Naar het land van de Nijl
(5)
In de oude buurt van oud-Cairo - wij bevinden ons hier ongeveer een halve kilometer van de Nijloever staan nog enige kerken; hier is ook het Koptische Museum. Voor de ingang staan twee machtige torens, die er de bezoeker aan herinneren, dat wij ons midden in Babylon bevinden, een vesting in de tijd van keizer Augustus hier gebouwd. Zijn arm reikte ver, zoals wij uit Lucas 2 weten. Over dat Babylon wordt nog al eens geschreven in verband met 1 Petr. 5 : 13: groet de mede-uitverkorene gemeente, die te Babylon is. Men heeft hierbij willen denken aan Babylon in Egypte en ik vind het nog zo vreemd niet, al wordt deze opvatting slechts door een enkele geleerde gedeeld. Waarschijnlijker wordt met Babylon Rome bedoeld, zoals dat in Joodse apocalyptische literatuur meer dan eens voorkomt. In de Openbaring van Johannes is met Babel stellig Rome bedoeld.
De Citadel en het verleden
Een machtig panorama over de stad ontvouwt zich vanaf het plein van de Citadel. Aan dit bouwwerk is de naam van Saladin verbonden, die in de dagen van de kruistochten de macht van de Moslims wist te bundelen en die kruisvaarders een nederlaag toebracht, die tot het verlies van Jerusalem leidde (1187 n. C). Hij maakte een begin met de bouw van deze geweldige vesting, die eerst voltooid werd door Mohammed Ali in de 19de eeuw. Hij maakte van de Turkse kolonie, die Egypte in zijn dagen was een moderne staat, voerde de katoenbouw is en met groot succes, waardoor hij het land op hoger sociaal niveau bracht. Bij zijn strijd om de alleenheerschappij heeft hij veel bloed vergoten; hij nodigde 480 vooraanstaande mamelukken-vorsten uit voor een bijeenkomst, waarna hij hen door zijn soldaten liet doden (1811). Het verhaal gaat, dat slechts één man aan het verschrikkelijke bloedbad ontkwam. Naar deze alleenheerser is de Mohammed-Ali-moskee genoemd. De slanke hoge minarets (84 m) wijzen reeds uit de verte de weg naar dit trotse bouwwerk. De grote voorhof heeft brede overkoepelde zijgangen; in het midden bevindt zich de reinigingsbron met een prachtig overstekend koepeldak, met een veelheid van versieringen, die voor ons gevoel bont en overdreven is. De centrale koepel iS 52 meter hoog en wordt door vier machtige peilers gedragen. De wanden zijn met albast bekleed; vandaar dat men spreekt van de albasten-moskee. Veel tapijten bedekken de vloer; de grote kansel is van cederhout met veel sierwerk, dat met goud is ingelegd en ook overigens is men met goud niet zuinig geweest; de kleine preekstoel is van albast. In de hof bevindt zich een monumentale klokketoren, die Mohammed Ali van Louis Philippe ten geschenke heeft verkregen (een tegengeschenk voor de eerder naar Parijs overgebrachte obelisk? ).
Op naar de piramiden, gebouwen, unieke steenbergen
Er is in Cairo ontzaglijk veel te zien, moskeeën en musea en andere gebouwen, die een bezoek waard zijn, maar het wordt hoog tijd naar Gizeh te gaan, ongeveer twaalf kilometer van Cairo, waar de grote drie piramiden staan, die van Cheops, Chephren en Mycerinus, monumenten, die nergens in de wereld hun evenbeeld vinden en die in de geschiedenis uniek zijn. Vanuit onze hotelkamer aan de Nijl zagen wij 's avonds de donkere driehoekige silhouetten tegen de hemel zich aftekenen en overdag staande op het grote plein van de Citadel lag voor ons de grote stad en daarachter links de trappenpiramide van Djozer en meer naar rechts de drie piramiden van Gizeh. Wat is nu de indruk, die deze kolossen maken op de toerist? Valt het tegen, zoals menig ding van dichtbij bezien tegenvalt? Spreken wij over de piramiden zo in de zin van: je moet het eens gezien hebben, maar voor mij behoeft het een tweede keer niet? Integendeel, wij zijn er twee keer geweest en dat is vrij veel in een behoorlijk vol reisprogramma. Ik geloof, dat iedere bezoeker vol is van diep respect en grote bewondering over zulke gigantische ondernemingen, die met een onbegrijpelijke precisie zijn uitgevoerd en waarachter een scherp menselijk vernuft zit en een ijzeren wil om niet te rusten, voordat het reuzenwerk voltooid was. Vroeger moeten de piramiden nog indrukwekkender zijn geweest; toen waren de zijkanten met volkomen aansluitende kalkstenenbekleding bedekt. En dan is het niet zo, dat de tand des tijds deze laag zou hebben aangetast en later afgestoten, maar het is vooral de mens geweest, die de piramiden en de daarbij behorende tempels heeft geschonden. Zoals het Collosseum van Rome lange tijd als een steengroeve is gebruikt, zo deed men in de tijd, dat Cairo gebouwd werd met de piramiden en de annexe gebouwen; alleen van de piramiden van Chepren is de top nog met de prachtige kalksteen bedekt. De grootste piramide is die van Cheops (ongeveer 2590 v. C.) met een grondvlak waarvan elke zijde 230 meter is en een hogte (thans) van 137 meter. De steenbergen alleen al, die de piramiden vormen, maken een overweldigende indruk. De Griekse geschiedschrijver Herodotus, die ongeveer 450 v. Chr. Egypte bezocht, heeft vele inlichtingen, die hij van Egyptische gidsen heeft vernomen teboek gesteld. Hij verhaalt o.a., dat het werk aan de toegangsdam naar de piramide alleen al tien jaar geduurd heeft en twintig jaar zou men gebouwd hebben aan de piramide zelf. Voor gewone gebouwen en ook veelszins voor paleizen gebruikte men als materiaal tichelstenen, vervaardigd uit water, leem en gehakt stroo, de blokken werden in de zon gedroogd. Bij de piramiden nam men natuursteen als bouwmateriaal en deze steen kon men van zeer dichtbij aanvoeren; voor de buitenbekleding gebruikte men kalksteen, dat uit de steengroeven vanTura gehaald werd ongeveer 25 km van Gizeh verwijderd op de rechter Nijloever. Ook in latere tijd haalden Romeinen en Arabieren hier deze prachtige steen voor hun grote bouwwerken. Het kostbare graniet moest uit Assuan worden aangevoerd, steengroeven, die dus een kleine achthonderd kilometer zuidelijker lagen. Herodotus vond het ook niet vreemd in zijn boek te vermelden, dat tot het alledaagse voedsel van de arbeiders steevast behoorden radijs, uien en knoflook. En als wij dat horen worden wij herinnerd aan de omzwervingen van het volk van Israël in de woestijn: morrend klaagde men: waren wij nog maar in Egypte; daar hadden wij vis voor niets, komkommers en watermeloenen, uien en knoflook. Moet je hier om komen! Num. 11:5.
Een machtige technische prestatie
Toen Napoleon in 1798 tijdens zijn Egyptische veldtocht de piramiden bezocht - overbekend is zijn woord daar gesproken: veertig eeuwen zien op u neder! - werden hem ook de afmetingen van de piramides genoemd. Bij zijn terugkeer van deze excursie verklaarde hij aan zijn verbaasde staf, dat de stenen van de piramide van Cheops voldoende zouden zijn om een muur van drie meter hoog en van dertig centimeter breed rondom geheel Frankrijk te bouwen. Het werk, dat hier verzet is is inderdaad onvoorstelbaar veel geweest. Voor één piramide heeft men meer dan twee miljoen steenblokken verwerkt, die stuk voor stuk twee en een halve ton wogen. Zij werden tevoren zo pasklaar gemaakt, dat zij na het transport naar boven feilloos in en aan elkaar pasten. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen voor welke moeilijkheden de bouwers in die tijd kwamen te staan. Het wiel kende men nog niet en evenmin beschikte men over ijzeren gereedschap en werktuigen. En toch is het werk met een dergelijke precisie uitgevoerd, dat deskundigen tot de dag van vandaag zich daarover verbazen. U vraagt: Hoe kreeg men dit toch voor elkaar? Tegenwoordig neemt men algemeen aan, dat de blokken over hellingen vanaarde naar boven zijn gesleept; sleden en houten cilinders waren het enige werktuig, dat men tot zijn beschikking had. Dit alles overwegende moeten wij wel zeggen, dat Herodotus best gelijk gehad zal hebben, als hij schreef, dat honderdduizend arbeiders telkens voor drie maanden werden opgeroepen om dienst te doen bij de piramidenbouw, vooral gedurende de periode van de overstroming van de Nijl, als er op de akkers niet gewerkt kon worden. Nu wordt meer dan eens ontkend, dat bij de bouw van piramiden en tempels slaven werden ingeschakeld. Ik denk aan de sympathieke en deskundige Egyptische gids in Assuan (soms gaat de deskundigheid niet verder dan het van buiten geleerde lesje; de Duitse gids las van een blaadje of had de reisgids in de hand, die hij nu en dan raadpleegde). Hij wees op het Exodus-verhaal over de dwangarbeid van Israël en verklaarde, dat de mensen alleen uit liefde voor de farao dit werk hebben gedaan, in grote ongedwongen bereidvaardigheid. Toen moest ik hem wel in de rede vallen om hem te vertellen, dat ik het hiermede in genen dele eens kon zijn en ik was niet de enige van de groep, dat dit toch een te idealistische voorstelling vond. Natuurlijk kan men wijzen op de vele ambtenaren en andere hooggeplaatsten, die tot het hof behoorden en de vele deskundigen, die voor de planning en uitvoering van dit werk van grote deskundigheid waren ingeschakeld; velen van hen zullen gegeten hebben van des konings tafel, dat wil zeggen: zij waren geheel ten laste van 's Rijks schatkist en kochten zich wellicht het privilege om later in de nabijheid van de piramide hun mastabe te mogen hebben. Maar daarna komt de algemene vraag boven of de Egyptenaar vroeger iets had in te brengen tegenover een gebod van de koning en zijn ambtenaren. Was de Farao niet heer en meester van het ganse land? In Egypte was de koning 'de adem onzer neusgaten' (zo wordt hij o.a. genoemd in de Amamabrieven). Dat betekent, dat van de god-koning leven en welvaart komt. Ook Israël weet daarvan ten aanzien van de koning
(Klaagliederen v. Jer. 4 : 20). Voor wie al te gemakkelijk over ongedwongen bereidwilligheid ten aanzien van dit zware werk spreekt geeft een grafschildering (in het graf van Rechmare) is een duidelijke aanwijzing. Zoals dikwijls met grafschilderingen het geval is, geeft ook deze muurschildering een tekening van een tafereel uit het gewone leven en er staat onder: gevangenen door Zijne Majesteit aangevoerd voor de bouw van de tempel van Amon, die tichelstenen maken om de tempel te Kamak te herbouwen. Bij het appèl, dat hier blijkbaar is afgebeeld van een werkploeg is de opzichter niet vergeten en niet voor niets heeft hij een stok bij zich en dat is meer dan een statussymbool (denk aan de roede van de drijver in Jes. 9 : 3).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's