De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

’s Heeren Naam belijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

’s Heeren Naam belijden

10 minuten leestijd

In het najaar hopen we een boek te laten verschijnen, waarin de geschiedenis van de Gereformeerde Bond vanaf het begin van deze eeuw tot aan het jaar 1951 uitvoerig wordt beschreven, waarbij uiteraard ook het kerkelijk leven in breder verband aan de orde komt. Het is de bedoeling dat de uitgave van illustraties en foto's wordt voorzien. We doen een vriendelijk beroep op onze lezers ons aan fotomateriaal te helpen. We zoeken met name naar foto's uit de vooroorlogse jaren, van onder ons bekende predikanten, van eventuele vergaderingen of gebeurtenissen op het kerkelijk erf, van toogdagen of landdagen, van landelijk verenigingswerk etc. Ieder die ons een foto toezendt krijgt deze uiteraard terug. We zullen verder ook moeten selecteren uit het voorhandene. Maar ongetwijfeld zal in oude persoonlijke of kerkelijke fotoarchieven wel een en ander aanwezig zijn waarmee we voor de komende uitgave erg geholpen zijn. Bij voorbaat hartelijk dank voor de medewerking.Toezending graag aan ondergetekende, Postbus 177, Huizen (N.H.).v. d. G.

De Zondag waarop vele jongeren, en wellicht ook enkele ouderen, openbare belijdenis des geloofs hopen af te leggen is ophanden. Een hoogst belangrijke en gewichtige dag. In het midden der gemeente zal de Naam des Heeren beleden worden. Zeker, dat gebeurt elke zondag, , want elke zondag wordt de Apostolische Geloofsbelijdenis opgezegd. Maar wanneer wij 'belijdenis doen' is het toch nog wel even iets anders. Wat wij dan doen is een zeer persoonlijke daad, waar wij dan voor het aangezicht van heel de gemeente mee voor de dag komen. Wij gaan vanaf dat ogenblik in de gemeente ook meer meespreken dan ooit tevoren, wij heten dan belijdende leden. Men mag in dit verband, mits goed verstaan, spreken van het bereiken van een zekere 'mondigheid'. Wij zijn niet meer onmondige kinderen maar hebben het recht, en ook de plicht, ons in het kerkelijk leven te doen gelden. Wij dragen meer dan ooit nu verantwoordelijkheid voor het wel en wee, het reilen en zeilen van de gemeente, waartoe wij behoren, en zelfs van de kerk, waarvan wij nu lid zijn, in haar geheel.

Nu bestaat er echter al sinds lang de neiging om het belijdenis doen uit te hollen. Om welke reden dan ook maar men is bang^er te veel waarde aan toe te kennen. Een symptoom daarvan is dat men het afleggen van de openbare belijdenis en het gaan aan het avondmaal zo ver mogelijk uit elkaar haalt. Natuurlijk kan men niet ontkennen dat het afleggen van de openbare belijdenis des geloofs oorspronkelijk niet anders is geweest dan het toegang vragen tot het heiUg avondmaal, maar uit een zekere vrees dat de mensen te gemakkelijk aan het avondmaal zullen deelnemen, wordt de band tussen die twee losgesneden. Nog een stap verder op deze weg is als men het belijdenis doen opvat als een alleen maar instemmen met wat men noemt de voorwerpelijke waarheid. Je belijdt dan op de dag van je openbare belijdenis die waarheid met 'een historisch geloof' en je belooft je uiterlijk leven daarnaar te richten. En zeker, dan vermaant men nog wel de jongelui het van harte te doen, maar ook dat kan toch niet wegnemen dat het belijdenis doen niet wordt gezien als het belijden van een waar, zaligmakend geloof.

Nog zeer recent kwam ik deze voorstelling van zaken tegen bij een predikant in een van onze zusterkerken. En ongetwijfeld zal ze hier en daar ook wel binnen onze eigen kerk te vinden zijn.

Nu is dat allemaal begrijpelijk én heel gemakkelijk. Er wordt dan wat het belijdenis doen betreft niet meer geëist dan met de waarheid in te stemmen en te beloven netjes te zullen leven. Daarnaast staat nog wel de eis van de bekering; maar hoe geloof en bekering te verbinden zijn met het belijdenis doen, dat blijft in het duister.

Is deze voorstelling van zaken wel gereformeerd, ik bedoel dan: gereformeerd in de oorspronkelijke zin van het woord? Hoe zouden onze vaderen, dezelfde die ons zulke rijke belijdenisgeschriften en liturgische Formulieren hebben nagelaten, erover hebben gedacht? Men zegge niet: de zaak kwam toen nog niet voor. Dan vergist men zich. Ook tóén werden al jonge mensen toegelaten tot het heilig avondmaal en ook tóén moest men, in sommige streken, daarvoor eerst een openbare belijdenis des geloofs afleggen.

Ik heb voor me liggen een boek van niemand minder dan Marten Micron, een der gereformeerde vaders die aan de wieg hebben gestaan van onze liturgische Formulieren. Zo is ons Doopformulier voor een deel man zijn hand. Hij heeft dit boek geschreven ten dienste van de Nederlandse Vluchtelingengemeente te Londen. Het dateert van 1554, en het bevat een regeling van heel het kerkelijke leven in genoemde vluchtelingengemeente.

Ik wil uit deze Christelijke Ordinantien, zo heet het namelijk, het een en ander citeren, of beter gezegd successievelijk bijna heel hoofd­stuk 11, dat op ons onderwerp betrekking heeft, weergeven.

Dat hoofstuk begint aldus: 'De kinderen nu die omtrent 14 jaar oud geworden zijn en zodanig onderricht zijn in de christelijke religie, dat zij op alle vragen desbetreffende redelijk antwoord kunnen geven, worden met heel de gemeente toegelaten tot het avondmaal. Zij moeten echter 8 dagen daarvoor openlijk voor heel de gemeente belijdenis doen van hun geloof'.

In deze belijdenis-dienst moest men hen op de volgende punten onderzoeken. Zij moesten allereerst uit een kleine catechismus het een en ander kunnen opzeggen; en dan moest men hen vragen of zij bereid waren, door Gods genade, bij deze belijdenis des geloofs te volharden en daarnaar te leven; en of zij bereid waren de wereld te verloochenen en satan te weerstaan. Hadden zij daarop 'ja' geantwoord, dan werd hen ook gevraagd of zij bereid waren zich aan de christelijke vermaningen, zo nodig, te onderwerpen.

Onmiddelijk hierop volgt een gebed, van de volgende inhoud. 'Almachtige God, barmhartige Vader, die niet wil dat er ook maar één van uw kleinen verloren gaat, die Gij tot eer van Uw Naam uit de dood tot het eeuwige leven, uit genade, herboren hebt, wij danken U dat Gij deze onze kinderen door uw Heilige Geest met uw godzalige kennis begiftigd hebt. En wij bidden U ootmoedig, allerheiligste Vader, dat Gij hen en ook ons allen met de ogen van Uw barmhartigheid nu voortaan wilt aanzien; dat wij allen tezamen dagelijks meer en meer in de kennis van U en in de gehoorzaamheid toenemen en daarin, door uw genade, tot het einde toe, steeds toenemend in godzaligheid, volharden; en ook dat wij door geen valse leringen van uw waarheid weggevoerd en door enige wellusten van ons vlees of anderzins van uwe wegen afgewend worden, maar dat wij opgroeiende in alle godzaligheid U eeuwig prijzen in ons leven. Amen.

Na dit gebed moet, volgens dit Formulier, de dienaar des Woords de ouders vermanen tot het dragen van zorg voor hun kinderen, opdat zij niet zullen verslappen in hetgeen zij beleden hebben. En hij moet ook de kinderen zelf vermanen, dat zij God de Heere eeuwig vrezen, kwaad gezelschap mijden, hun ouders gehoorzaam zijn en dat zij zich door gedurige gebeden den Heere zullen aanbevelen. Want staat er, satan slaapt niet; vervallen zij tot de dienst van satan dan zal hen een zwaarder oordeel wachten dan degenen die geen kennis der goddelijke dingen hebben verkregen.

Tot zo ver dit Formulier van Micron. Een Formulier dat geheel de geest ademt van al de gereformeerde formulieren uit de tijd van de Reformatie.

Laat ik er een paar opmerkingen aan mogen toevoegen, ter verduidelijking.

1. Er wordt gesproken over het toelaten tot het avondmaal van kinderen van 14 jaar. Dat was niet alleen zo in de Londense vluchtelingengemeente, ook in Geneve, onder leiding van Calvijn. Pleit dat voor de tegenwoordig zo sterk verdedigde kindercommunie? Geen sprake van! Men bedenke in de eerste plaats dat de kinderen in die tijd eerder volwassen waren dan thans. Prof. Van den Berg heeft dat in zijn beroemd hoek Metabletica overtuigend aangetoond. In de tweede plaats, deze jongelui van 14 jaar werden pas tot het avondmaal toegelaten na openbare belijdenis des geloofs te hebben afgelegd. En tot die belijdenis werden ze pas toegelaten als zij goed thuis waren in de christelijke religie, en op alle vragen betreffende de voorname stukken van de catechismus een afdoend antwoord konden geven. De tegenwoordig bepleite kindercommunie gaat van heel andere opvattingen, wensen en verlangens uit. Beide gevallen zijn niet met elkaar te vergelijken.

2. De waarheid waar deze jonge mensen belijdenis van moesten afleggen werd bepaald niet gehouden voor de louter voorwerpelijke leer van de kerk. Het Formulier spreekt van 'godzalige kennis'. Als onze vaderen over de 'kennis' spraken dan bedoelden zij gewis niet een enkel uitwendige kennis. Pas later heeft het woord 'kennis' in verband met de waarheid die ons geopenbaard is een geweldige devaluatie ondergaan. Toen is men uitwendige en inwendige kennis gaan scheiden. Wat de kinderen in de catechismus geleerd wordt, dat is de waarheid Gods, die zondaren zalig maakt. Men mag niet zeggen: Dat is maar de voorwerpelijke waarheid. Als de kennis ervan enkel voorwerpelijk blijft dan ligt dat niet aan die waarheid, maar aan de onbekeerlijkheid van degene die deze waarheid leert kennen; De tegenstelling tussen een leerstellige en een bevindelijke waarheid is niet klassiek gereformeerd. Men gaat dan de waarheid verwijten wat men de zondaar moet verwijten. Men doet geen belijdenis van de leerstellige waarheid, men doet belijdenis van de waarheid. Zo zag Micron het, u kunt het zelf in het bovenstaande nagaan, en zo zag heel de Reformatie het.

3. Deze kinderen worden in het Formulier van Micron gehouden voor ware gelovigen. Er staat letterlijk: Gij hebt deze kinderen met godzalige kennis begiftigd! Men mag niet er van uitgaan dat jonge mensen die belijdenis doen alleen maar een historisch geloof hebben. De predikant die dat meent heeft niet het recht die jongelui te bevestigen. Hij dient met die jongelui te bidden en te worselen, dat Christus, gelijk Paulus zegt, een gestalte in hen krijge. Hij mag zaaien in de hoop, ja zekerheid dat het Woord des Heeren niet ledig zal wederkeren. Hij mag hen aanspreken op hetgeen zij in hun doop ontvangen hebben. Hij dient er van uit te gaan dat zij met oprechtheid hun ja-woord geven als zij staan voor Gods aangezicht. Vandaar dat Micron, en al onze vaderen, ze daarna ook tot het avondmaal toelieten.

Men zal er ook oog voor moeten hebben dat hun geloofsleven zich openbaart naar de aard van hun leeftijd. God verlangt niet van kinderen dat zij al een lange baard van vroomheid hebben. Toen ik een kind was sprak ik als een kind. Er zijn kinderen, jongelingen en vaders. Men holt het belijdenis doen uit tot een formalistisch gebaar (met de bedoeling toch vooral eigen kerk of kerkje in stand te houden) als men de jongelui verlof geeft om alleen de voorwerpelijke waarheid te belijden. En men maakt tegelijk daarmee de Apostolische Geloofsbelijdenis, de waarheid Gods, tot een lege formule - , immers louter voorwerpelijke waarheid.-

Of dan allen die openbare belijdenis doen ware kinderen Gods zijn? De ervaring leert helaas anders. En ook Micron heeft dat wel geweten. Immers, aan het eind spreekt hij over een 'vervallen aan de dienst van satan', en een zwaarder oordeel als gevolg daarvan. Er zal immers gewaarschuwd moeten worden voor zelfbedrog. De eis tot zelfbeproeving mag niet achterwege blijven. In de prediking zal het onderscheidend element niet mogen worden gemist. Maar op Gods stoel te gaan zitten, dat past ons niet. 

Micron houdt in één greep beide vast: een spreken over zaligmakende kennis en geloof én de mogelijkheid van terugvallen in de wereld en dienst van de duivel. Wie zo doet houdt de zaak in spanning. Een spanning waar velen niet aan willen. Omdat zij niet gemakkelijk en omdat zij geestelijk is. Onze vaderen lieten hun geloof niet snijden op de maat van droeve ervaringen die ook zij weleens opdeden met jongere en oudere lidmaten en avondmaalgangers. Zij spraken vrijmoedig, zelfs al als het over kinderen ging, van een zaligmakend geloof, zonder echter ook maar een ogenblik uit het oog te verliezen dat niet alles Israël is wat Israël heet. Zo kweekt men noch naar de ene noch naar de andere kant zorgeloze mensen. Wie nooit de ontstellende mogelijkheid van zelfbedrog naar voren brengt kweekt zorgeloze mensen; maar wie zegt dat alleen maar de uitwendige waarheid wordt beleden, ook al zegt men er dan bij dat het wel van harte moet zijn, kweekt eveneens zorgeloze mensen.

Micron heeft ouders én jonge lidmaten tezamen, na ze volledig aanvaard te hebben, als kinderen die godzalige kennis hebben, vermaand, ernstig vermaand toch niet te verslappen, maar op de weg des Heeren voort te gaan, te waken voor satan en wereld, en niet op te houden met de Heere aan te roepen.

Wie belijdenis doet staat nog maar aan het begin. Het zal in het later leven moeten blijken dat het een goed begin is geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

’s Heeren Naam belijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's