De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Woord en Geest in de heilsgeschiedenis

Bekijk het origineel

Woord en Geest in de heilsgeschiedenis

De Schriftwording

13 minuten leestijd

(2)

Het ene Woord des Geestes heeft twee gestalten: ongeschreven ingeschreven. Wij vinden dit onderscheid duidelijk terug in artikel 3 van onze N.G.B, (waar dan ook later ten onrechte boven gezet is: 'Van het geschreven Woord Gods'). Eerst is er het ongeschreven Woord van God, niet gezonden of voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen Gods Hebben het, door de H. Geest gedreven, gesproken. Daarna heeft God zijn knechten de profeten en apostelen geboden, zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen, opdat ook wij zijn stem zouden vernemen. Zo is dus voor ons de H. Schrift de vorm, waarin wij Gods openbaring ontmoeten. Het Woord des Geestes komt niet anders tot ons dan door en in de Bijbel. Wij kennen God alleen zo, zoals Hij ons in de Schrift wil tegemoet treden. De Bijbel is ons onmisbaar en onvervangbaar. Om met Thurneysen te spreken: Openbaring en Schrift zijn niet identiek maar correlaat. Eenvoudig gezegd: zij vallen niet samen, maar zij willen samen zijn en zijn voor ons samen. Opening van de Schrift is openhartig van Gods hart; opening van Gods hart is opening van de Schrift. 'Het gesproken hebben van God (Deus dixit) is tegelijk het spreken Gods nu (Deus dicit)' (R. Bijlsma).

En toch moeten wij dat onderscheid tussen Woord Gods en Bijbel, tussen openbaring en Schrift niet uit het oog verliezen. Niet om ook maar in de geringste mate de Bijbel onrecht te doen. Niet b.v. om met Berkhof de Bijbel te beschouwen als menselijke reactie op de openbaring i.p.v. de openbaring zelf. Maar juist om de H. Schrift ten volle recht te doen, dient genoemde onderscheiding. Wij vereren de Bijbel niet als heilig Boek, alsof alleen het Boek op de schoorsteen ons Gods gunst al zou garanderen! Nee, de Bijbel wil ter sprake, aan het woord komen. God spreekt en wij hebben te horen. 'Tussen Hem en ons staat en gaat het Woord. Wij kennen God slechts als Deus loquens, als sprekende God. En wij zijn wat wij wezen moeten alleen als hoorders van het Woord Gods' (J. Koopmans).

Deze overtuiging bewaart ons voor een massief automatisme zonder geloof, zo goed als voor een afstandelijke handhaving en verdediging van het Boek buiten het geloof om. Het eerste stelt zich tevreden met de blote aanwezigheid van het Boek zoals met een heilbrengende mascotte. Het tweede verbeeldt zich Gode een dienst te bewijzen door de (zuivere) Bijbel in bescherming te nemen. In beide gevallen ontbreekt het even beslissende als genadige wonder van de ontmoeting tussen de sprekende God en de horende zondaar. In beide gevallen weigeren wij te staan onder de levendmakende adem van 't Woord des Geestes. De hoogspanning is afgeleid, het geheim vertaden. En zo onttrekken wij ons - publiek of gemaskeerd-aan wat de Bijbel in waarheid is: levend en levendmakend Woord. We zeggen dan nog wel: de Bijbel is Gods Woord. Maar we verstaan in de verste verte niet de vreugde van Kohlbrugge: 'Als ik iets van mijn Koning geschreven of gedrukt lees, of in zijn naam direkt uit zijn hart vandaan hoor en verneem, dan zeg ik: daar hebben wij onze Koning, daar, daar! En daarbij zullen wij het laten. Dan gaan alle duivels voor een christen uit de weg'.

Inspiratie

Wanneer we zeggen dat de H. Schrift Gods geïnspireerde Woord is, belijden we daarmee haar inblazing door God, haar goddelijke oorsprong, ingeving, betrouwbaarheid, autoriteit. Om het met dat prachtige bijbelse woord te zeggen: de Schrift is theo-pneust. Dat betekent letterlijk: van God gewaaid en doorwaaid. De wind, het waaien van God vaart er door heen. God blies haar door zijn Geest bij mensen in. En ook heden waait diezelfde Geest door de Schriften heen. En ook heden waait diezelfde Geest door de Schriften heen. Zij is dooraderd en doortrokken van de H. Geest.

Daarmee zeggen we tegelijk dat God geen kant en klare Bijbel uit de hemel liet vallen, maar dat Hij mensen in zijn dienst nam als ontvangers en doorgevers van zijn openbaring. In de meest letterlijke zin kwam Gods Woord hen aangewaaid. Calvijn aarzelt niet om ze 'notarissen' te noemen, aan wie de Heere zijn Woord dicteerde. Liefst spreekt hij echter van ministers, dienaars, die in een onvoorwaardelijke gehoorzaamheidsrelatie tot God stonden. Hun gehoorzame dienst was: Gods boodschap onverkort en overanderd doorgeven.

God inspireerde hen bij het ontvangen én bij het vastleggen van zijn openbaringswoord. 'Calvijn heeft eigenlijk geen leer van de geïnspireerdheid van de H. Schrift opgesteld, maar de inspiratie van de bijbelse getuigen in hun spreken en schrijven geleerd' (W. Krusche). Dus C. Graafland bevindt zich in onverdacht gezelschap als hij meent 'dat men er goed aan doet niet te haastig tot een logisch afgerond systeem van de leer aangaande de H. Schrift te komen' (hetzij een mechanisch, hetzij een organisch systeem). Luther en Calvijn hebben in een kinderlijk-gelovige spontaniteit meer uit de inspiratie van de H. Schrift geleefd, dan dat ze haar trachtten rationeel doorzichtig te maken.

Dit laatste is trouwens uitgesloten. 'Zoals dat niet lukt met de vleeswording van het Woord (Christus), zo ook niet met het Schriftgetuigenis als Gods Woord in mensenmond. Wij staan hier voor een wonder' (C. Graafland). Dit wonder van de waarheid der Schrift, waarvan Calvijn het hoogste bewijs overal ontieend ziet aan de Persoon Gods, die in haar spreekt, laat zich niet ontleden. Ontleden zou ont-wonderen zijn. Daarom is de Schrift auto-pistos, d.i. van eigen geloofwaardigheid, omdat zij overrompelt en overtuigt in overredingskracht van de H. Geest. Overtuigd zijn door (en zo van) dit mysterie is van geheel andere orde dan jezelf (en anderen) er denkend en dogmatiserend van overtuigen. Zo goed als liefde iets anders is dan praten over liefde. Het mysterie vat ons, niet wij het mysterie. Niet wij behandelen de Schrift, maar zij ons. Wij krijgen haar niet onder de knie, maar zij brengt ons op de knieën. Niet wij krijgen de macht over haar, maar zij over ons.

Niet over, maar in deze gegrepenheid en overtuigdheid roept Luther: 'In zaken des geloofs, die het wezen en de wil van God en onze zaligheid betreffen, moeten wij ogen, oren en al onze zinnen sluiten, alleen luisteren en ijverig daarop letten, wat en hoe de Schrift daarvan spreekt, ons eenvoudig in Gods Woord wikkelen en ons daarnaar richten en er niet met ons eigen inzicht op afgaan om het daaraan te meten'. Immers: 'De H. Schrift is Gods Woord, in lettertekens gevat en uitgebeeld, zoals Christus, het eeuwige Woord Gods, in het kleed van de mensheid werd gehuld'. En als Christus nu zijn discipelen toestond dat zij zijn hand, voet en zijde mochten betasten om hen zekerheid te geven, 'waarom zouden wij dan de Schrift, die toch waarachtig ook Christus' geestelijke lichaam is, niet tasten en proeven? '.

Gods bijzondere zorg

Wij belijden dat God door een bijzondere zorg die Hij voor ons en onze zaligheid draagt, zijn knechten de profeten en apostelen geboden heeft, zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen (N.G.B. 3). Zo bezorgd is Hij over onze zaligheid! Deze heilszorg van God kreeg dus o.m. gestalte in de Schriftwording van zijn Woord.

De Bijbel zelf informeert ons dat God al vanaf oude tijden het initiatief tot teboekstelling genomen heeft. De Decaloog grift God zelf met eigen vinger in stenen tafelen. Mozes krijgt diverse malen de opdracht tot schrijven. Evenzo Jozua en verschillende profeten. Gods voorzienige zorg!

Wij kunnen de vraag stellen: wat heeft het schriftelijk gefixeerde Woord dan voor op het mondeling overgeleverde Woord? Welke is de zin en de zegen van de Schrift-wording? Men zou in vier richtingen kunnen denken.

Ten eerste stabiliseert zij Gods eenmaal gesproken openbaringswoord. De boodschap van God krijgt iets onwrikbaars, onherroepelijks en definitiefs. God levert zijn Woord niet uit aan de wisselvalligheid en wankelmoedigheid van menselijke stemming en memorie, maar legt het vast.

Ten tweede reguleert God op deze wijze de mensen, hen tegen zichzelf beschermend, bij het proces van de traditie. Mensen zouden tijdens het mondelinge overleveringsproces op den duur licht bezwijken aan de zucht tot verfraaiing en besnoeing van Gods Woord. En juist door deze menselijke inbreng zouden ze zichzelf te kort doen.

Ten derde selecteert de schriftelijke fixatie uit Gods gesproken, gehoorde en geschiede Woord dat, wat tot onze lering is, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop zouden hebben (Rom. 15 : 4). Er is meer gesproken en gebeurd. De wereld zou het in boekvorm niet kunnen bevatten (vgl. Joh. 21). Maar deze selectie is voldoende tot zaligheid.

Ten vierde objectiveert de schriftelijke vastlegging het beroep op Gods Woord tegenover iedere dwaalgeest, boze geest en eigen geest. 'Er staat geschreven; zo, en niet anders!', dat is het krachtigste wapen tegen de zuigkracht van subjectivisme. 'Wat een voorzorg en barmhartigheid Gods is het, dat wij dit Woord op papier kunnen lezen en zo ervaren mogen - als wij ons eraan houden - wat het is, doet en geeft. Maar het donker, de hardigheid en het onverstand van het hart weet dat niet op waarde te schatten. Heeft iemand echter een staatspapier, een wissel of een bankbiljet of een testament in de hand, waarin hem een erfenis vermaakt is, daar weet hij zich aardig te verlaten op datgene, wat op zo'n papier geschreven staat' (Kohlbrugge). Gods 'papieren' Woord is geen dode letter, maar grond en norm van alle geloofsleven en eind van alle tegenspraak.

De eenheid van de Schrift

Heten de Schriften terecht ook wel Schrift? Of gaat het niet aan zo'n bonte verzameling geschriften uit zeer uiteenlopende tijden en van zeer verschillende schrijvers, als een enkelvoud, als een eenheid te beschouwen? Dat hangt er maar vanaf. Wie bijvoorbeeld de mens benadert op puur natuurwetenschappelijke wijze, zal niet spoedig geneigd zijn om dat diverse samenstel van elementen één mens te noemen. Zo komt men de mens, de persoon dan ook niet op het spoor! Omdat de ontmoeting, de gemeenschap, de liefde ontbreekt.

Hetzelfde geldt van de H. Schrift. De laatste eeuwen heeft men haar uiteengelegd, opgesplitst en ontrafeld. Zoals men een ding, een voorwerp ontleedt. Zulk een wetenschappelijkheid is niet wijs. Zij zal niet komen tot het geloof dat de Schrift 'uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord worden' (Calvijn). Dat geloof wordt slechts geboren uit het gehoor. En horen is een wonder, een uiterst persoonlijk, bevindelijk ontmoetingsgebeuren tussen God en mij, tot stand gebracht door het Woord des Geestes.

De eenheid der Schriften is dus geen zaak van bewijsbare doorzichtigheid onzerzijds, maar van ervaarbare verlichting van de Geest. Zij is dus voor alles pneumatologisch van aard.

Vervolgens is zij theologisch van afkomst: het is de ene God en Vader die ons zichzelf bekendmaakt en zijn hart verklaart in al de Schriften.

Tenslotte is zij christologisch van richting: zij richt onze blik allerwegen naar haar centrum Christus. Christus - zegt Calvijn - is scopus en summa van de ganse H. Schrift, dat is: doelwit waarop onze blik gericht zij, en samenvatting, hoofdzaak. Wet en Evangelie, profeten en apostelen, O.T. en N.T.: hun eenheid ligt in het ene Christus-getuigenis. In een van zijn Tischreden zegt Luther: 'Christus est punctus mathematicus Sacrae Scripturae' (Christus is de wiskundige punt van de H. Schrift). Elders legt hij dat zo uit: 'Christus is het middelpunt van de cirkel omdat de hele cirkel uit Hem getrokken is en op Hem terugziet; en wie zich op Hem richt, hoort óók in de cirkel. Want Hij is het middelpuntje in de cirkel, en alle geschiedenissen in de H. Schrift leiden, indien zij recht beschouwd worden, tot Christus'. Daarom ook gooit Luther de tekst van de Schrift als de schaal van de noot hem te hard is, tegen de rotssteen Christus, en dan vindt hij de zoete kern.

De dienstknechtgestatte van de H. Schrift

Gods Woord komt in de Schrift tot ons in het gewaad van mensenwoord. Wij moeten daar verre van teleurgesteld over zijn. Hoe zouden wij anders ooit Gods stem kunnen verstaan? Spreken en verstaan wij soms hemeltaal of engelentaal? Intussen liggen hier wel enige vragen.

De belangrijkste en dringendste is vanzelf de­ ze: hoe staat het met de verhouding van Gods Woord én mensenwoord? Is in de Schrift nu eens God aan het woord, dan weer een mens? Of is het slechts schijn dat mensen spreken; zijn ze slechts werktuiglijke secretarissen geweest in de handen van de H. Geest? Of andersom: is het slechts beeldspraak om de Bijbel Gods Woord te noemen; hebben wij in feite te maken met menselijk getuigenis van en reactie op Gods openbaring?

Wij moeten, dacht ik, een andere weg bewandelen. God gaf ons in de H. Schrift waarachtig zijn Woord. Niet achter of naast allerlei mensenwoorden, maai door en in de woorden van mensen. Scheiden is hier schenden.

Kinderkens is ook dit geheimenis geopenbaard. De H. Geest heeft menselijke getuigen in zijn dienst genomen. Daarbij heeft Hij hun eigen originaliteit geblust, maar hun individualiteit haar rol laten spelen (zo geeft W. Krusche Calvijns gevoelen weer). Dat wil zeggen dat de schrijvers werkelijk levende verstaanders, dragers en doorgevers zijn geweest van Gods openbaring, maar daarbij bewaard zijn voor eigenzinnigheid in eigenwijsheid van menselijke oorsprong. Om met Kohlbrugge te spreken: 'David is daarbij niet puur werktuig geweest, zoals bijvoorbeeld een levenloos ding, een pijp of een harp, maar Christus heeft David zijn Geest medegedeeld, die hem ook levend gemaakt had'. Deze individualiteit van de Bijbelschrijvers is met de handen te tasten: karakter, stijl, aanleg, tijdgerichtheid variëren van schrijver tot schrijver. Maar dat doet aan het goddelijk gehalte en gezag niets af. Het onderstreept slechts Gods vaderlijke zorg over ons dat Hij in zijn Woord in mensentaal wil nederdalen zodat wij Hem verstaan. Wij noemen dat wel de dienstknechtgestalte van de H. Schrift. Voorzichtig en vergelijkenderwijs (elke gelijkenis gaat mank!) mogen we zeggen: zoals Christus zich vernederde tot de gestalte van een dienstknecht en ons in alle dingen gelijk werd, doch zonder zonde, zo neemt Gods Woord de gestalte aan van mensenwoord.

Men behoeft nog niet met Haitjema zover te gaan om als analogie van de vleeswording des Woords te spreken van de Schriftwording des Geestes, om niettemin deze dienstknecht-gestalte van het Woord des Geestes met vreugde en respect te aanvaarden. Want - nogmaals in andere woorden - als God niet met ons sprak als een vroedvrouw met haar kind (Calvijn), hoe zouden wij Hem ooit verstaan? In dit verband merkt Kohlbrugge op: 'Een kind van tweeënhalf jaar, als het hem voorgehouden wordt, of van zes jaar, als hij lezen geleerd heeft, kan zoveel van Gods Woord verstaan, als voor hem nodig is om zalig te worden. En zo is de Schrift ook begrijpelijk genoeg voor volwassenen, dat zij Gods wil erkennen en de kern van de Schrift leren'.

Misschien moeten we hier nog één notie aan toe voegen. De dienstknechtgestalte van de H. Schrift heeft zeker óók de bedoeling om ons klein te houden. Wij zijn mens en niets meer. Daarom spreekt God ons ook aan in mensentaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Woord en Geest in de heilsgeschiedenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's