel uitermate bqeiend was.
Het lijden
Drs. A. de Reuver ging in op enkele moderne theologen (o.a. dr. H. Wiersinga en mevr. D. Sölle) die zich keren tegen de klassieke voorzienigheidsleer.
'Wiersinga noemt twee redenen waarom wij vandaag met het "wat God doet dat is welgedaan" niet meer toekomen. De eerste is dat wij het konkrete lijden in zijn volle zwaarte zijn gaan wegen. Schokkende taferelen hebben het geloof aan Gods vergelding en het vertrouwen in zijn voorzienig bestel onmogelijk gemaakt. Het lijden van in elk geval onschuldige kinderen, blind toeslaande rampen, onherleidbare ziekten, katastrofale koïncidenties ~ het is ons te machtig geworden'.
Bovendien geeft een ander lezen van de Schrift, namelijk van het Oude Testament ons, volgens Wiersinga e.a. een ander beeld van God, namelijk van de meelijdende God.
Drs. De Reuver begon met de vragen die hier achter zitten voluit ernstig te nemen:
Wat wij hierbij ernstig moeten en ook willen nemen, is het leidmotief van deze visie: de enorme druk van het lijden in onze wereld, het donkere en raadselachtige. Ook al zou er modieus salon-medelijden bijkomen, 'dat neemt niet weg dat wat onderhavige theologie aan de orde stelt geen splinterproblemen of randkwesties zijn, maar de kapitale vraag naar lijden en pijn, duivelskringen en dood. Alle afstandelijke recept-oplossingen zijn hier even "dwaas" (Job 42 : 7, 8), als de antwoorden van Jobs vrienden, tegen wie daarom Gods toorn ontstak. Maar hoezeer genoemde alternatieve theologie ook lijdt aan de tijd, het 1s de vraag of haar methode begaanbaar is, m.a.w. of het de weg is die de Schrift ons wijst. Wij menen - zoals terloops al bleek - redenen te hebben om dit in twijfel te trekken'. De nieuwe theologie, aldus de referent maakt geen ernst met Gods toorn.
'We menen dat het wezenlijk tot de christelijke bescheidenheid behoort om Gods Woord niet halverwege in de rede te vallen en te blokkeren, maar uit te laten spreken. En als wij dat doen kunnen we tot geen andere slotsom komen, dan dat de Schrift nog wel meer zegt dan wat Wiersinga "de eenvoud-vanhet-geloof" laat zeggen, nl. "dat God geen enkel behagen heeft in de dood van de mensen, enkel in hun leven". Wij zijn ervan overtuigd, dat het rot de eenvoud van het geloof behoort om de sprake van, Gods toorn niet' eenvoudigweg te overstemmen door het axioma van de "sympathieke" God. Als men dit laatste wél doet, kan men zich wel beroepen op eenvoud, maar men houdt zichvan den domme. Immers, niet bij uitzondering, maar bij de voortduur ontmoeten wij in de Schrift God als de toornende.
Nahum zet er zijn profetieën mee in: "Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE en zeer grimmig, een wreker aan zijn wederpartijders". Men bedenke hierbij, dat het woord "ijverig" regelmatig uit de Thora stamt: "Want Ik de HEERE uw God ben een (na-)ijverig God". Onder deze "ijver'' schijnt het best verstaan te kunnen worden de hartstochtelijke bewogen heid van God, waarmee Hij zich doet gelden, zowel in liefde jegens wie bij Hem zweert, als in toorn over wie Hem afzweert ( . .)
In suggestieve beeldspraak spreekt het Oude Testament over Gods toorn: het is een vuur (Jer. 15 : 14), een storm (Jer. 30 : 23), een beker (Jes. 51 : 17) het zijn wapens (Jer. 50 : 25). F. J. Pop wijst erop dat niet altijd duidelijk is, waarom Jahwe's toorn ontbrandt, maar dat het meestal reactie is op de zonde (Bijbelse woorden en hun geheim, 's-Gravenhage 1964, 454. Zo'n gegeven moet ons wel voorzichtig maken met al te haastige conclusies uit de zeer uitzonderlijke Jobgeschiedenis).
Men kan er niet omheen dat het Oudtestamentische "gerechtigheid" niet opgaat in heilbrengende gerechtigheid : zij is evenzeer toornend en wrekend van aard. Psalm 7 belijdt: 'God is een rechtvaardige Rechter, en een God, die ten allen dage toornt." In de eerste zes verzen van Klaagliederen 2 wordt niet minder dan acht keer Gods toorn of een synoniem genoemd en - heel frapperend - enkele verzen daarvoor luidt het: De HEERE is rechtvaardig"(l : 18)'.
Overigens stelde De Reuver: Nu is het zeker waar, dat ook het Nieuwe Testament ons over dit oorzakelijke verband tussen zonde en toorn (-openbaring) niet informeert met het oog op een doorzichtige verklaring van het lijden dezer wefeld. De opzet is niet doceren, laat staan filosoferen, maar appelleren tot behoudenis! Maar deze soleriologische gerichtheid van 'het Evangelie mag ons niet verleiden tot agnosticisme t.a.v. de wereld en de geschiedenis om ons heen. Integendeel, wie door het Evangelie wordt herboren, 'raakt verplicht en ziet de dingen in hun ware verbanden en proporties en krijgt geloofszicht ook op dat wat - buiten het gellof om inderdaad slechts - "blinde vlekken" zijn. In casu wil daarmee gezegd zijn dat geloofskennis zich niet afgrendeld binnen de verborgenheid van God-en-de-ziel, maar vandaaruit juist een gescherpte blik krijgt op Gods toorn openbaring over de hele geschapen en gevallen werkelijkheid. Het geloof gelooft niet alleen Rom. 1 : 17 (Gods rechtvaardigheid "Pro-me"), maar ook het vervolg van Rom. 1 (Gods toornopenbaring over alle goddeloosheid), als ook Rom. 8 : 20 en 22 (Gods schepping aan de ijdelheid onderworpen en in barensnood) en evenzeer Openbaring 6 tot 9 (de apocalyptische gerichten als tekenen van Gods toorn). Dat is geen speculatieve onbescheidenheid, maar respectvolle bescheidenheid.
Specifiek ging drs. De Reuver in pp hetlijden van de christen. Daarvan zei hij:
'Maar heeft het lijden van de gelovigen eigenlijk wel zin, zo kunnen wij vragen, als wij immers geloven dat Christus eens voorgoed geleden heeft? Het is zaak om hier nauwkeurig te onderscheiden! De zin van Christus' lijden is het dragen van de vloek. De zin van het lijden der gelovigen moet een volstrekt andere zijn. Terwijl Christus als Lam Gods de zonden wegdroeg, dragen christenen als slacht schapen Christi zijn smaadheid "slechts" mee. Hun lijden is geen bijdrage aan de verzoening. (Hun vervulling van de overblijfselen van Christus' verdrukkingen (Kol. 1 : 24) heeft geen (coöperatief-) satisfactorische betekenis. Welke dan wel?
Het is veelbetekenend, dat het N.T.-, terwijl het zo luide zingt van de zin van Christus' lijden, zo gedempt spreekt over de zin van 't christelijk lijden. En dat zeker niet omdat dit christen-lijden slechts aan de randen van het N.T. zichtbaarzou zijn. Juist niet! Dit nu moet ons een zekere ingetogenheid opleggen. Wij moeten niet te hoog en te nadrukkelijk opgeven van de zin van het christelijk lijden. Wij kunnen niet verder gaan dan enkele verbanden en motieven aangeven. Teneerste: it lijden is aan Christus' volgelingen voorzegd (Joh. 12 : 25, Joh. 15 : 18 v.). Ten tweede: dit lijden is gemeenschapsbeoefening met de Gekruisigde, wiens voetstappen wij navolgen (1 Petrus 2 ; 21). Ten derde: het is kennelijk de voorhof tot de komende verheerlijking (Rom. 8 : 17). Christus' dood gelijkvormig worden heeft als perspectief de gelijkvormigheid aan zijn verheerlijkt lichaam (Fil. 3 : 10 en 21).
Intussen ligt er voor de christen de roeping nood te lenigen en barmhartigheid te beoefenen.
Heel de christelijke barmhartigheid heeft in het N.T., als wij goed zien, een sterk persoonlijke spits. De bedoeling ervan is geen andere dan dat de gelovigen erdoor geoefend worden in de nieuwe gehoorzaamheid (zelfverloochening-dankbaarheid) en haar pretentie reikt niet verder dan in alle bescheidenheid maar tegelijk met liefde en opofferingsgezindheid aan de medemens goed te doen, opdat de kwaadsprekers beschaamd worden en opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus (1 Petrus 3 : 16 en 4 : 11). Het weldoen is de ingetogen bruidstooi van de christelijke gemeente: het siert haar Hoofd en werft voor haar Bruidegom. Met W. Aalders geloven wij dit: In deze wereld is de bruidsgemeente de kruisgemeente. Zij draagt geen kleed der ere; zij is geen heroïsche groep voortrekkers; zij wordt niet geacht door de behoudzuchtigen en niet door de vooruitstrevenden; zij gaat haar eigen weg in eenzaamheid, miskenning en verborgenheid. Haar eigen pretentie is om een hospital te zijn voor armen en ellendigen, zieken en doodkranken, om die in aanraking te brengen met de trouwe en barmhartige Hogepriester, de Zaligmaker van zondaren". (De Grote Ontsporing, Den Haag z.j.). Wellicht mogen wij het zo stellen: omdat en zolang God in Zijn lankmoedigheid deze wereld draagt en in de toorn aan zijn ontfermen denkt met het oog op haar bekering (2 Petrus 3:9), daarom en zolang zullen wij waar mogelijk het leed verzachten, de aarde leefbaar houden, om armslag te verschaffen aan de voortgang van het Evangelie en ruimte vrij te maken naar de Ark van behoud'.
Kerk in Rusland
Nauw aansluitend in feite op het referaat van drs. De Reuver sprak prof. Quispel over de Kerk in Rusland 'de lijdende kerk der opstanding', met 50 miljoen christenen met wie wij geroepen worden mee te lijden (b.v. in de overdenking bij het Heilig Avondmaal).
Prof. Quispel begon met de trekken van overeenkomst te noemen tussen de Russischorthodoxe kerk en het gereformeerd protestantisme: de aanwezigheid van Christus bij brood en wijn door de Geest, de typologische interpretatie van de Heilige Schrift (de bruidegom en de bruid in het Hooglied), de mystiek van de Geest en het dogma van de Drieëenheid.
Prof. Quispel vroeg zich af waarom de Wereldraad van Kerken te weinig heeft gedaan aan het vraagstuk van de vervolgde Russische Kerk. Hij schreef dit toe aan de theologie van Karl Barth.
Een neef van Barth, Fritz Lieb, schreef een boek Rusland Unterwegs waarin hij stelde dat de Russische Kerk innerlijk vrij is. Wij weten, aldus prof. Quispel dat dit niet waar is. De kerk moet gehoorzamen aan de communistische commissarissen. Maar intussen is de theologie van de Wereldraad van Kerken, middels Barth, hierdoor gestempeld geworden. Rarl Barth weigerde zo in 1956 partij te kiezen voor de afgezette Hongaarse dogmaticus Laszlo Pap, ondanks een sterke aandrang van b.v. de theologische faculteit in Utrecht.
Prof. Quispel meende dat door het werk van Wurmbrand en Michael Bourdeaux het volle licht was gezet op de vervolgde kerk achter het ijzeren gordijn, b.v. over de immense christenvervolgingen onder Chroesjtsjow.
Met eerbied sprak Quispel over de 'profeet Alexander Isaëwitsch Solzjenysin (door hem steeds met zijn hele naam genoemd) die weet heeft van de Paulinische rechtvaardiging van de goddeloze en met grote bewogenheid opkomt voor zijn volk.
Kerk - politiek - prediking
Op de tweede dag refereerde prof. dr. W. H. Velema over Kerk - politiek - prediking. Hij vatte zijn betoog voor ons samen in de volgende stellingen.
- Er zijn minstens drie redenen aan te geven voor de belangstelling welke het thema geniet:
a. De socialisering van het leven.
b. Het levensgevoel draagt een sterk pragmatisch karakter.
c. Twijfel aan de zinvolheid van de prediking moet worden overwonnen door te kunnen wijzen op de resultaten van ons handelen.
- Bij politiek wordt gedacht aan de res publica. Dat is een bredere strekking dan het werk van volksvertegenwoordigers en politieke partijen. Onder prediking wordt verstaan de verkondiging van het Woord van God. Men kan ook de omschrijving gebruiken: uitleggen en toepassen van dat Woord. Bij kerk wordt gedacht aan het vergaderd zijn van de gemeente rondom het Woord, ook aan kerkelijke vergaderingen én aan het optreden van de gelovigen in de wereld.
- De eenheid van de drie componenten wordt gevormd door het Woord van God: De kerk wordt door het Woord vergaderd.
De politiek moet door het Woord worden genormeerd.
De prediking is uitleg en toepassing van het Woord.
- De kerk heeft op kerkelijke wijze met de politiek te maken:
De kerk is geen politieke partij noch de plaatsvervanger ervan.
De prediking is geen politiek informatieorgaan noch een instrument om de publieke opinie met partijpolitieke leuzen te bespelen.
- Christelijk politiek handelen is een gestalte van de heiliging van het publieke leven. De regels die voor de prediking over de heiliging gelden, gelden ook voor de prediking ten aanzien van de politiek.
- Deze regels houden onder meer in:
a. een duidelijke veroordeling van publieke zonden, te scherper naarmate er in het volksleven minder oog voor is.
b. het naar voren brengen en uitleggen van bijbelse woorden die voor de politiek funderend en normerend zijn.
c. voor de concretisering van het onder b. genoemde een beroep doen op de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenteleden.
- De huidige discussie over politieke prediking wordt in sterke mate beheerst door een simplificatie, die tegelijk een mystificatie is van het Evangelie.
- De kerk is geen politieke actiegroep. Zij moet niet als zodanig willen optreden. De dienst die de kerk te verrichten heeft is het diaconaat. Daarbij dient de eenheid van Woord en daad te worden vastgehouden.
- Het zogenaamde politieke diaconaat is te zien als het antwoord van de kerk op de secularisatie; een antwoord dat zelf door de secularisatie is bepaald. Het is de geseculariseerde hoogkerkelijkheid die de plaats van het hoogkerkelijk liturgisme heeft ingenomen.
- De prediking is prediking in de gemeente van Christus en dienst aan de komst van het Rijk van God.
- De prediking is derhalve ook bestemd voor de wereld, en zeker voor de overheid, doch nooit met voorbijzien van de gemeente.
- Naarmate de eindtijd intreedt zal de prediking met betrekking tot de politiek zich vooral moeten richten op de toerusting van de gelovigen voor hun houding en optreden in een antichristelijke wereld. Bovendien zal de prediking de overheid moeten confronteren met het gebod van God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's