Verlichting en Modernisme
Woord en Geest
(2)
Dat tijdperk van Verlichting in de eigenlijke zin van het woord volgt op de orthodoxie die na 1750 in officiële en kerkelijke vorm onherkenbaar verwatert. Misschien wordt deze ontwikkeling wel het duidelijkst gekenmerkt door de godsdienstige inhoud die aan de rede gegeven wordt. Men kan ook spreken van de vergoddelijking van de rede, of van de rede als een soort van tussenwezen in de mens en tegelijk tussen de mens en het Goddelijke. Rond Robespierre zijn hier sprekende voorbeelden van te vinden. Na de Franse Revolutie en in de situatie die ongeveer 1793 ontstond, openbaarden zich onder de nieuwe machthebbers allerlei tegenstellingen. Hébert onderscheidde zich door zijn felheid tegen de godsdienst, voerde de republikeinse kalender in waarop de maanden naar natuurverschijnselen genoemd en alle heiligendagen afgeschaft waren, en wilde de godsdienst van de Rede algemeen aanvaard zien.
Opmerkelijk genoeg heeft Robespierre zich hier hevig tegen verzet, wat hem uiteindelijk zijn hoofd heeft gekost. Hij stichtte de dienst van het Opperwezen, in welke cultus hij als hogepriester zou fungeren. Het is niet onbekend dat o.m. de Vrijmetselarij de hoofdlijn van haar ontstaan op hem terugleidt. Wat heeft nu deze diktatoriale leider van het Franse schrikbewind bewogen om zich te verzetten tegen een godsdienst van de Rede? Was het een uitloper bij hem van wat Rousseau met zijn naturalisme vroeger had gewild? Eerder valt Robespierre's optreden te verklaren als reaktie tegen het toen reeds als afbraak openbaar geworden atheïsme. Toen de Parijse gemeenteraad besloot - tot vervanging van het christendom door de godsdienst van de Rede, werd een krachtiger kerk - en beeldenstorm ontketend dan ooit het geval geweest was in de Hugenotentijd. De Franse Revolutie heeft dus ijveriger beelden gestormd dan de Reformatie. Iets om aan te denken!
In de lijn van Rousseau trad nu Robespierre hiertegenop door de godsdienst van het Opperwezen, die in 1794 plechtig werd ingewijd met de verzekering dat het Franse volk het Opperwezen en de onsterfelijkheid der ziel erkent, en dat de meest waardige eredienst is de uitoefening van de plichten van de mens. Ongetwijfeld heeft Robespierre ook gehandeld uit motieven die zijn schrikbewind moesten begunstigen. Wie immers in een vanouds romaans en kerkelijk land wil regeren, moet niet beginnen, zelfs niet wanneer officieel een atheïstische republiek is gesticht, met de afschaffing van de laatste herinneringen aan het bovennatuurlijke op godsdienstig gebied en het opleggen aan het volk van een uitsluitend op de mens en zijn redelijkheid gerichte godsdienst. 'Geen God en geen meester', luidde een van de deviezen. Maar het meest treffend is de vergelijking die Robespierre heeft getroffen tussen atheïsme en vergoddelijking van de rede. Een krachtig en onverdacht getuigenis voor het gevaar dat hier schuilt.
Maar in beide gevallen, in de atheïstische cultus die Hébert wilde en in de cultus van het Opperwezen die Robespierre voorstond, blijkt de verre afstand tussen het Woord en wat men voor (de) Geest hield. Zulke misgewassen konden en kunnen slechts ontstaan op een kerkelijk-godsdienstige bodem die echter de stroom van Gods Geest en de bedding van Gods Woord niet meer kent. Een best bewijs van dit laatste vinden wij in een brief, welke in 1796 aan alle leraren en opzieners van protestantse - gemeenten in Nederland verzonden door een ons onbekende en welker inhoud door Sepp als volgt is samengevat: Die brief, vrucht van de geest des tijds, strekt vooral ten bewijze dat het remonstrantisme dier dagen geheel gebroken had met de dogmatiek waaraan het zijn oorsprong verschuldigd was. De sympathie aan genoemde voorslag ten deel gevallen zij niet slechts beschouwd als voort-gevloeid uit de geest des tijds, maar vooral gewaardeerd als teken van toegenomen en toenemende prijsstelling op datgeen wat christenen in eenheid des geloofs verbindt, met terzijdestelling van hetgeen wegens verschil van geloofsbegrippen hen verdeelt. In republikeinse, anti-kerkelijke kringen onder het volk leefde het gedichtje: 'Toen vader Adam spitte en moeder Eva span, waar vond men toch den priester of ook den edelman? '
Zedekunde
Veler theologie was zuiver formeel geworden. Over het inhoudelijke sprak men niet, omdat óf mensen geacht werden het daarover met elkaar eens te zijn: men leefde immers niet meer in de tijd van de haarkloverijen; of men was het oneens doch zocht, gelijk uit gemelde brief blijkt, eerder wat samenbond dan wat scheidde. Ypeij en Dermout beschrijven deze periode wat onze vaderlandse Kerk betreft, als een van verdraagzaamheid, van tolerantie en alle deugden die met deze begrippen samenhangen.
In 1775 werden de zedekundige lessen van Gellert uit het Duits vertaald en in Nederland uitgegeven. Bij de algemene middelen om tot deugd te geraken somt Gellert op wat verstand en wil tot het goede aanspoort. Hij spreekt van Goddelijke middelen die wij (!) verplicht zijn in het werk te stellen, indien het ons waarlijk om deugd en gelukzaligheid te doen is. Tot deze middelen behoren een duidelijke en overtuigende en volledige kennis van onze plichten; het gedenken aan God ofwel de beschouwing van Zijn eigenschappen en volmaaktheden; de kennis van onszelf en de mensen die ons omringen, en het zorgvuldig en onpartijdig onderzoek of ons God niet, buiten en behalve het licht der rede, nog een nadere openbaring van Zijn wil en de weg ter zaligheid gegeven heeft.
Op elk van deze middelen ggat Gellert in, en helemaal aan het eind van zijn betogen komt hij met een enkel woord te spreken over de heilige Schriften als zijnde van Goddelijke oorsprong. Niet dat hij dit bewijst uit de Schriften zelf, maar geweten en rede van de mens komen desgevraagd tot deze conclusie. Veel overvloediger dan over het Woord gaat het in zijn verhandeling over de Geest van God Die Zich over mens en mensheid vaardig maakt en hun het goede inscherpt. Nauwelijks schijnt de Geest Zich van de Schriften te bedienen. Geest en Woord worden uit elkaar gehaald, onder andere met dit gevolg dat bij, Gellert wel het gebed tot de zedelijke plichten gerekend wordt, maar het Bijbellezen en bestuderen ongenoemd blijven. Hij weet wel van een nadere openbaring van Gods wil dan via het licht der rede, maar zoekt die eerder in de voorstelling van Gods deugden in en door de menselijke geest en rede, dan in een openbaring Gods uit Zichzelf en wat de mens betreft van buitenaf. De teksten die uit de Bijbel worden aangehaald, dienen bij Gellert (en, mogen we zeggen, bij zijn tijdgenoten) eerder als illustratie, als voorbeeld dan als argument op zichzelf waardoor ook de zedeleer inhoudelijk weleens een wending zou kunnen nemen. De Schriften, zo kunnen wij Gellerts standpunt in dezen samenvatten, hebben geen andere inbreng in de zedeleer dan via de menselijke geest en het menselijke geweten. De Geest speelt evenzeer een grotere rol dan de Schriften, als de voorbeelden en uitvoerige dialogen uit de griekse oudheid groter rol spelen dan de uit de Schriften aangehaalde teksten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1977
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1977
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's