Nog maar een maand te leven
Enkele jongeren maakten in Engeland kennis met het levensverhaal van een kind dat sterven ging. Het was in de gemeente van ds. P. Basseth te Londen, de predikant, die enkele jaren geleden in ons blad enkele artikelen schreef over evangelisatie. Ds. Basseth schreef dit stuk in zijn kerkblad. De jongeren vroegen of we het in ons blad wilden afdrukken. Hoewel in elk pastoraat wel bijzondere pastorale ervaringen zullen voorkomen, die niet allemaal aan het papier worden toevertrouwd, is de weg die God met een kind in alle eenvoud gaat niet minder de moeite waard om te vertellen dan wat groten in Gods Koninkrijk mogen doen. Wie niet wordt als een kind kan zelfs het Koninkrijk niet binnen gaan. Daarom voldoen we aan het verzoek om dit stuk te plaatsen. De Redaktie
Net voor Kerst 1975 kwam ik voor het eerst bij Nicola thuis. Ik had haar nog nooit eerder gezien. Ik hoorde voor het eerst van haar en van het feit dat ze leukemie had, nadat een gemeentelid haar had opgezocht en had gezien hoe ze er aan toe was.
Het bezoek van het gemeentelid was op zichzelf een verhoring van het gebed van een aantal christenen uit een naburige plaats. Ze kenden haar nood en hadden gebeden of ik haar een bezoek wilde gaan brengen. Iemand van die groep had aangeboden met mij kontakt op te nemen, maar ze raakten er tenslotte van overtuigd, dat het beter was om eenvoudigweg te bidden en het aan God over te laten. Een kennis van de moeder van Nicola had zelfs voor mijn huis heen en weer gereden, maar voelde zich weerhouden om binnen te komen om met mij over haar probleem te praten. Het zou wel eens tot een ongewenst bezoek bij Nicola thuis kunnen leiden. Dominees zijn niet altijd welkom!
Nicola was pas acht jaar en haar ouders wisten hoe hopeloos haar toestand was. Ze hadden Nicola omringd met liefde en veel aandacht, maar ze gaven toe dat ze nog nooit met haar gebeden hadden en zelfs geen verhalen uit de Bijbel aan haar hadden voorgelezen.
Ik had tot diep in de nacht zeer lange gesprekken met haar ouders. Ik deelde hun verdriet, hun vragen en hun angst. Ik probeerde hen van het volgende te overtuigen: 'Als dit het enige leven zou zijn, dan zou al dit leed zinloos zijn; maar als het zowel U beiden als Nicola echt tot God brengt, dan zal het het tenslotte waard zijn'.
Ik besefte dat ik niet moest proberen de vraag 'Waarom dit leed? ' te ontwijken. Dus sprak ik met hen over het begin van de wereld en liet zien dat leed en dood in deze wereld gekomen zijn op de dag dat de mens voor de eerste keer zondigde (Romeinen 5 : 12). Ik voegde hier echter snel aan toe dat God noch wreed noch wraakzuchtig is, alsof Hij mensen met leed wilde straffen. Leed en dood waren nu echter een deel van het leven geworden. Zelfs Job, de heiligste man uit zijn tijd, heeft geleden; zelfs Gods Heilige Zoon heeft geleden.
Enkele jongeren maakten in Engeland kennis met het levensverhaal van een kind dat sterven ging. Het was in de gemeente van ds. P. Basseth te Londen, de predikant, die enkele jaren geleden in ons blad enkele artikelen schreef over evangelisatie. Ds. Basseth schreef dit stuk in zijn kerkblad. De jongeren vroegen of we het in ons blad wilden afdrukken. Hoewel in elk pastoraat wel bijzondere pastorale ervaringen zullen voorkomen, die niet allemaal aan het papier worden toevertrouwd, is de weg die God met een kind in alle eenvoud gaat niet minder de moeite waard om te vertellen dan wat groten in Gods Koninkrijk mogen doen. Wie niet wordt als een kind kan zelfs het Koninkrijk niet binnen gaan. Daarom voldoen we aan het verzoek om dit stuk te plaatsen.
Misschien uit respekt en uit dankbaarheid voor mijn bezoeken bij hen thuis, kwamen ze met hun drieën naar de Kerstzangdienst. Mijn onderwerp voor die avond was dat de Heere Jezus Christus in de wereld gekomen is om te zoeken en te redden dat wat verloren is. Ik zag dat Nicola tijdens de hele preek onrustig was. Ik ging door met Nicola en haar ouders te bezoeken totdat de afschuwelijke 'dag van de waarheid' kwam. Er werd hen gezegd dat Nicola nog maar ongeveer een maand te leven had. Slechts acht jaar oud - en het laatste hoofdstuk van Nicola's leven zou nu geschreven gaan worden. Maar toen juist vond God het de tijd om te beginnen met het eerste hoofdstuk van haar nieuwe leven. Toen stond God het mij toe om voor de eerste keer echt met haar te spreken over God en haar voor te bereiden op het leven na dit leven.
'Houd je van injecties? ', begon ik, wetende dat ze er meer dan genoeg van had gehad. Ik vertelde haar over een stel R.A.F, medische assistenten die ik kende, die voor de grap op wrede wijze geprobeerd hadden een officier in een speldekussen te doen veranderen - om te zien hoe flink hij nu echt was. Ik vertelde haar ook over een assistent die anders was. Niemand voelde ooit iets van zijn injecties. Niemand is hem ooit vergeten.
Op een dag gaf hij zich op als vrijwilliger voor een speciale vlucht, waarbij het vliegtuig later in Duitsland neerstortte. Zijn lichaam werd gevonden, onherkenbaar verminkt, maar bedekt met kleine kaartjes waarop verschillende verzen uit de Schrift stonden. Ze waren uit een vouwblaadje gevallen waarop deze woorden stonden: 'Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar uw Woord'.
Ik herinner me dat ik tegen Nicola zei: 'Om zó naar de hemel te gaan - met Jezus in je hart'. Er was zo'n wonderlijke uitdrukking op haar jonge gezicht. 'Kijk Nicola', zei ik, 't is ongeveer zoals de oude joden over de hemel dachten - alsof ze via de trap naar boven, naar God gingen'.
Ik vertelde haar toen hoe deze jonge RAF man een Christen was geworden. Een jonge Christen had enkele RAF mannen op de hoek bij zijn kerk zien staan, net voor de avonddienst. Toen hij ze uitnodigde om naar de dienst te komen, liepen ze allemaal weg, behalve deze jonge man. Hij ging mee naar binnen en die avond was voor hem het begin om te ontdekken dat de Heere Jezus zijn persoonlijke Verlosser van de zonde wilde zijn. Binnen zes maanden was hij in de hemel bij zijn Verlosser. Ik kon van het gezicht van Nicola aflezen, dat God begonnen was met het schrijven van het eerste hoofdstuk van haar nieuwe leven.
Nicola's vader had me beloofd dat hij de volgende zondagavond naar de kerk zou komen. Terwijl hij zich omkleedde en zich klaarmaakte, vroeg Nicola hem waar hij naar toe ging. Hij vertelde het haar en ze smeekte of ze mee mocht. Hij zei dat hij dat niet aandurfde, voor het geval ze kou zou vatten; de dokter had gezegd dat als ze maar de kleinste infektie zou oplopen, dat het eind van haar leven zou betekenen - en de griepepedemie was op zijn hoogtepunt. Haar vader ging dus alleen naar de kerk.
Nu was het moeders beurt voor 'de behandeling' . Nicola zei dat ze naar buiten zou gaan om kou te vatten als zij haar niet naar de kerk liet gaan. Ze greep haar jas, nam haar hond Tom als gezelschap mee en voerde zo haar dreigement uit, door de kille avondlucht in te gaan.
'Waarom heeft Nicola toch zo'n drang om naaf de kerk te gaan? ', vroeg haar moeder zich af. Ze had nog nooit meegemaakt dat ze zo tegen de draad in was en Nicola wist toch dat het voor eigen bestwil was om uit de buurt van grote groepen mensen te blijven. Maar omdat ze besefte dat de kerk erg belangrijk was voor het meisje, trok ze snel haar eigen jas aan, zette Nicola in de auto en kwam de kerk binnen bij het zingen van het eerste vers. Ze vroeg om een plaats vanwaar ze gemakkelijk na tien minuten weg zou kunnen gaan.
Ze werden naar de 'tien minuten plaatsen' gewezen, dichtbij een zijdeur. Een wat verlegen kijkende moeder en een stralende dochter liepen langs een verbaasde vader, die achterin bij hen kwam zitten.
Zowel vader als moeder hielden Nicola voortdurend in de gaten, maar ze was zo verrukt en haar gezicht straalde zo, dat er geen sprake van was dat ze na een paar minuten weg zouden gaan, ondanks alle griepbacillen. Mij was verteld dat haar vader er zou zijn en daarom had ik hém verwacht. Halverwege de preek zag ik opeens haar moeder en dacht bij mezelf dat ze wel een oppas zouden hebben. Pas tegen het eind van de preek zag ik dat Nicola er ook was.
Die middag had ik erover zitten peinzen of het verstandig zou zijn om over de tien melaatsen te preken. Ik stelde me zo voor hoe haar vader zou denken: God heeft alle tien melaatsen genezen - zou Hij dat ook niet met mijn dochtertje kunnen doen? Maar God liet mij die preek die avond houden en, zoals die ene melaatse, kwam er nu één klein meisje terug en ze dankte God. Aan het eind van de preek zei ze tegen haar ouders: 'Ik ga hem bedanken voor die prachtige preek'.
Ze kwam door het middenpad naar mij toe met een gezicht dat ik nooit zal vergeten en zei: 'Dank u wel voor die prachtige preek'. In werkelijkheid zei ze 'Dank u wel' tegen de Heere Jezus.
Toen ze die avond weer thuis was zei ze: 'Hij sprak tegen mij', en voegde eraan toe dat ze voortaan iedere zondag naar de kerk zou gaan, 's morgens én 's avonds.
De volgende dinsdag ging ik even langs en liet een kaartje achter met de woorden van een vers waarvan ze hield: 'Laat mij nader tot U komen, Heere Jezus, nader elke dag'. Ik vertelde haar hoe ze dit tot haar gebed kon maken. De hele daaropvolgende week hield ik kontakt met hen, maar die vrijdagavond voelde ik me gedrongen om weer langs te gaan. Ze rende de gang in, gaf me een kus en zei, terwijl ze haar Bijbel open hield: 'Ik heb het boek Daniël gevonden, maar ik kan Daniël in de leeuwenkuil niet vinden'. Ik zette haar op de stoelleuning en vertelde haar, waar haar ouders bij waren, dat het leven soms als een leeuwenkuil is, maar dat de Heere Jezus toch in die leeuwenkuil naar ons toe wil-komen.
We hadden met ons vieren een onvergetelijke tijd. Ze zei: 'Ik wou dat het morgen zondag was en waar gaat u over preken? Oh, ik wou dat ik iedere dag naar de kerk kon gaan'. Ik dacht bij mezelf: haar gebed zal spoedig verhoord worden.
De volgende zondag haastte ze zich de kerk binnen en op de woensdag daarop kwam het einde. Nadat ze die zondagavond naar de preek had geluisterd ging ze naar huis en beluisterde de hele dienst van de vorige zondag op de band. Voor ze naar bed ging viel ze op haar knieën en bad.
Op die maandagochtend speelde ze met haar vriendin Sarah en die middag met mijn zoontje. Maar ze begon vermoeid te raken. Zo rond bedtijd werd ze niet goed en had een slapeloze nacht.
De volgende ochtend vroeg smeekte ze haar moeder om mij op te bellen en me te vragen bij haar te komen. Toen ik kwam zei ze: 'Weet u dat in de hemel elke dag de zon schijnt en dat er geen nacht is' en even later: 'Ik verheug me erop om naar de hemel te gaan, maar u zult er wel eerder zijn' (omdat ik ouder was!). Ik vertelde haar: 'Het gaat erom wanneer God ons roept. Als hij ons roept, gaan we'. Ze vroeg me niet wat ik bedoelde, maar ik geloof dat ze 't begreep. Ik herinnerde haar eraan dat er een kroon zou zijn die alleen op haar hoofd zou passen. Ze antwoordde: 'En de mantel'. In de namiddag brachten haar ouders haar naar het ziekenhuis. De volgende ochtend was voor Nicola de laatste op deze aarde; op de dag af een maand zoals de dokter gezegd had.
Aan het begin van de morgen kwam er een analiste op de afdeling. Ze zei me dat ze een Christin was en dat toen ze die morgen voor Nicola was gaan bidden, ze het sterke gevoel had dat God Nicola al onder Zijn hoede genomen had. Dat was een geweldige troost voor Nicola's ouders. We zongen met haar. Ik las: 'In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen' en verzekerde haar weer dat de kroon en de mantel op haar lagen te wachten.
Ik zei haar: 'Je bent bijna boven aan de trap'. Omdat ik geloofde dat ze nog een uur of twee in deze wereld zou zijn, voelde ik dat ik Psalm 23 moest lezen. Ik las: 'De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken', maar ik dacht: wat moet ik tegen haar zeggen wanneer ik deze Psalm gelezen heb. Ik had het gevoel dat ik niet meer wist wat ik zeggen moest.
Ik las verder en kwam aan het eind van de Psalm: 'En jij zult in het huis des Heeren blijven, in lengte van dagen'. Ze draaide haar hoofdje op het kussen om. Er lag zo'n uitdrukking van vrede op haar gezicht, ze had immers de top van de trap bereikt. Ik riep haar na: 'Slapend in Jezus.... Verdwenen uit het lichaam, aanwezig bij de Heere. Tot ziens in de Morgen'.
We knielden en dankten voor haar leven. Een klein kind had mij tot een diepere kennis van de Heere gebracht.
'Weet u', zei Nicola eens, 'de macht van het kruis overwint al het kwade'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1977
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1977
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's