De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

AboeDaoed

De vrijlating van de van terrorisme beschuldigde Aboe Daoed (de terreuractie tegen de Joden in München in 1972 zou deels op zijn rekening sfaan) was voor ds. A. A. Spijkerboer aanleiding om in het blad In de Waagschaal (van 19 februari) de opmerking te plaatsen: De Joden zijn nog altijd vogelvrij in 'beschaafd' Europa. Dat schrijnende feit moeten we z.i. niet verdoezelen. Dat doen we maar al te dikwijls. Wat er niet mag zijn, kan er volgens velen ook niet zijn.

Het treft mij telkens hoezeer ook Christenen in staat zijn om feiten, die gewoon op tafel liggen, en die voor iedereen zichtbaar zijn, over het hoofd te zien. Maar hoe lees je de Bijbel dan? Ik denk als een boek, waarin een schone droomwereld wordt beschreven, en aangezien die schone droomwereld waar móet zijn, leg je hem over de werkelijkheid heen, zodat je feiten, die er niet in passen, niet ziet. Nu kun je een hoop van de Bijbel beweren, maar niet, dat daarin niet beschreven wordt, waartoe mensen in staat zijn. Je komt in de Bijbel voor afgronden van boosheid te staan, en het wonder van de Bijbel is, dat God Zich met de mensen inlaat.

Wanneer het Joodse volk bij de Sinaï de Tien Geboden ontvangt om er zelf mee te leven en ze ook aan de andere volkeren te brengen, kun je zien dat God Zich met de mensen inlaat. Wij hebben de Tien Geboden via 't Nieuwe Testament, dus eigenlijk uit de handen van Jezus Christus gekregen, maar vijandschap tegen het Joodse volk is ook altijd nog vijandschap tegen de Tien Geboden en tegen de God die ze gegeven heeft.

Uit de vrijlating van de man, die bij zijn aankomst in Algerije toch weer gewoon Aboe Daoed bleek te heten, blijkt dat je in Europa straffeloos met de Joden kunt doen watje wilt. Wij mogen dit schrijnende en onthullende feit niet uit ons bewustzijn wegwerken, want als we dat doen, zetten we uiteindelijk alles waarvan we zelf leven op het spel. Je kunt dan wel zeggen, dat er politieke scherven gekomen waren, als Aboe Daoed vastgehouden en berecht was, maar wat hebben wij politiek eigenlijk gewonnen, wanneer dit soort figuren straffeloos in Europa terreur kan uitoefenen? Wat eraan te doen is, weet ik niet. Ik ben eigenlijk verbijsterd. Maar we moeten het wel weten. En we mogen het niet vergeten. Anders doen we nooit iets.

Mogen ouderlingen deelnemen aan de handoplegging?

Dat is de vraag waar prof. dr. G. P. van Itterzon in de vragenrubriek van het Hervormd Weekblad van 20 januari op ingaat. Het betreft de bevestiging van een kandidaat tot de Heilige Dienst in het ambt van dienaar des Woords. In de kerkorde, Ord. 3-21-5, is alleen sprake van de bevestiger en van de bij die bevestiging aanwezige dienaren des Woords. Van Itterzon wijst er op dat dit al een oude bepaling uit het Gereformeerde kerkrecht is. En hij verwijst dan naar de D.K.O., art. 4. Na gewezen te hebben op de kerkorde van de Geref. Kerken schrijft Van Itterzon:

Men ziet, dat het Gereformeerd kerkrecht de handoplegging heeft gezien als een opdracht voor de bevestiger en de andere aanwezige predikanten. Nu vroeg de proponent, of ook-een of meer ouderlingen aan de handoplegging zouden mogen deelnemen. Hij verzekerde mij, dat dit in verschillende plaatsen geregeld gebeurt. Mijn antwoord is, dat dit wel zo kan zijn, maar dat dit dan toch een duidelijke afwijking is van het Gereformeerde kerkrecht, dat al van vóór de Synode van Dordrecht heeft gegolden. Men kan aanvoeren, dat blijkens 1 Tim. 4 : 14 Timotheüs 'n gave had ontvangen die hem krachtens een profetenwoord geschonken was onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten.

In mijn brochure over 'Het kerkelijk ambt in het geding' heb ik er al op gewezen dat over de handoplegging in het Nieuwe Testament onder heel verschillende omstandigheden en bij zeer uiteenlopende gelegenheden wordt gesproken. Daar ga ik dus nu niet op in. Wel is het duidelijk, dat de grondleggers van ons Gereformeerde kerkrecht in 1 Tim. 4 : 14 geen aanleiding hebben gezien om ook aan regerende ouderlingen (anders dan de lerende ouderlingen of predikanten) de handoplegging op te dragen. In onze tijd van wildgroei in de diverse kerken moeten we elkaar toch niet al te zeer opzadelen met experimenten, die we wel 'stichtelijk' vinden.

Nu ik dit toch schrijf, nog iets anders. Een vrager over hetzelfde onderwerp vroeg een maand geleden, of ook R.K. pastoors gerechtigd waren om een Hervormde candidaat tot de H. Dienst de handen op te leggen. Ik beantwoord deze vraag met een wedervraag: Is men van mening, dat R.K. geestelijken, die op sacramentele wijze tot priester zijn gewijd, naar Protestantse opvattingen gewone collega's zijn van de Hervormde dienaren des Woords? Onnodig te zeggen, dat ons kerkrecht dit niet toestaat. Doch ik hoorde uit betrouwbare bron, dat ook in dit opzicht de vreemdste dingen gebeuren. Prof. Herman Ridderbos zou in dergelijke gevallen wellicht ook spreken van 'ontbinding' van het kerkrecht.

Het blijkt telkens weer hoe er aan de vragen rondom de handoplegging allerlei facetten zitten. Het is goed dat onze kerkeraden het door Van Itterzon gegeven advies toch overwegen. Wie over de handoplegging als zodanig breder georiënteerd wil worden leze het proefschrift van dr.P.A. Elderenbosch over de oplegging der handen, terwijl een aantal jaren geleden dr. H. Schroten in Kerk en Theologie, 9e jaargang, 1958, een mooi artikel aan deze zaak wijdde.

Alleen maar verschil in voorstelling?

De kwestie Wiersinga blijft de gemoederen bezig houden, vooral in de Gereformeerde Kerken. Dat is geen wonder, want afgezien van de kerkrechtelijke aspecten, zoals tuchtprocedures, verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkeraad, de vraag: moet er ruimte voor Wiersinga blijven? enz., zitten er ook andere aspecten aan vast, met name de vraag naar de rechte prediking. Naar aanleiding van een pleidooi van ds. E. Pijlman om ruimte voor Wiersinga in de Geref. Kerken schrijft prof. dr. K. Runia in het Centraal Weekblad van 29 januari:

In het boekje 'Eerlijk voor elkaar', dat kortgeleden door de gereformeerde studentenpredikanten is uitgegeven, komt ook een stukje van dr. Wiersinga voor, onder de titel 'Wat er mij aan gelegen is'. Daar spreekt hij zelf ook over de kwestie van de 'voorstelling'. Zijn visie is 'maar een voorstelling' . Hij onderscheid tussende voorstelling en het voorgestelde. Het voorgestelde is de verzoening in Jezus Christus. De voorstelling is de manier waarop we dit evangelie in beeld en kaart brengen. De bijbelschrijvers hebben dat ook al onder verschillende beelden gedaan: het cultische, het juridische, het financiële en het sociale. Zijn eigen model noemt hij het 'veranderingsmotief. We moeten het nl. telkens opnieuw vertalen. 'Vandaar dat ik mijn visie niet strijdig acht met het wezenlijke belijden van de kerk, maar enkel met een voorstelling van de belijdenis in de westerse cultuur van na het jaar 1000'.

Zijn eigen visie is dus 'maar een voorstelling'. Maar even later voegt hij er aan toe, dat deze voorstelling voor hem essentieel is. De toekomst van geloof en kerk, ook van onszelf en van onze kinderen staat op het spel. 'De zin van mijn werk als predikant en theoloog is mij daaraan gelegen. En mijn bestaan als gelovige anno 1976.'

Hier wordt de 'voorstelling' ineens hard gemaakt. Er klinkt iets door van: hier sta ik, ik kan niet anders. Dat kun je op zichzelf waarderen: dat een mens staat voor zijn theologische visies. Maar dan moet je wel absoluut zeker zijn dat je het bijbels bij het rechte eind hebt. En dan moet je er wel zeker van zijn dat wat je afwijst inderdaad onbijbels is. Juist wat dat laatste betreft heb ik dan toch wel m'n twijfels, als ik zie dat de traditionele, opvatting in het artikel helemaal in de sfeer van Anselmus getrokken wordt. Maar is dat wat onze belijdenisgeschriften leren? Leren die het 'betalingsmodel', uitgewerkt in 'termen van genoegdoening, verdienste en vergelding'? moetje verder de traditionele visie beoordelen naar van ex-christenen daarvan maken in roman, toneel en film?

Kortgeleden kreeg ik nog weer eens het boek van de Engelse nieuwtestamenticus A. M. Hunter over het 'Evangelie van Paulus' in handen. Hij geeft daar ook een stuk over het kruis en wijst er dan op dat geen enkele 'voorstelling' op haar eentje recht doet aan het kruis. Maar ook wijst hij er op dat de traditionele opvatting van plaatsvervangend straflijden wel 'diepgeworteld' is in de klassieke uitspraken van Paulus over de verzoening. 'Hem die geen zonde gekend heeft, verklaart Paulus, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem'. Wat kan dit anders betekenen dan dat het kruis een goddelijke goddelijke daad is, waarin, bij goddelijke beslissing, onze veroordeling op de zondeloze Christus viel, zodat er voor ons geen veroordeling meer zou zijn? Het straf-element kan door geen enkele exegetische handigheid uit deze uitspraak verwijderd worden, en geen leer van 't kruis die dit verwerpt kan er op bogen echt Paulinisch te zijn'.

Dat ligt achter de uitspraak van de synode dat de verwerping hiervan niet toelaatbaar is. Het gaat hier niet om 'een voorstelling van de belijdenis in de westerse cultuur van na het jaar 1000', zoals Wiersinga suggereert, maar om de apostolische, normatieve voorstelling.

Er zit in de voortgaande discussie iets vermoeiends. Dat bleek me ook uit een discussie tussen Rothuizen en Runia in één van de volgende nummers van het C. W. In het geding blijft toch de vraag: Wil men een dialoog-kerk of een belijdende kerk? Voor Runia is dat geen vraag. Hij besluit zijn artikel met de volgende zinnen:

De vraag of er ruimte voor dr. Wiersinga in onze kerken is kan alleen door hem zelf beantwoord worden. Als hij na de beslissing van de synode zich publiek zou blijven verzetten tegen wat de synode heeft uitgesproken en door zou gaan met publiekelijk te 'leren' wat de synode heeft afgewezen, dan plaatst hij zichzelf buiten de toegestane ruimte en moet zich niet verbazen, maar eerder verwachten dat tegen hem gezegd zal worden: u kunt niet langer als predikant werkzaam zijn in onze kerken. Dat zal zijn eigen kerkeraad dan tegen hem moeten zeggen!

Maar zoiets is toch niet nodig? Het is toch geen schande om van de vaderen en de broeders geleerd te worden? Dat hebben we als predikanten toch beloofd, toen we het ambt aanvaardden en onze handtekening zetten onder het ondertekeningsformulier?

Als er straks geen ruimte zou blijken te zijn voor Wiersinga (wat God moge verhoeden!), dan ligt het m.i. niet aan de synode die niet maar één mijl, maar wel twee mijlen met hem is meegegaan, maar dan ligt het aan hem zelf omdat hij weigert te luisteren naar het spreken van de kerk. Het gaat niet maar om een 'voorstelling', die je kunt accepteren of afwijzen. Het gaat om wat naar het bijbels getuigenis de verzoening werkelijk is: de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. . . de Here heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen' (Jes. 53 : 5, 6).

Alleen maar polarisatie?

Tenslotte geven we nog even het woord aan ds. M. O. Dijk. Hij schrijft in Credo, het orgaan van de Stichting Confessioneel Gereformeerd Beraad over de polarisatie. Het CGB deelt met de mensen van Waarheid en Eenheid de zorg om het rechte belijden en het gereformeerd karakter van de Geref. Kerken, maar wil met name met de synode en de andere kerkelijke vergaderingen het spreken zo lang mogelijk open houden. Van Dijk is van mening dat de tegenstellingen binnen de Geref. Kerken niet alleen maar uil polarisatie zucht voortkomen. Bij polarisatie dreigt eenzijdig­ heid, en worden bepaalde kanten van de waarheid overgeaccentueerd ten koste van de andere. Dan gaat het over twee zijden van de ene waarheid.

Maar anders wordt het wanneer waarheid en dwaalleer tegenover elkaar staan. Van Dijk schrijft in de kroniek van genoemd tijdschrift:

Ik schreef dat het uiteen groeien van richtingen en stromingen in onze kerken gedeeltelijk aan dit verschijnsel van de polarisatie is te danken. Gedeeltelijk. Immers, er dreigt een gevaar, dat veel groter is dan het gevaar van polarisatie. Wie polariseert ontkent de andere zijde van de ene waarheid niet. Hij is alleen maar eenzijdig. Erg genoeg op zichzelf, maar toch niet zo heel erg verontrustend. Verontrustend in de volle zin des woords wordt de zaak wanneer 'de andere zijde' kortweg ontkend en geloochend wordt. Wanneer dr. Wiersinga ontkent, dat Jezus de schuld op de zonde in onze plaats heeft gedragen. Wanneer communisten worden toegelaten tot de bestuurscolleges (ja, bestuurscolleges) van de Vrije Universiteit, wanneer een man als dr Baarda ontkent dat Jezus reeds tijdens zijn leven op aarde de titel Zoon van God, Christus, zou hebben gedragen, wanneer de kinderdoop steeds meer wordt aangevochten. Dergelijke dingen zijn tegenwoordig aan de orde.

Zeker, polarisatie, misschien wel voor 70, 80%. Maar dat andere ook.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's