De biddende Jezus aan het kruis
En Jezus zeide: Vader vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. (Luk. 23 : 34a)
Deze woorden sprak Jezus in de ogenblikken van Zijn grootste lichamelijke kwelling. Let op de tegenwoordige tijd van het woord 'doen'. De soldaten, die Hem kruisigden, hadden hun handeling nog niet voltooid, zij waren er nog mee bezig. Het bloed droop uit de wonden van Christus, op het ogenblik, dat de spijkers werden ingedreven. Bovendien lag de uitputtende nacht van zielestrijd juist achter Hem. Hoe opmerkelijk is het dan, dat Hij in deze omstandigheden toch bleef bidden. Noch de uitputting, noch de pijn konden Hem hinderen in het gebed. Het lam Gods zweeg tegenover de mensen, maar Hij zweeg niet tegenover God. Zijn handen kon Hij niet meer vouwen tot het gebed, want die zaten vast aan de, kruispaal, maar Hij kon nog wel zijn mond opendoen. 'En Jezus zeide'.
Jezus had op aarde een biddend leven geleid. Hij was het bidden zo gewoon, dat Hij er zelfs op het kruis niet mee kon ophouden. Hij was doordrenkt van de geest des gebeds. Hij leefde in het gebed en het gebed leefde in Hem. Ja, Zijn gebedsgestalte was zo onlosmakelijk verweven met Zijn gehele natuur, dat toen Hij verbrijzeld werd, de liefelijke geur van het gebed des te meer uit Zijn binnenste opsteeg. We trekken onwillekeurig de vergelijking met een welriekende specerij, die des te meer geurt, naarmate zij kapotgeslagen wordt. Welk een voorbeeld geeft de Heere Jezus hierin aan ons. Laten wij volharden in het gebed, zolang als ons hart in ons binnenste klopt. Laat geen hevigheid en overmaat van lijden ons wegdrijven van de troon der genade, maar ons er veelmeer dichter naartoe drijven. Juist dan hebben we vertroostingen zozeer nodig.
De Heere Jezus begint dit gebed met de aanspraak: 'Vader'. Hij houdt dus vast aan Zijn Zoonschap. Ook Zijn dicipelen had Hij geleerd te bidden: 'onze Vader', opdat Hij van stonde aan in hun harten de kinderlijke vreze en het vertrouwen op God zou verwekken. Zo nadert ook Christus tot Zijn Vader in een ootmoedige, maar ook vertrouwende gestalte. Daar komt bij, dat Hij wist, dat God in de hemel in geheel enige zin Zijn Vader was. Christus is de enige, natuurlijke Zoon van God. Dit Zoonschap van Christus werd juist in de lijdensgeschiedenis in het bijzonder aange vochten en in het geding gebracht. Toen Jezus deze nacht voor het Sanhedrin was geleid, had de hogepriester uitgeroepen: 'Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God? ' En straks zal de menigte op Golgotha sarrend schreeuwen: 'Indien Gij de Zoon van God zijt, zo kom af van het kruis!' Maar het is net, of Christus nu met Zijn aanspraak 'Vader!' hen allen wil tarten en uitdagen. Hij houdt voet bij stuk. Hij is en blijft, zelfs in deze omstandigheden, de Zoon van God.
Wat de inhoud van dit kruiswoord aangaat, daarin treft het ons, dat Christus Zichzelf hierin volkomen wegcijfert. We hadden verwacht, dat Jezus nu Zijn eigen leed zou gaan uitschreeuwen, en een appèl zou doen op het medelijdende hart van Zijn hemelse Vader. Of dat Hij de goddelijke wraak zou inroepen over Zijn vervolgers, in de trant van Psalm 35: 'Twist met Mijn twisters, Hemelheer, ga Mijn bestrijders toch te keer!' We zouden het verstaan, wanneer Hij Zijn pijnigers had toegevoegd: 'De Heere zal het zien en zoeken!' Doch inplaats dat Christus Zijn Vader tot een goddelijk toorningrijpen zou willen verzoeken, is het veeleer zo, dat Christus juist met deze bede de handen van God de Vader die reeds ter wraakneming zijn uitgestrekt, wil snoeren. Indien Christus niets gezegd had, had de Vader de vijanden vernield. Doch dan had onze verlossing niet plaatsgehad. Christus wil kenbaar maken, dat Hij alles vrijwillig en gaarne leed voor het doel, waartoe Hij in de wereld gekomen was. Met deze bede redde Christus de voortgang van het verlossingswerk.
Zo volledig is Zijn zelfvernietiging, dat Hij Zichzelf en Zijn lijden volkomen uit het oog verliest, en georiënteerd naar Zijn Vader, voor zijn vijanden bidt. 'Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen'. Welk een ruimte ligt er in dit gebed. De vijanden worden niet met name genoemd, maar ze worden allen kortweg aangeduid met het woordje 'hun'. Het betrof niet alleen die vier Romeinse soldaten, die hier bezig waren, Jezus terecht te stellen. Neen, indien iemand, wie hij zij, soldaat of schriftgeleerde, Romein of Jood, straks in boetvaardigheid voor de zwaar beledigde God op het aangezicht valt, mag hij zijn eigen' naam uit dit 'hun' aflezen, èn zich de troost der schuldvergeving toeëigenen. Dit alles wel te verstaan in de weg van het geloof en bekering. Er ligt ruimte in dit gebed, ook omdat het geen bepaalde zonde met name noemt, maar alleen aan de Vader vraagt, of Hij 'het' wil vergeven. Met dit woord vat Hij de ganse stroom van ongerechtigdheden samen, die de overhand heeft over ons.
Maar anderzijds, welk een beperking ligt er ook in dit gebed. Christus bidt voorzeker niet voor degenen, die de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven. Hij bidt alleen voor degenen, die niet weten, wat zij doen. Hij bidt zeker niet voor Judas, die straks heen zal gaan om zich op te hangen. Hij bidt zeker niet voor degenen in de Joodse Raad, die straks tegen beter weten in de wachters bij het graf zullen omkopen om het gerucht te verspreiden dat Christus' lichaam gestolen was, terwijl zij sliepen.
Is deze bede van Christus verhoord? We kunnen Christus in deze bede aanmerken in tweeërlei opzicht. Als gewoon mens bidt Hij overeenkomstig de geopenbaarde wil van Zijn Vader voor de bekering van alle zondaren. Want immers God wil, dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen. Dan ligt in deze bede echter mede besloten de overgave aan de verborgen wil des Vaders, gelijk Hij ook in Gethsemane gebeden heeft: 'doch niet Mijn wil maar Uw wil geschiede'. We kunnen Christus ook aanmerken als Hogepriester, die ook hier, evenals in het hogepriesterlijk gebed, alleen bidt voor de gegevenen des Vaders. Dan eist Hij op grond van Zijn bloedstorting, de zaligheid dergenen, die de Vader in de eeuwige Vrede-raad aan Hem heeft toevertrouwd. Hoe dan ook, Christus' gebed is verhoord, want Hij weet, dat de Vader Hem altijd hoort. In de moordenaar aan het Icruis, in de hoofdman over honderd, worden straks de eerste vruchten van Zijn Middelaarsvoorbede Hem toegevoerd, later gevolgd door een schare, die niemand tellen kan. Als Zijn Ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij zaad zien. Behoren wij ook daartoe?
Adam, de eerste mens, wist wie God was. Hij wist ook wat hij deed, toen hij de zonde bedreef. Hij is niet met gesloten ogen de doodsstaat binnengewandeld. Want toen hij zich van de hem geschonken gaven beroofde deed hij dat door moedwillige ongehoorzaamheid. Met als gevolg, dat wij gevallen zijn in een staat van verblinding, waarin wij God en het ware karakter der zonde als vijandschap tegen God niet meer kennen. Christus is gekomen om voor verblinden te bidden, opdat zij het licht hunner ogen zouden herkrijgen, tot de ware kennis van God en Zijn Gezalfde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's