De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prediking en geloofservaring

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prediking en geloofservaring

10 minuten leestijd

(1)

De bevinding staat in het middelpunt van de belangstelling in onze tijd. Weliswaar niet over het geheel van de kerk, zeker ook niet onder de leidinggevende functionarissen, evenmin in het complex van het gemeentelijk leven maar wel in de kern van het gemeenteleven.

De ervaring immers leert dat niet de oppervlakte van een rivier haar kenmerkende trekken vertoont, maar juist haar onderstroom. Onafgebroken klinkertstille en luide klachten over het gehalte van de prediking op. Het spreekt vanzelf dat wij daaraan niet steeds even grote waarde kunnen en mogen hechten. Het klagend deel is nu juist niet immer het beste deel. Maar het wordt anders wanneer het verdriet over het gehalte van de prediking wordt geuit door het trouwst meelevend deel. Wie in dit licht diep weet te peilen, zal ook nu nog voortdurend vernemen hoezeer menigmaal gemist wordt een levende Woordbediening. Een Woordverkondiging, die welingaat op actuele noden en gebeurtenissen, maar die de hoorder alleen laat in zijn laatste bestaan voor God. Wij horen dan wel een preek over de gebeurtenissen der eeuw - maar Gods werk in ons, - dat wordt niet aangeroerd. Nu is uiteraard niet een ieder even begaafd om zijn ongerustheid in correcte bewoordingen weer te geven.

Veelal hoort men bezwaren in hoogst ongelukkige uitdrukkingen, soms felle verwijten, die de juiste toon evenmin treffen. Dat brengt natuurlijk ook verwijdering tussen prediker en hoorders. Maar dit terzijde gelaten: In hoofdzaak komt alle klacht daarop neer: De prediking is menigmaal zo kil en zo dor. Ze is wel correct, gezien de uitlegging van het Woord van God. Maar wij missen er zo in de persoonlijke onderwijzing, het ingaan op de persoonlijke zielenood. Met één woord: Het toepassende werk van de Heilige Geest dat ontdekken wij er niet in. U kunt ook zeggen: de prediking is wel toepasselijk. Na de verklaring van de tekst worden ons de vermaningen of de vertroostingen toegediend, die in deze tekst gelegen zijn. Maar de prediking handelt ten enenmale niet over wat in het hart der gelovigen omgaat.

Dat er zoveel aandacht is voor dit vraagstuk behoeft ons in het geheel niet te verwonderen. Wij leven thans in 'n tijdperk van overgang, in een tijd van crisis. Oude normen worden losgelaten. Men experimenteert met een nieuwe levensstijl. Het schuimt en gist allerwege in ons land. Ja, er vaart een storm door de huidige levensperiode heen, die natuurlijk ook de gemeente niet onberoerd Iaat. Velen waaien mee met iedere wind.

Maar toch blijkt telkens weer, dat er temidden van allerlei wilde leuzen en kreten een vragen blijft naar de oude paden. Naar ons inzien moet dit alleen worden toegeschreven aan de barmhartigheid van onze God. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Er is zelfs onder de jongeren een hunkering naar het Woord te bespeuren. In gemeenten, die op het terrein van de voorposten liggen, is een zekere consolidatie merkbaar. Oude traditioneel getinte gemeenten maken nu mee wat een aantal jaren geleden elders alles in beweging bracht. Het is alleen te hopen, dat ons nu nog tijd wordt gelaten de vrucht te zien rijpen.

In zulke bewogen tijdperken als de onze komt altijd de vraag naar bevinding op, het ingekeerde leven met God. Dat geschiedde in de tijd van de overgang van het Jodendom naar het Christendom. In de tijd van de Hervorming. En evenzo ten tijde van het Reveil, na de Franse revolutie.

Na de periode van de dorre verstandsgodsdienst aan het begin van de vorige eeuw, voer er door ons land een warme stroom van geloofsleven.

Wij noemen slechts de naam van de Afscheiding; in mindere mate ook de beweging van de Doleantie, om u duidelijk te maken dat de roep om bevinding behoort bij de onrustige tijden, waarin de gebondenheid aan het oude en traditionele verslapt. In iedere gemeente trouwens is de vraag naar de persoonlijke toeëigening des heils nooit geheel verstomd.

Zeker blijft ook voor het heden de roep om warmte in de kerk levend. In een losgeslagen kerk, in een verwilderde maatschappij, temidden van oeverloze praalzucht op vergaderingen en een mateloze daadzucht en veranderwoede van bepaalde personen blijft de hunkering merkbaar naar de inwendige ervaring des geloofs. Meer dan door een dorre traditie, meer dan door een kille zuivere leer moet het hart worden onderwezen. Wij willen in dit onderwerp nader op dit vraagstuk ingaan.

Noodzaak

Het is ons allen bekend, dat in de uiterlijke kerk oftewel de zichtbare kerk, bepaalde uitwendige normen en regels moeten gelden. Daar is nodig eenheid van geloof, daar is nodig een erkenning van het gezag van de Heilige Schrift. Wij zullen ons onderwerpen moeten aan de belijdenis van de kerk. Er moeten gelden bepaalde gebruiken, ceremonieën, ambten, preekgelegenheden en sacramenten. Wij noemen deze dingen maar in een willekeurige volgorde op en het is natuurlijk mogelijk de orde anders te bepalen en er vele andere zaken aan toe te voegen. Maar hoe men daarover ook denkt, deze alle zijn de middelen waardoor God de genade aan de gemeente schenkt. De kerk kan zelfs niet bestaan zonder deze uitwendig functionerende genademiddelen. Trouwens iedere gemeenschap van mensen vraagt om bepaalde tastbare middellijke voorzieningen teneinde deze gemeenschap in stand te kunnen houden of verder te brengen. Reeds onder het Oude Testament was er de tabernakel voor de uitwendige eredienst; waren er voorschriften over de ceremoniële bediening van toonbroden, ark en reukaltaar, priesterdienst en priesterlijke kleding.

De Heere komt door deze zaken aan onze grove zinnen tegemoet. Wij mogen deze uiterlijke middelen niet minachten. Ze dienen in hoge ere te worden gehouden. Toch is altijd en overal gevoeld: deze uitwendige middelen zijn niet genoeg. Wij mogen dankbaar zijn het Woord van de Schrift te kunnen lezen; erkentelijk zullen wij zijn wanneer wij het Woord kunnen horen en de sacramenten worden uitgereikt - maar dit alles op zichzelf raakt het hart niet. Vooral wanneer de geestessfeer in een kerk tendeert naar een leerstellige, versteende orthodoxie, naar een koele verstandelijkheid of wettische zedeleer - dan wordt de roep om warmte overal gehoord. Intuïtief weet men : verstandelijke aanvaarding van de geloofswaarheden is niet voldoende. Waar levende godsdienst aanwezig is, persoonlijk geloofsleven wordt gekend, daar wordt gevraagd om een accent tevens op de persoonlijke beleving oftewel het persoonlijke leven met God. Dit alles schakelt de waarde van de ceremoniën en dergelijke wel niet uit, maar het roept om de aanvulling, liever om de invulling van het uiterlijke, alleen door geest en leven. De innerlijke godsdienstige drang van het hart doet ons vragen naar onderricht van een stil leven met God van dag tot dag en van ogenblik tot ogenblik. In de Bijbel ontmoeten de heiligen Godzelf. Ze hebben gemeenschap en contact met Hem. Ze weten van een persoonlijke openbaring van God aan de mensen. Juist het feit, dat vele zogenaamde 'oude schrijvers' in onze tijd opnieuw worden uitgegeven, wijst ontegenzeggelijk op een sterke behoefte aan geestelijke leiding in de prediking. 

Het staat dan ook voor ieder serieus denkende in deze dingen vast: wij kunnen niet buiten een inwendige ervaring. Bevinding is noodzakelijk. Als de Schrift oproept tot geloof en bekering vereist dat in de mens een orgaan, dat de waarheid erkent. Er is namelijk aan de ene zijde een verstandelijk instemmen met de goddelijke openbaring in haar waarheid en gezag. Maar daarnaast kan niet worden ontkend, dat er behoefte is aan een getuigenis van de Heilige Geest in het hart. De Heilige Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.

Wij moeten innerlijk bevinden dat al wat de Schrift spreekt, op tal van manieren, waarheid is. Op die wijze spreekt ook het negende artikel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Wij weten dat God enig is in wezen en nochtans in drie personen onderscheiden, uit de getuigenissen der Heilige Schrift, als ook uit hun werkingen en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen. Het komt ons voor, dat deze eenvoudige regels uit één van onze oude belijdenisgeschriften te weinig bekend zijn en juist op het punt van de kennis der bevinding veel te veel buiten de overdenking zijn gebleven. Dit is tot schade van de zaak als geheel. Zij zouden bij voldoende verwerking vaak als correctie hebben kunnen dienen, wanneer er duidelijke verschijnselen van verziekelijking of verintellectualisering optraden.

Bevinding uit het Woord

Bevinding is derhalve nodig. Evenwel - ze staat niet steeds tegenover, maar wel naast het uitwendig aanvaarden van Gods Woord. Juist wanneer alles naar het verstandelijke neigt of het keurige leven overheerst, dan komt de bevinding naar voren en zegt: goed, maar dit alles is niet voldoende.

De reactie van die bevinding kan niet worden gemist, want de kerk wordt daarin gewezen op iets, dat aan de prediking niet mag ontbreken. Het geloven van Gods getuigenis en de beleving er van maakt de dienst van God tot méér dan een verstandelijk ervaren alleen. Het slaat de wortels diep in het hart uit, al mag dit nooit leiden tot een zekere geringschatting van het intellect en de forniulering van de geloofswaarheid, die mede een sterke werkzaamheid van het verstand vraagt. Wanneer wij zoeken naar een juiste verwoording van het evenwicht in deze zaken, kunnen wij dat alleen maar duidelijk maken met een voorbeeld. Er vroeg eens een vriend aan een wijsgeer hoever hij van het vuur in het nachtelijke veld moest gaan zitten om niet schade te lijden. Het antwoord was: Zover dat u niet verbrandt en evenmin bevriest. Wij moeten ons hoeden voor dweepzucht en voor kille rationalisatie. Echte bevinding is anders dan drijven op gevoel of speuren met het verstand.

In de kerkhistorie kunt u beide tendenzen telkens opmerken, maar het zijn zelden de vruchtbaarste perioden. Het is alleen aan de Heilige Geest te danken, dat Hij de kerk niet overgeeft aan de opborrelingen van het gevoel uitsluitend, noch aan de berekeningen en sluitredenen van het intellect alleen. Hij gaat een andere weg. De weg der levendmaking van het Woord dóór de Geest. Dat laatste moeten wij vooral beklemtonen. Want anders komen wij op een dwaalspoor. Wie louter het Woord alleen eerbiedigt zonder de wederbarende werking van de Geest te behoeven, verloopt uiteindelijk in een Christendom van een zedelijke gezindheid en een ideale yvilskracht. Wie aan de andere kant exclusief over de Geest spreekt en de betekenis van het Woord onder­ schat bij de bekering van de mens, groeit allengs boven de Schrift uit. De eerste dwaling noemen wij rationalisme, de tweede mysticisme. Deze twee dwaalsporen hebben toch verwantschap met elkander. Want naarmate de werking van de Geest in het hart meer en meer van de Schrift onafhankelijk wordt gemaakt, komt zij ook losser te staan tegenover de persoon van Christus en geheel het historisch christendom. Het mysticisme gaat dan in zijn verdere ontwikkeling tot rationalisme over. Want als de inwendige werking des Geestes van het Woord der Schrift wordt losgemaakt, verliest zij haar bijzonder karakter, en valt zij van de gewone werking van Gods Geest in de rede en het geweten van de mens niet meer te onderscheiden. Het mysticisme schrijdt dan ook altijd weer tot het rationalisme voort, gelijk dit laatste voortdurend ook weer in het mysticisme terugvalt. Het zijn twee bewegingen waarvoor wij zeer op onze hoede moeten zijn. Echte bevinding schuwt beide bewegingen als doodlopende wegen. Zo is ervaring van de levende God in Christus naar de maat van het Woord gekend..

Het spreekt geheel vanzelf dat dit standpunt uit allerlei wildgroei terstond moet worden afgesneden, die wèl een indrukwekkende groei vertoont - maar, het is doorgeschoten, tot voedsel onbruikbaar. Al wat niet de openbaring van God in Christus aangaat staat buiten de bevinding. Het is voor de zielzorgers onverbiddelijk nodig hier de maatstaf manmoedig en bekwaam te hanteren. Zo alleen vorderen wij in de kennis van Christus. Echte bevinding is daar waar de Heilige Geest Zijn werking paart met die van het Woord; waar Hijzelf het hart van de mens binnendringt en het vernieuwt ten eeuwigen leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Prediking en geloofservaring

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's