De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verlichting en Modernisme

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verlichting en Modernisme

Woord en Geest

7 minuten leestijd

(3)

Redelijken en onredelijken

Het is een opmerkelijk verschijnsel van de tijd der Verlichting, dat de geest van de mens de extra aandacht verkrijgt die de Bijbel als Gods Openbaring verliest. Niet dat dit laatste aanvankelijk met grove onrechtzinnigheid gepaard ging. De taal van Gellert en zijn soortgenoten is vroom, zelfs verheven en hier en daar mystiek. Er leek aan de goedheid en braafheid van de mens geen eind te komen. Zij waarschuwen trouwens ook tegen de 'ongodisterij' der atheïsten - u vindt er sterke voorbeelden van bij Gellert en bij Ypeij en Dermout - en prenten de mens voor en na zijn godsdienstige en andere christelijke plichten in. Maar niet zodra openbaart zich een leven in eenvoud uit het Woord door de kracht van de Geest, of de vrome modernen ontsteken in huns inziens heilige toorn. Zo verheft Johannes Stinstra zijn stem tegen de Nijkerker beweging van 1751 in een Nauwkeurig Onderzoek en spreekt over de mensen die erdoor 'beroerd' worden: 'Wanende dat zij bijzonder boven anderen de Geest der Wijsheid van boven deelachtig geworden zijn, zijn ze onontvankelijk voor redeneringen, hetzij uit de Rede hetzij uit de H. Schriftuur, voorzover zij met hun opvattingen strijdig zijn. Zij verbeelden zich dat diezelfde Geest der waarheid, die de apostelen in al de waarheid geleid heeft, hen ook op dergelijke wijze verlicht heeft. Zij houden u, omdat gij de zogenoemde Bevindinge niet hebt, voor een natuurlijk mens die nog verduisterd in het verstand is, en zichzelf voor geestelijke mensen die de zalving des Geestes en de Geest der wijsheid van boven deelachtig zijn geworden zonder dat zij daarvan aan anderen enige blijken kunnen tonen dan alleen hun eigen verbeelding en hun stout voorgeven. Daardoor is het dan dat de ongerijmdste en zotste stellingen en gevoelens kunnen staande gehouden worden tegen de duidelijkste plaatsen der H. Schriftuur, en tegen de allerklaarste en bondigste redeneringen'.

Stinstra heeft dus verschillende bezwaren tegen de bevindelijken. Hem ergert dat zij onontvankelijk zijn voor de rede en de (kennelijk met behulp van de Rede gebruikte) Schriftuur. Immers, men kan niet van de Nijkerker beroerten beweren dat daarin de Schrift niet gefunktioneerd heeft; zij funktioneerde echter anders dan bij de verlichte Stinstra en de zijnen! Dat was het verschil. En gebonden als Stinstra was aan de geest die hem leidde, achtte hij nu de bevindelijken gespeend van alle overtuiging uit de Schrift. Een tweede zaak die hem ergert, is dat hetgeen de bevindelijken bevinden, onkontroleerbaar is, althans voor het instrumentarium waar hij zich van bedient. Hij kan niet goed hoogte van hen krijgen en is dus gedwongen om uitdrukkingen te gebruiken als ongerijmdheid en zotte stellingen en verbeelding en stout voorgeven. Een heel ordinair verschijnsel: men bekladt wat men niet begrijpt, al was het alleen al uit ergernis dat men het niet doorvorsen kan. Dan een laatste en misschien wel een hoofdargument bij Stinstra. De verdraagzaamheid ontbreekt bij de bevindelijken, hetgeen hierin resulteert dat zij zich hoogmoedig verheffen boven u die slechts een natuurlijk mens zijt, en zichzelf houden voor mensen die door de Geest der apostelen in al de waarheid geleid worden. Verondersteld dat iemand het toch eens wagen zou om de belofte van Christus, historisch aan de apostelen gedaan, dat de Geest 'u' in al de waarheid zal leiden, op zichzelf van toepassing te brengen! Er kan veel in de achttiende eeuw, echter dit niet dat wat ik van God zou ervaren, absoluut genomen zou moeten worden en zo ook aanvaard , door anderen, met geen kontrole van buitenaf. En hierin verschilt de Verlichting in niets van het Modernisme en het Modernisme in niets van het neomodemisme in onze dagen.

Overigens getuigt het van een stukje diplomatiek optreden tegenover de bevindelijken, wanneer Stinstra hier de Rede laat volgen op de Schriften. Immers, in zijn overige geschriften is de volgorde steevast omgekeerd. De Schrift had geen eigen plaats in Gellerts zedeleer en evenmin in Stinstra's theologie. Bij deze gelegenheid zet hij de Schriftuur voorop, ' maar wij kregen reeds uit zijn betoog te verstaan dat het dan toch bij gebruik de Schrift is die opengaat voor en door het licht der Rede.

Het Réveil

Het was overigens het boven omschreven verschil in hermeneutische regels dat de jonge en door Dermout in supranaturalistische zin opgekweekte Groen van Prinsterer aanvankelijk grote afstand deed bewaren tot Dirk Molenaar en de mannen die zich in de eerste helft van de negentiende eeuw zonder voorwaarden van redelijke of zedelijke aard achter de Belijdenisgeschriften stelden en er hun denken en theologie, hun gevoel en hart door lieten vormen. Dit verschil nu werd voor de Réveilmannen en - vrouwen die hun achtergrond in de beschaving hunner dagen hadden, overwonnen toen zij door bekerende genade ééns geestes werden met de eenvoudigen die door de Geest in al de waarheid van God geleid werden. Een der belangrijkste punten van het Réveil was het herstel van de Bijbel als huisboek. De Bijbel was niet uitsluitend kerkelijk bezit, was niet alleen dominee's boek. Ook de leek moest de Bijbel kunnen lezen, uitleggen en er zijn levensgids van maken (M. E. Kluit). Valt het dan te verbazen dat Groen en anderen juist in hun strijd tegen de Revolutie en de geest der eeuw zich afkeerden van hun deelgenoten in de beschaving en vroegere vrienden (Thorbecke) en gingen staan aan de kant van hun broeders en zusters in het geloof? Zodat Kohlbrugge van de vrouw van Cornells van Zuylen van Nijevelt, wier afkomst uit de eenvoudigen stamde, kon schrijven: 'De jufvrouw in de schuurwinkel in Den Haag houdt de vroomen goed bij elkander'. Zodat Da Costa eenvoudige bevindelijken mét een ze­ kere voorliefde ontving en zijn vrienden uit de aristocratie beval zulken de ontvangst en behandeling van een koningskind waardig te keuren. Zodat later Hoedemaker rondweg verklaarde dat hij zich een broeder achtte van die eenvoudige boerenman die een andere taal sprak dan hij en bijgevolg zeker wantrouwen had jegens de hoogleraar, maar met wie Hoedemaker in het geloof, door Geest en Woord gewerkt, verbonden was.

Een misgewas?

Anders wordt het wanneer deze broederlijke gezindheid tot kultuurpatroon gemaakt wordt. Dan vormen de 'kleyne luiden' de nieuwe élite met behulp van wie de gereformeerde maatschappij wordt opgericht. Gunning schreef in 1886 over de mentaliteit die hierachter stak, in de volgende bewoordingen: 'Die oordelen (van God over de gevolgen van de Doleantie) zijn: welverdiende verachting van de zich noemende 'christelijke pers' door de publieke consciëntie; vervalsing van het taalgebruik voor de hoogste en edelste namen, een niet te ontwarren menging van godsdienst en politiek en van de heilige schoolzaak met onheilige manoeuvres; dienstbaarheid van heilige leuzen en waarheden aan motieven van zeer wereldse aard; onheelbare verdeeldheid van de hoogste openbare tot de huiselijk-intiemste toestanden toe, onheelbaar daarom vooral, omdat zij die haar bewerken menen... dat de diepe weerzin, die zij daarover tegen zich wekken, hen slechts de 'smaadheid van Christus' doet dragen'. Miskotte heeft over deze miskenning van het christendom behartenswaardige dingen geschreven in Om de Waarheid te zeggen, kanttekeningen bij Afscheiding en Doleantie, en haalt dan allicht het gesprek tussen Kuyper en Hoedemaker aan, waarin de mogelijkheid ter sprake kwam dat Hoedemaker niet met de Doleantie zou meegaan. Waarop Kuyper aan Hoedemaker verklaarde: 'Gij kunt dan in de Hervormde Kerk blijven, maar weet wel: al Gods volk gaat mee met mij en gij zult daar achterblijven met niets dan enkel Jan Rap en zijn maat'. Wanneer elders Kuyper een gesprek tussen een dienstbode en haar mejuffrouw weergeeft en de dienstbode laat zeggen: 'Ziet Uedele, het is vóór óf tégen de waarheid', dan is het uiteraard niet verwonderlijk wanneer Miskotte uitroept: 'Niets dan een staaltje van demagogie'. Het ging Kuyper in wezen niet om de kleine luiden, maar om de 'kleine luiden die zijn kerk-en maatschappijbeeld wilden en konden realiseren. Het ging hem niet om het volk, maar om de schare die achter hem, dé leider, aantrok. En dit alles tot meerdere glorie van God. En waar het mis ging, daar was het de smaadheid van Christus. Dat zag Gunning zeer scherp.

Dit is dus niet hetzelfde als die broederlijkheid die zich dwars door alle lagen heen voordoet in het Réveil. Maar keren wij terug naar ons thema.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verlichting en Modernisme

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's