De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragen van lezers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragen van lezers

Pastorale overwegingen

6 minuten leestijd

Goede gedachten van God

Uit het noorden van ons land kwam een schrijven, dat ik met belangstelling las en waarvoor ik ook dankbaar ben. Uit de veelheid der gedachten spreekt de vrees niet goed van God te kunnen denken. Dat is geen kwaad teken, dunkt me. De Heere moet ons, als we met oprecht schuldbelijden tot Hem komen, niet genadig zijn, omdat wij dat dan waardig zijn, om onze schuldbelijdenis dus. Dan zou er toch nog enige grond in de mens liggen. Maar Hij heeft dat wel beloofd in Zijn Woord. En als ik lees, ik weet dat het zo is, dat God in de toebrenging van zondaren evenzeer verheerlijkt wordt als in het rechtvaardig oordeel over de goddelozen, maar ik heb het er zo moeilijk mee, dan is dat te begrijpen. Het lijkt inderdaad soms erop, dat satan niet verloren heeft, maar vaak wint. Wij doen dergelijke ervaringen soms ook op, waardoor we innerlijk helemaal ontredderd, inde war kunnen zijn. Ook in het ambtelijk werk maken we soms verschrikkelijke dingen mee, waarbij het soms is, alsof de boze je uitlacht en schaterlachend triomfeert, als mensen bij voorbeeld zo vreselijk weg-sterven, met een vloek als laatste woord de eeuwigheid in . . . En als de Heere ons dan niet vasthield en leidde, weten we het niet meer, is er geen houvast en verwachting. En toch . . . Hij is zo getrouw als sterk. De Heere is goed en goeddoende.

De hand aan zichzelf geslagen

In de brief wordt als schrikkelijke gebeurtenis meegedeeld, dat iemand de hand aan zichzelf heeft geslagen. Zelf heb ik dat een enkele keer ook moeten meemaken in mijn ambtspraktijk. Wat is dat erg, altijd, zeker ook als iemand meeleefde, onder het Woord kwam, of in een ambt diende. Wij hebben het oordeel niet uit te spreken. Maar ik denk wel aan het woord van de wijze spreukendichter, waarmee ik ook zulk een begrafenis eens leidde: ' Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest . . .'.

Vreest voor de zonde, vreest voor zichzelf, vreest ... de Heere bovenal. Zulk een geval kan voorkomen, omdat de Heere iemand op een schrikkelijke wijze openbaar kan maken, waarmee soms zelfs weggelopen werd. Ik ben het met de brief eens, dat we mogen geloven en weten uit het Woord, dat 'niemand ooit de schapen kan rukken uit de hand van de goede Herder'. Ze zullen niet in der eeuwigheid verloren gaan. Slaan we de Schrift op, dan Iaat deze bitter weinig ruimte tot hoop in zulke gevallen, en ik zeg het dan maar heel voorzichtig nog: Saul, . . . Achitofel, . . . Judas ... O, zeker, het kan met een aangevochten ziel gaan langs de rand van de afgrond soms, in bittere zielenood en bange strijd stonden ze soms klaar om de leugenaar en de mensenmoordenaar van de beginne gehoorzaam te zijn, maar . . . God kwam tussen beide. Ik zeg niet: 'die zeggen, dat ze het doen, doen het nooit', ik weet beter. Niemand bewaart ook voor onszelf dan de Heere alleen. Want het is wat, 'zich ongeroepen te stellen voor de rechterstoel Gods'. Nimmer had ik er enige lust toe ook maar een oordeel over het geval of over de dode te geven, ik dacht, dat we zoveel te meer in alle bewogenheid, eenvoud en ernst een boodschap aan de omstanders hadden. In de brief wordt erop gewezen, hoe koud en ongevoelig soms ook de zuiverste waarheden kunneri worden verkondigd, bij dergelijke gebeurtenissen. Inderdaad, het moet eens een nabestaande, een beminde-bij-het-Ieven zijn geweest. Hoe kunnen we zonder deernis dan spreken.

Genade en verantwoordelijkheid

Met instemming las ik, dat we 'zalig worden uit genade' en 'verloren gaan om eigen schuld' nooit als een rekensommetje kunnen glad en klein krijgen. Nu dat is volkomen waar, dat blijft een paradox voor ons verstand. De Heere is toch zo goed op allerlei wijze, zeker als Hij met Zijn Woord tot ons komt. Maar wat zijn we ook geweldig verantwoordelijk. We hebben het zo goed geweten. De Schriften zijn voor ons geopend. De Heere heeft zo vaak en zo velerlei gesproken. Hoe zullen we daarvan rekenschap kunnen geven zonder verschrikking? Niet zonder de Borg persoonlijk te hebben leren kennen als ook voor ons gekruisigd en gestorven en opgestaan, door de Heilige Geest. Heerlijk kan de Heere soms uit het Woord bemoedigen of met een psalmregel of - vers. We weten het niet eens te staan. Neen, dat is niet de grond. Maar de Heere stopt Zijn kinderen wel eens wat toe, om zo te zeggen. Het leven is soms zo zwaar en zo moeilijk.

De onvergefelijke zonde

Tenslotte komt daar nog de vraag om iets te schrijven over de zonde tegen de Geest. Ik kan de verleiding niet weerstaan hier mijn vroegere, beminde leermeester, wijlen prof. Edelkoort te citeren: 'Ik mag dat wel, dat mensen daar ernst mee maken. Dat zijn de slechtsten niet. Zij maken nog ernst met het welzijn van hun ziel. Die zonde is niet, dat men niet in Jezus als de Christus gelooft. Dat is wel erg. Maar wie Hem eerst verwerpt, kan Hem later toch hartelijk erkennen en aanbidden. De zonde is ook niet, dat men de Geest de Hem toekomende eer onthoudt, als zou Hij geen God zijn. Ook niet, dat men Zijn invloed ontwijkt, zich tegen Hem verzet. Maar de zonde is, dat men tegen beter weten in, met koele opzettelijkheid het werk van Jezus, dat is van de Geest, toeschrijft aan de duivel. Als men opzettelijk de waarheid leugen noemt. Het rijk Gods opzettelijk verklaren voor het rijk des satans. Die zonde kunnen niet alle mensen doen. Alleen, die persoonlijk 'met Hem in aanraking kwamen op de levensweg, en beseft: het gaat hier en nu om mijn eeuwige zaligheid. Maar er is nog wat voor nodig. Iemand, die zo verlicht is door de Heilige Geest, dat hij de waarheid niet kan ontkennen en toch zo bezeten is van weerzin en haat tegen Hem, dat hij van de Heere wil afkomen tot elke prijs, opzettelijk schade noemend wat eeuwige winst kon brengen, opzettelijk zijn Redder zijn vijand en verderver noemend. En die erover tobben of zij zich aan deze zonde hebben schuldig gemaakt, deden die niet. Het is met deze zonde zo gesteld: wie haar echt deed, tobt er niet over en wie erover tobt, deed deze niet. Zo iemand tobt niet meer over zijn ziel, heeft totaal met de Heere afgerekend. Zo iemand heeft een onverstoorbare rust, zij het een rust des doods.'

Hier moet ik afbreken, ik zou graag verder citeren, het is de moeite waard. Maar genoeg, ik dacht de vraag genoegzaam te hebben beantwoord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1977

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Vragen van lezers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1977

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's