Uit de pers
Rome en de aflaat
In het Hervormd Weekblad van 13 januari schrijft prof: dr. G. P. van Itterzon dat de Rooms-Kathoheke Kerk nog altijd waarde hecht aan de aflaat. Van Itterzon haakt in op het voor de televisie uitgezonden gebeuren op de eerste kerstdag, vanuit Rome, waarbij de paus vanaf het balkon van de St.-Pieterskerk aan de pelgrims zijn zegen gaf en waarbij aan die plechtigheid een 'aflaat' verbonden was voor ieder die naar hem luisterde.
In de R.-K. Kerk is de aflaat nauw verbonden met het artikel van de vergeving van de zonden. Van Itterzon schrijft in dit verband:
Volgens haar bestond het sacrament van de biecht uit drie delen: het berouw van het hart, de belijdenis (van schuld) met de mond, nl. ten aanhoren van de priester in de biecht en de voldoening door boetedoeningen, die door de kerk waren voorgeschreven. Men leerde daarbij, dat de priester in de biecht krachtens de hem verleende sleutelmacht de zonden kon vergeven, zodat de eeuwige straffen in de hel de boeteling niet meer wachtten. Omdat moest blijken, dat het berouw van de zondaar echt was, en hij wél van de eeuwige straffen in de hel, maar niet van de tijdelijke straffen in dit aardse leven en nadien in het vagevuur was ontheven, legde de priester hem een bepaalde hoeveelheid boetedoeningen op om hiermede aan de tijdelijke straffen hier en in het vagevuur te ontkomen.
Toen in de 7de en 8ste eeuw de zware kerkelijke boete in onbruik raakte, kon men de strenge boeteplegingen afkopen door gebeden, boetetochten en aalmoezen. Hiermede was de grondslag gelegd voor de leer en de praktijk van de aflaat. In de 13de eeuw ontwikkelde Alexander van Hales de theorie van de zg. 'schat der kerk'. Ze hield in, dat de kerk de beschikking had over een overtollige voorraad van verdiensten van Christus en de heiligen, en dat zij vanwege de gemeenschap der heiligen de goede werken van Christus en de heiligen aan boetvaardigen kon overdragen. Dit ging echter niet zómaar: ze moesten er het nodige voor doen. Dat schreef de kerk hun voor. Men kon een hoeveelheid verdiensten uit de schat der kerk b.v. krijgen, als men deelnam aan de oorlog tegen de Moren in Spanje (1063) of als kruisvaarder naar het H. Land (1095). Later werd dit vergemakkelijkt en kon men tegen betaling een aflaat verwerven en zo gedeeltelijke of algehele kwijtschelding van tijdelijke straffen verwerven. En toen paus Bonifatius VIII in 1300 de jubileumaflaat verleende, werd er een bijzonder groot gebruik van gemaakt. Het kwam de paus in zijn benarde financiële omstandigheden enorm ten goede.
De aflaathandel, die hieruit opkwam en waartegen Luther en Zwingli krachtig hebben geprotesteerd, is als een misbruik door het concilie van Trente afgeschaft. Daarmede waren echter de aflaten zelf allerminst van de baan. Want op 4 december 1563 verklaarde dit concilie, dat het gebruik van aflaten, dat voor het christelijke volk hoogst heilzaam en door het gezag van de heilige conciliën bevestigd was, in de kerk behouden moest worden. Het was wel van oordeel, dat het schandelijke gewin, waaruit de misbruiken voornamelijk waren voorgekomen, geheel moest worden afgeschaft. Maar het sprak toch de vervloeking uit over hen, die beweerden, dat aflaten nutteloos waren of de macht der kerk om ze te verlenen ontkenden. In 1794 heeft paus Pius VI dit nog eens met nadruk onderstreept.
Van Itterzon wijst erop dat in onze tijd theologen als Rahner en Poschmann dezelfde vragen stellen als die door Luther naar voren gebracht waren. De juridische hantering van de aflaat stuitte hen tegen de borst. Over de doden kan men, zo meenden zij, geen rechtsmacht meer uitoefenen, maar alleen iets doen door de voorbede, en verder moest men het oordeel aan God overlaten. Een ontwerp over de aflaat werd dan ook buiten de conciliedocumenten gehouden. O.a. op grond van oecumenische bedenkingen. Maar daarmee was de kwesde toch niet afgedaan. De zaak van de aflaat werd een zaak van de paus alleen. In een kersttoespraak op 23 december 1966 kondigde de paus de publikatie van een pauselijk ontwerp aan, waarbij hij als fundament voor deze leer de volgende geloofswaarheden noemde:
1. de plicht tot genoegdoening voor de tijdelijke straffen, die door God beschikt waren;
2. de geestelijke schat van de genoegdoeningen van Christus, de maagd Maria en de heiligen;
3. de aan Petrus en zijn opvolgers verleende sleutelmacht, in dit geval de rechtsmacht om over die schat te beschikken. Een verwerping van de aflaatleer zou bovendien gelijk staan met een verwerping of verzwakking van een reeks andere leringen (dogma's): de leer van de sohdariteit van de verlosten met Christus; de gemeenschap der heiligen; de oneindige waarde van de verdiensten van Christus, waarvan de werking boven die der sacramenten uitrijst; de sleutelmacht, die zich kan uitstrekken over het bereik der sacramenten heen; de onfeilbaarheid van de concilies; van de paus en van het universele gewone leerambt.
Op 1 januari 1967 verscheen de pauselijke verordening onder de titel 'In dulgentiarum doctrina' (d.w.z. leer van de aflaten). Wat wordt hier nu in gezegd. Van Itterzon geeft de volgende samenvatting:
De kerk kan tijdelijke straffen opleggen, die de zondaar op aarde of in het vagevuur moet uitboeten. Ze dienen tot reiniging der zielen en tot herstel van de geschonden vriendschap tussen God en mens en van de door de zonde verstoorde 'universele orde'. In de navolging van Christus zijn de christenen met elkander verbonden tot wederkerige hulp. Ze dragen hun eigen kruis tot verzoening van hun eigen zonden en die van anderen, omdat de Kerk, het mystieke lichaam van Christus, als het ware één mystieke persoon is. Op deze overtuiging rust de schat der kerk, die uit de onuitputtelijke schat van Christus' verdiensten en de volheid van de gebeden en goede werken van de maagd Maria en alle heiligen bestaat. De bisschoppen hebben toegestaan, dat kerkelijke straffen door lichtere worden vervangen. In de loop der eeuwen is door de kerk het gebruik van aflaten ingevoerd. De pausen hebben bepaald, dat ze, na berouw en biecht, zelfs de volledige kwijtschelding van alle zondestraffen kunnen bewerken. De Kerk deelt gezaghebbend de schat der genoegdoeningen uit en dit zelfs ten behoeve van de overledenen om de gemeenschap der heiligen in Christus tot uitdmkking te brengen. Door het verwerven van aflaten onderwerpt men zich aan de herders der kerk en in het bijzonder aan de opvolger van de H. Petrus. Aldus de samenvatting naar Bornkamm.
De paus had gelijk, toen hij in zijn kersttoespraak verzekerde, dat in de opvatting inzake de aflaten niets werd veranderd 'met betrekking tot de waarheden des geloofs'. Die waarheden waren duidelijk: de onderlinge hulp van levenden en doden, de kerkelijke schat der overtollige goede werken van Christus, Maria en de heiligen; de rechterlijke, pauselijke sleutelmacht; de gehoorzaamheid aan de paus. Wel werden de berekeningen van dagen- en jaren-aflaat afgeschaft en kon men voortaan per dag slechts één volle aflaat verkrijgen, maar voor het overige bleef alles bij het oude. Gewoon traditioneel. Met een aansporing tot het doen van verdienstelijke goede werken.
Terecht wijst Van Itterzon erop dat hier de wegen van Rome en de protestantse kerken radicaal uiteengaan. Hier is sprake van een totaal andere visie op genade en werken, geloof en rechtvaardiging. Hetzelfde wat in de zestiende eeuw tegen de aflaathandel werd ingebracht, geldt ook nu. Want misstanden mogen dan verwijderd zijn, de theologie die aan deze leer over de aflaat ten grondslag ligt, is dezelfde, waartegen Luther en Calvijn in hun dagen vanuit de Schrift neen gezegd hebben. Van Itterzon spreekt over een 'zware schaduw' die er valt over de belijdenis van Gods onverdiende genade in Christus, als men op de wijze van paus Paulus VI spreekt over de aflaat. Het is goed om in 1977 van deze dingen kennis te nemen. En zich niet te laten verleiden tot de gedachte dat Rome dit alles heeft losgelaten.
De bio-industrie
Van de dogmatiek naar de ethiek. In het maandblad Diakonia lazen we een artikel van de hand van de heer D. B. v. d. Waals over de vragen van de nieuwe levensstijl in verband met de problemen in de landbouw, de bio-industrie, de versobering enz. Van der Waals constateert dat hier vele vragen aan vast zitten, waar buitenstaanders wel eens wat erg gemakkelijk overheen lopen, uit gebrek aan informatie. De kerkeraad van de Hervormde Gemeente van Lemele heeft onlangs in een brief aan de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie zijn ergernis hierover uitgesproken.
Het is allemaal begonnen, vertelt ds. P. J. Mackaay, de predikant van Lemele, met de al genoemde oproep van de Raad van Kerken. De actie 'Nieuwe Levensstijl' begon als een appèl tot versobering, waarvan de 'vleesloze dag' de concrete vorm zou moeten zijn. In dat appèl werd gepleit voor 'een bewuste strijd tegen alle vormen van verspilling van voedsel en andere produkten'. En daaraan werd toegevoegd: 'De Raad denkt met name aan een vermindering van het gebruik van dierlijke produkten, nu vastgesteld is, dat overmatige hoeveelheden graan worden gebruikt voor de produktie van vlees'.
Dat is de Raad door de boeren niet in dank afgenomen, en dat lag ook wel voor de hand. Maar wat vooral stak, was dat de informatie, waarop de oproep was gebaseerd, niet klopte. Het gebruik van overmatige hoeveelheden graan voor de vleesproduktie had betrekking op de Amerikaanse, niet op de Nederlandse situatie.
Zo oordeelde men althans in landbouwkringen. En men meende dat de oproep, gedaan op een 'beleidsbijeenkomst', waaraan nota bene een voorbereiding van een paar jaar was voorafgegaan, zó niet buiten de landbouw om de wereld ingestuurd had mogen worden.
In de brief van de Lemeler kerkeraad aan de Raad voor Kerk en Theologie wordt gesproken over '. . . mensen, die zich sterk bij de problematiek van de derde wereld betrokken weten en die stellen dat voor deze intensieve veehouderij zo veel granen en ander voedsel, dat door mensen gegeten kan worden, aan de menselijke consumptie wordt onttrokken dat dit tegenover de hongerende massa's ginds niet te verantwoorden is. Het is ons bekend dat deskundigen over deze stelling verschillend oordelen. Het verbaast ons dat men wat betreft de voedselvoorziening van miljoenen hongerigen zelden of nooit hoort spreken over de 50.000 ha bouwland, die alleen al in ons land met gerst wordt bebouwd, welke opbrengst grotendeels bestemd is voor de bierbrouwerijen. Wij zijn pijnlijk getroffen door de getallen, die de Raad van Kerken in zijn oproep om te komen tot een nieuwe levensstijl heeft verstrekt, ledere enigszins ter zake kundige boer weet dat die ver bezijden de waarheid Waren. Wij menen ook dat deze critici te weinig blijk geven zich ervan bewust te zijn dat alleen al in ons land per jaar ruim 5 miljoen aan afvalstoffen, die anders waardeloos zouden zijn, voor de intensieve veehouderij tot veevoeder worden verwerkt'.
Waarom we hier aan deze zaak aandacht schenken, vraagt u wellicht? Hoort dit niet thuis in een blad voor de landbouwers? Wat heeft dit te maken in een persoverzicht dat aspecten van kerk en theologie signaleert? Ik zou in dat verband het volgende willen noemen:
a. De brief van de Lemeler kerkeraad accentueert hoe hachelijk het is als kerkelijke organen en raden zich gaan uitspreken over zaken, waar men nauwelijks over kan oordelen. Bescheidenheid en voorzichtigheid in onze ethische oordelen zijn gepast.
b. De vragen rondom de bio-industrie stellen de verhouding mens-dier aan de orde. Wat valt daar vanuit de Schrift over te zeggen? En hoe hebben we in dat licht economische ontwikkelingen te beoordelen? Wat zijn misstanden? En waar is sprake van een botsing van plichten?
c. Op de achtergrond van dit vraagstuk vooral als we het toespitsen op de verhouding tot de arme landen, de problematiek van de derde wereld, de ongelijke verdeling van de wereldboterham - zit de vraag naar het rentmeesterschap van de mens op aarde. Hoe gaan we om met de goederen die de Heere God ons in beheer geeft? Ds. G. Boer heeft in zijn boek over Genesis 1 Ik ben de Alpha, hier behartigenswaardige dingen over gezegd, waar geen christen aan voorbij mag gaan.
d. Ook wanneer we tegenover allerlei theologische achtergronden en politieke achtergronden van de oproep tot een nieuwe levensstijl erg kritisch staan, mag dit ons toch niet verleiden tot interesseloosheid op dit gebied. De aarde is des Heeren! Dat moet doorklinken ook in onze ethische beslissingen. En zo goed als een christelijke ethiek zich bezighoudt met de vragen van overheidsgezag, oorlog en vrede, zo goed wordt in onze tijd aandacht gevraagd voor de problemen, opgeroepen door de bio-industrie. Hier ligt een heel veld van studie. Daar zullen de deskundigen hun eigen inbreng hebben. Maar daar heeft de kerk tot taak om te doordenken, wat de geboden en beloften des Heeren ons te zeggen hebben en welke wegen zij ons wijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1977
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1977
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's