De Heere is mijn deel
zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. Klaagl. 3 : 24
Vrijdag 4 februari I.I. werd dr. H. Goedhart begraven. De rouwdienst werd geleid door ds. G. Spilt, die op verzoek van mevrouw Goedhart het Woord bediende uit Klaagliederen 3 : 24, de tekst waarmee dr. Goedhart afscheid preekte in Limuru (Kenya) voor de studenten aan het St. Paul's College. Hiernaast hebben we de preek van de rouwdienst, waarin dr. Goedharts eigen afscheidspreek ook zo duidelijk doorklinkt, afgedrukt. Bij het afscheid van het leven dat zo spoedig na de terugkeer in Holland kwam spreekt dit alles te meer aan. De redactie
De Klaagliederen van Jeremia. Vijf liederen in de vorm van de klaagzangen, zoals ze in Israël gezongen werden in een sterfhuis. De Hebreeuwse tekst heeft een monotone cadans, zoals rouwmuziek klinkt. Klachten over de verwoesting van Jeruzalem. Het derde hoofdstuk is een persoonlijke klacht van iemand, die het allemaal aan de lijve heeft meegemaakt, de verschrikking en verbijstering. En hij moet al die ellende, die zijn leven heeft gebroken, terugzien tot op God. Daardoor wordt zijn klacht een verschrikkelijke aanklacht: God heeft zijn beenderen gebroken; God is voor hem als een roofdier, dat zijn prooi bespringt. Een lange reeks van gedurfde uitspraken. Wij schrikken ervan, zoals wij schrikken van onze eigen gedachten, wanneer in ons leven de dingen stuk breken. Zoals wij vandaag verslagen zijn, nu dit leven is afgebroken. Een echtgenoot en vader, die toch niet kan worden gemist; een leermeester, die nog zoveel kon doordenken en aanreiken; een gezant, die zo indringend van zijn Koning sprak.
Het ligt allerminst voor de hand, wanneer onbegrijpelijke schaduwen over ons leven vallen, dat wij dan aanstonds zeggen: 'mijn ziel is immers stil tot God.' In de psalmen kreunen de zangers, zoals Job, zoals hier de dichter van dit klaaglied, onder Gods slaande hand. Zou het niet zo zijn, dat de Heere liever een eerlijke schreeuw hoort dan een nageprate dode belijdenis van berusting? Hij hoort in hun bitter klagen het verlangen naar Hem, zelfs wanneer hun klachten tot aanklachten komen. Daarom verstikken ze ook niet in hun klachten.
Ook in dit hoofdstuk is er de wending in de gedachten. Dat komt, omdat de dichter in zijn klagen óver God als vanzelf overgaat in het klagen tót God. Na al die verzen over 'Hij heeft' ... in vers 17 ineens: Gij . . . Gij hebt mijn ziel het heil doen derven. En dan wordt het klagen vragen: Gedenk aan mijn ellende (vers 19). Dat is de handreiking, die de Heilige Schrift biedt aan allen, die rouw dragen. U hoeft u voor de Heere niet groter te houden dan u bent. Klaag Hem uw verdriet maar uit. Klaag het Hem, ook de onmogelijkheid om het te aanvaarden en vraag het Hem in alle schuchterheid: Gedenk aan mij, Heere, hoe moet ik anders verder?
Wie zo vragend de Heere nader komt, die wordt ook Zijn Woord indachtig, zoals het hier in dit lied gebeurt: Dit zal ik mij te binnen brengen: Gods barmhartigheden houden niet op. Wij zijn verslagen over dit levenseinde, dat zijn denken en spreken en handelen ophield. Zelf kon hij zich in stille overgave aan de Heere toevertrouwen: zijn barmhartigheden houden niet op.
Zo herinnert deze dichter zich de trouw van God, die geen einde heeft. Dat brengt hij zich te binnen. Letterlijk staat er: dat brengt hij terug tot zijn hart. Het was er wel, al die tijd van zijn ellende, maar het was niet in zijn hart. En nu geeft de herinnering van Gods blijvende trouw hem hoop, toch, tegen alles in.
Wat is die trouw van God? Goedhart zei het zó in zijn preek: Het is de goedheid die de Heere betoonde aan Zijn verkoren volk Israël. Voor ons in de nieuwtestamentische tijd betekent het: Gods onverdiende goedheid in Jezus Christus voor allen die op Hem vertrouwen. 'Deze goedheid', zei hij, 'houdt niet op, in welke nood u ook mag komen. Als u de Heere Jezus hebt aanvaard, zal Gods goedheid nooit voor u eindigen, zelfs niet in de dood.'
Zo preekte hij die zondag op een bijzondere manier óók voor zichzelf, zeggen wij nu.
En zie, als zo Gods oneindige trouw in ons hart komt, dan gaat de klacht over in een belijdenis. Dan komt de dichter, die in vers 18 nog zei: 'vervlogen is mijn hoop op de Heere', tot de uitspraak van onze tekst: 'De Heere is mijn deel, daarom zal ik op Hem hopen.' De Heere is mijn deel. Letterlijk staat er: 'mijn stuk land'. Deze uitdrukking gaat terug tot op de verdeling van het land Kanaan onder de 12 stammen van Israël. De priesters kregen toen geen stuk land toegedeeld.
'Ik ben uw deel', zei de Heere, 'uw erfenis in Israël.' Zo zegt hier de dichter, nu iedereen alle land verloren heeft, het ligt verwoest en zelf zijn ze weggevoerd naar Babel: 'mijn deel is de Heere en daar komt niemand aan.' Het komt dan wel aan op de persoonlijke relatie die het geloof schept: de Heere is mijn deel. Het merg van het geloof zit in de bezittelijke voornaamwoorden, zei Luther. De Heere is mijn deel, daarom zal ik op Hem hopen. De hoop van Gods kinderen gaat terug op hun overgave aan Christus, Die door Zijn offer aan het kruis hun schuld heeft verzoend.
'Vergeet het nooit', zei ds. Goedhart tegen zijn studenten, 'de ware hoop van een christen is gefundeerd in zijn persoonlijke relatie tot God. Er is ook een valse hoop, niet gefundeerd in God, in Zijn beloften, in Zijn verlossing. Als je hoop gebaseerd is op mensen, menselijke kracht, dan zal het een ijdele hoop blijken te zijn. Maar als je hoop gebaseerd is op deze wonderlijke zekerheid dat de Heere je deel is, dan zul je nooit beschaamd worden. Al ga je door de grootste ellende heen. Al moetje door het dal heen van de schaduw van de dood.'
Zijn preek eindigt dan als volgt: 'U weet allemaal dat ik nooit gewend was over mijzelf te spreken in mijn preken. Ik vind, dat een prediker het Woord van God moet verkondigen en Zijn rijkdom en niet zijn eigen levensgeschiedenis. Maar, nu ik hier voor het laatst preek, mag ik wel een uitzondering maken. Ik moet u zeggen, dat onze tekst mijn eigen gedachten weergeeft op dit moment.'
Toen ik hoorde, dat ik hier weg moest, was ik zeer terneergeslagen. Mijn gevoelens kwamen overeen met de uitspraken in dit hoofdstuk, dat de Heere mij mijn tanden liet stukbijten op kiezelstenen. Wij waren hier zo graag en vroegen ons af waarom de Heere een eind maakte aan dit werk, waarvan wij toch geloven, dat Hij Zelf het ons gegeven had. Onverwacht kwam deze teleurstelling over ons zodat wij het gevoel hadden dat God op ons geloerd had als een beer of verborgen als een leeuw. U kunt u niet voorstellen hoe ellendig wij ons gevoelden. Maar er kwam verandering. Ik bad, dat God in Zijn genade mij gewillig zou maken om de weg te gaan, die Hij ons wees. En als een wonderlijke verhoring van onze gebeden nam God alle bitterheid weg uit mijn hart. Ik weet nog helemaal niet wat voor werk ik zal krijgen in Nederland. Wat de toekomst betreft heb ik het gevoel, dat ik uitzeil in een donkere nacht. Toch ben ik getroost. Ik geloof dat Gods goedheid en genade nooit zullen ophouden.
Hoe goed ons leven hier ook was, het behoort tot de dingen die een mens in zijn leven kan verliezen. De Heere is mijn deel, dat is een zekerheid die niet van ons kan worden weggenomen. Een kind van God mag veel verliezen in zijn leven. Hij mag zelfs het leven zelf verliezen, maar dit deel, de Heere God zelf, kan niet van hem worden weggenomen. Dit deel zal het onze zijn in eeuwigheid. Daar hopen wij elkaar weer te zien. Gods kinderen zeggen nooit voorgoed vaarwel. Als de wereldgeschiedenis ten einde is zullen allen, die de Heere liefhebben, vergaderd worden rondom Zijn troon. Zij zullen naar de Heere zien meer dan naar hun broeders en zusters en zij zullen zingen: de Heere is mijn deel, daarom zal ik op Hem hopen in eeuwigheid. In die verwachting leven wij en wij geloven, dat Hij eens ons deel zal zijn op een wijze als nooit op aarde. En dat zonder einde, zonder beperking en zonder enige wolk.'
Toen ik deze preek las, gemeente, was het mij alsof hij geschreven was voor déze dienst. Hij getuigde van het goed, dat nimmermeer vergaat. Dan kan een mens sterven want het is erven, omdat hij in Christus deel heeft aan een leven, dat de dood overleeft.
Zo kunnen wij hem ook begraven. En het is mogelijk, dat je op een begrafenis het leven vindt als je tot de Heere de toevlucht neemt. Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? En als je achterblijft in een onzegbaar gemis en je weet niet; hoe je verder moet: de Heere kan de lege plaats vervullen met zichzelf, als wij ons leven Hem toevertrouwen.
Het laatste psalmvers dat ds. Goedhart hier in deze kerk heeft opgegeven en met de gemeente heeft gezongen, was het vers uit Ps. 73, dat wij straks ook gaan zingen - zijn geloofsbelijdenis drie dagen voor hij moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Al zou mijn vlees en hart vergaan, toch zal ik. God, voor U bestaan, Wien ik mijn leven toevertrouw. Gij zijt de rots waarop ik bouw. Amen.
Bij de aanvang van de dienst werd gezongen Ps. 42 : 1 en 3: 't Hijgend hert der jacht ontkomen en O mijn ziel wat buigt g'u neder. Voorafgaand aan de prediking werd gezongen psalm 119 : 7, waarbij ds. Spilt opmerkte: Twee en een halve week geleden, zondag 16 januari, heeft ds. Goedhart voor het laatst gepreekt - hier in deze kerk - ; hij sprak toen over de gelijkenissen van de parel van grote waarde en van de schat in de akker. In verband met zijn tekst liet hij o.a. zingen Ps. 119 : 7. De preek van die avond was helemaal getoonzet naar dit psalmvers, waarin ook zijn instelling is weergegeven:
'k Heb and'ren al de rechten van uw mond met lust verteld, hen vlijtig onderwezen. Uit al den schat van 't grote wereldrond is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen, die 'k steeds in uw getuigenissen vond, door mij betracht en and'ren aangeprezen.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1977
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1977
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's