De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik ben gekomen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik ben gekomen

6 minuten leestijd

Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben en overvloed hebben' Johannes 10 vs. 10b.

Is het evangelie een vervolgserie van verhalen, waarin we met allerlei mensen en omstandigheden kennis maken? De woorden zouden er dan niet zo veel toe doen. Maar dat zou een misverstand zijn; het gaat om woorden, waaruit Christus te voorschijn treedt, daarom luistert het zo nauw met die woorden. Christus, hoort u. En daarom zijn het de verhalen niet. Hij is het. Over Hem valt het volle licht, en Hij treedt voor het voetlicht. Ineens staat Hij nu u dit leest, levensgroot voor ons, indrukwekkend en innemend: Ik bexi de goede herder. Zulke woorden houden ons bezig, ook in een week van voorbereiding. Hij doorbreekt de kringloop van onze bespiegelingen met dit sterke Ik ben.

De tekst maakt deel uit van een gelijkenis; gelijkenissen komen in dit evangelie zelden voor, en onder hen is deze, van de goede herder, nog het meest uitgewerkt. Op haar beurt maakt de gelijkenis weer deel uit van een twistgesprek. De mensen zijn het er niet over eens wie Christus nu eigenlijk is. Wat hebben zij aan Hem en hebben zij de goede wel voor? Hun 'geestelijkheid' de wetsgetrouwe leraren en leidsmannen erkennen Hem niet als de Messias. Ze ergeren zich in toenemende mate aan Hem.

Ik ben gekomen. Dit is een uitspraak om zich aan te ergeren. Het klinkt al te opdringerig. Wij zijn geneigd die te weerspreken. Er zijn er toch meer, die gekomen zijn? Worden die dan allen van de kaart geveegd? Wij beginnen een zin niet graag met 'ik'; het verraadt vaak enige hoogmoed. En, eenmaal daarvoor gewaarschuwd, vermijden we het zo veel mogelijk. Christus mag zijn zinnen met 'Ik' beginnen. Hij is de Eerste. De hoogheid van de Naam des Heeren spreekt er in mee: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal. Het gesprek eindigt met een zeer overtuigd: Ik en de Vader zijn één. Dit 'Ik' krijgt de volle nadruk, voor Hem moet ook u het veld ruimen.

Dat de Heere de herder van zijn volk Israël was, was voor Jezus' hoorders een vertrouwd beeld. Ze wisten tevens, dat de Heere anderen tot herders had aangesteld. Was David niet van achter de schapen geroepen, om Israël te weiden? De herder was de koning! Zijn er nog meer herders? De leidsmannen en leraren lieten zich graag zo noemen. Zij zouden Israël weiden; binnen de omheining van de wet houden, en bevrijden van vreerade heersers. Christus is daar zo zeker niet van. Ze zijn eerder dieven of hoogstens huurlingen, die er de schapen aan wagen. Dit komt in dat gesprek telkens aan de orde: en dat krenkt hen.

Ik ben gekomen. Hoort, want de Heere spreekt: Ik zal naar mijn schapen vragen, en ze opzoeken. Hoe, Heere? Ik zal een enige herder over hen verwekken, die zal hen weiden. Heden is deze Schrift in uw oren vervuld. God Zelfheeft Zich het lot van zijn schapen aangetrokken. Schapen. Gij nu o mijn schapen, schapen van mijn weide, gij zijt mensen. Ik ben uw God! Eigenlijk vindt ik schapen geen vleiende aanduidding voor mensen. Het tekent hen in hun kleinheid. Geen leeuwen, geen wolven. Wat is weerlozer als een schaap? Het kan zich niet verdedigen; het kan niet eens, de weg terug vinden, zoals honden en duiven. Eenmaal aan het dwalen, is het spoedig een prooi van de wilde dieren.

Ik ben gekomen. De herder is gekomen. Zonder herder zijn de schapen er ellendig aan toe, ze zijn ten dode opgeschreven. Hij komt, om hen te beschermen tegen alles wat hen belaagt. De herder is de redder. Zo werd Hij verwacht, de adventshunkering trekt door het oude verbond heen. Het nieuwe brengt de vervulling: , Ik ben gekomen. Dat geldt tot vandaag de dag. U onderdrukt met enige moeite de vraag: en van Wie? Even geduld. Voor wij vragen: ben ik een schaap; verklaart Hij: Ik ben de goede herder. En u kunt die vraag alleen beantwoorden, door die verklaring te beamen. Hij is de herder, Hij is geen herder zonder schapen, geen koning zonder onderdanen. Van Hem uit mag ik de kring wijd trekken. De gemeente, die God roept tot de zaligheid en houdt ze als voor schapen van Zijn weide. Er kornt dan ruimte voor de kinderen. Laat mij van uw grote kudde.... De lammeren! Kent gij ook de goede herder....

Ik ben gekomen, dringt dat tot ons door? Dan betekent dat: Hier ben Ik! Zo wordt de Christus door Woord en Geest uitgedragen, onder u verkondigd, betekend en verzegeld. Daartoe dient het Heilig Avondmaal; het verzekert er ons van dat Hij gekomen is. Ik ben niet ver van mijn schapen; Ik loop voor hen uit. Ik openbaar mij aan hen. Verschijnt Hij, dan schuiven de schapen naar Hem toe en voegen zich tot de eenheid van de kudde, de eenheid van de Herder, een enige Herder. Verschijnt Hij, in de bediening van het Woord en de sacramenten, dan komt Hij binnen de gezichtskring van het verloren schaap; het wordt door Hem gezocht. Wat een verrassing! Binnen de gezichtskring van het gewonde schaap; het wordt door Hem verzorgd. Binnen de gezichtskring van het weggedreven schaap; het wordt door Hem wedergebracht. Binnen de gezichtskring van het zieke schaap; het wordt door Hem gesterkt. De Heilige Geest verleent kracht, overtuigende kracht aan het woord: Ik ben gekomen.

Arme schapen, bovendien dwarse schapen. Wat kwam er van hen terecht, als Hij niet was verschenen? Neemt dat toch niet voor kennisgeving aan. Het is een nadere kennismaking meer dan waard. Ga daar niet gemakshalve op door: alles zal nu wel inorde zijn, want Hij is immers gekomen? Zonder Hem te kennen. In de voorbereiding vragen wij ons af: ken ik Hem, door het geloof. Er is in het verband van de tekst telkens sprake van kennen en gekend worden. Dat is kenmerkend voor zijn schapen. Dat schept gemeenschap.

Ik ben gekomen. Dat is uitermate vertroostend voor allen die om een herder verlegen zijn, die zich bij die herder geborgen weten. Wat zijn schapen zonder herder? En dat zijn wij, omdat wij ons aan de herderlijke heerschappij Gods onttrokken hebben. Wij raakten aan het dwalen, wij wonden ons aan de doornen, aan de scherpe punten van overal verspreide rotsen. Wij leden pijn, wij leden gebrek; de wildernis huilt om ons heen. Waar ik dat wil weten, mag ik vernemen: Ik ben gekomen. Het kan niet vaak genoeg herhaald worden, het kan niet vaak genoeg gehoord worden. Wij doen de schapen te kort, als dit niet de kern van de prediking is: Hem aan u voorstellen. Het kind is bang in het donker. Moeder roept: daar ben ik. De zieke is nauwelijks aanspreekbaar. Daar is de dokter. Alles wat ik mag hopen ligt in het herderschap van Christus. Daar komen schapendieven, die de dieren scheren en slachten. Het is hen om de vacht en het vlees te doen.

Daar komen huurlingen, die herders diensten verrichten maar een herdershart missen. Wat betrokkenen ze ook in de be­diening, een schade aan de kudde. Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben. Hoe volstrekt staat het hier. Ik ben en het leven, dat hangt ten nauwste samen. Wij belijden dat wij midden in de dood liggen; ons levensbehoud is Hij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Ik ben gekomen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's