Wat kunnen wij voor onze dienstplichtige militairen doen?
(4)
Heeft de soldaat van heden het moeilijker dan de soldaat van een tijd geleden? Velen denken van niet. Zij zeggen: die soldaten van tegenwoordig hebben het maar gemakkelijk! Ze dienen enkele maanden korter dan wij vroeger; ze hebben veel meer vrije tijd (gaan na de eerste paar dagen al met weekend terwijl je destijds direct twee weekenden binnen moest blijven voordat je voor het eerst naar huis mocht), ze hebben veel meer vrijheden (geen groetpficht en een niet geringe inspraak in het kazernebeleid), een soldij die tot de beste ter wereld behoort en de rats, kuch en bonen van weleer zijn ruimschoots ingeruild voor kip, konijn en biefstuk. Een herenleventje vergeleken met vroeger, kortom.
Toch meen ik, dat dit alles schijn is, die bedriegt. Zoals een fransman eens gezegd heeft: 'Progrès des choses, déclin des ames': vooruitgang in uiterlijkheden is vaak gelijk aan uitholling van het innerlijk. En daarmee komen we op de vraag naar die verzorging van het innerlijk (o zeker: die zich naar buiten moet uiten!): de geestelijke verzorging. En in een drietal opzichten moet hier gesproken worden van achteruitgang, mijns inziens. Wat betreft de geestelijke verzorging heeft de dienstplichtige soldaat het heden bepaald veel moeilijker dan vroeger.
In de eerste plaats is hij losser komen te staan van zijn ouders. Dat is noch zijn schuld, noch die van zijn vader en moeder, maar dat is, laten we maar zeggen, toe te schrijven aan de 'geest des tijds', hoe vaag en anoniem dat klinken moge. De brief van het Ministerie van Defensie, vlak voor zijn opkomst aan de ouders van de a.s. militair gericht, waarin gevraagd werd op welke soort geestelijke verzorging zou wordenprijs gesteld, wordt nog wel verzonden, maar met het antwoord van de ouders wordt niets meer gedaan. Als vader en moeder, met hun handtekening er onder, duidelijk aangeven niet op joodse, humanistische of rooms-kathoheke verzorging prijs te stellen, maar wel op de protestantse, en die zoon gaat niettemin toch laat ik zeggen naar de aalmoezenier, dan doet niemand daar wat aan, het valt niemand op en die jongen gaat gewoon zijn eigen gang. Dat wordt mede in de hand gewerkt door het feit dat vroeger, om zo te zeggen van de eerste dag in werkelijke dienst af, protestanten en rooms-katholieken in groepen werden geformeerd en afgemarcheerd naar de les van hun eigen geestelijke verzorger. Tegenwoordig niet meer: iedereen gaat, individueel en zonder leiding naar de 'aal' of de' doom' en zoekt zelf maar uit bij wie hij het liefst dat uurtje doorbrengt. Ongegroepeerd, ongecontroleerd, ongedisciplineerd. Of u die ontwikkeling prijst of laakt is vers twee... vers één is: wat ouders met betrekking tot de geestelijke verzorging van hun zoon willen, dat wordt wellicht nog voor kennisgeving aangenomen maar verder als niet ter zake terzijde gelegd. Wat in vroeger tijden wel eens door commandanten werd gezegd: 'Wij hebben vanaf heden de opvoeding van uw zoon overgenomen', dat is ten enen male uit de tijd. Passé. Voltooid verleden tijd. Die knaap moet het zelf maar weten.
In de tweede plaats is hij ook al los komen te staan van enige leiding door zijn commandanten, ten aanzien van de geestelijke verzorging. Vroeger niet. Dat uur geestelijke verzorging bij de dominee was een verplicht lesuur. Zoals uiteraard, want daarvoor heet zijn militaire tijd ook diensplichtige tijd!)èlk uur dat op 't lesrooster in de kazerne voorkomt, verplicht is. Krijgstucht, een mars, sport, schieten, wat het ook zij, geen enkele soldaat kan ooit zeggen: 'daar heb ik nu eens geen zijn in... ik blijf dit uurtje maar liever op de kamer...'. Natuurlijk niet! Nee... maar sedert enige tijd is dat wèl het geval met de geestelijke verzorging. Op de één of andere voor mij niet achterhaalbare reden zijn de lesuren van dominee, aalmoezenier en raadsman op losse schroeven komen te staan! De jongens mogen zelf weten of ze aan dat lesuur deelnemen of gezellig wat op de kamer blijven. Zo is de bijeenkomst van soldaten met hun geestelijke verzorger in principe een vrij uur, het enige vrije uur zelfs geworden. Wie zin heeft die komt. En wie geen zin heeft blijft weg. Heel gewoon. En nogmaals: of u dit een vooruitgang vindt of een bedenkelijke achteruitgang, dat is uw zaak. Maar waar het hier om gaat is: zo is de situatie heden ten dage. Noch de ouders noch de militaire discipline steunen nog het geestelijk verzorgd worden van de jonge militair. Het wordt allemaal aan hem zelf overgelaten. Hij staat alleen in zijn verantwoordelijkheid...
Ik wil hierbij onmiddelijk opmerken, dat dus ook de geestelijke verzorger zelf veel meer alleen is komen te staan. Vergeet dat niet. Vroeger kon hij nog eens, als de jongens om de een of andere reden niet op kwamen dagen, opbellen naar de commandant en vragen waar ze bleven. En dan kwamen ze er ongetwijfeld binnen vijf minuten aan. Want het was dienst. En alleen als iemand van thuis een verklaring van de ouders had meegebracht dat uitdrukkelijk geen prijs op geestelijke verzorging werd gesteld, had 'n jongen vrij af. Maar een dergelijke verklaring mag nu elke jongen, zonder briefje, zelf geven, eenvoudig door op de kamer te blijven. De dominee kan niet meer vragen en mag niet meer vragen of ze nog komen. Eventueel staat hij daar dus alleen in zijn lokaal. Geen belangstelling blijkbaar, dit uur. Nu... niets, maar dan ook niets aan te doen. Niet de ouders, niet de commandanten, niet de geestelijke verzorgers hebben iets over dat uur geestelijke verzorging meer te zeggen... alleen de soldaat maakt daar de dienst uit.
In de praktijk is dat evenzeer bezwarend voor de meelevende protestantse soldaat als voor zijn dominee. Want wat die dominee betreft: hij geeft zijn lessen dus op een basis waarop geen enkel leraar, geen kleuterjuf en geen hoogleraar, zijn lessen geeft. Niet hij bepaalt immers iets, maar zijn leerlingen bepalen alles. Zelf staat hij (als tenminste jongens zijn) examen te doen voor zijn eigen leerlingen. Slaagt hij in hun ogen, verwerft hij een 'voldoende', vonden zij het een goed uur, dan komen ze terug. Maar scoort hij een onvoldoende, dan ziet hij ze waarschijnlijk nooit meer. Dat betekent een enorme verzoeking voor de krijgsmachtpredikant zijn binding aan het Woord van God in te ruilen voor het naar de ogen zien van zijn publiek. Een enorme verzoeking, terwille van eigen populariteit ontstellende hoeveelheden water in de wijn te doen... wat dan ook niet zelden gebeurt.
Maar ook is deze situatie bezwarend voor de serieuze protestantse militair. Want als dat uurtje geestelijke verzorging aanbreekt gaat hij niet meer samen met alle andere maten van zijn kamer vanzelfsprekend naar dat leslokaal, maar moet hij zich met een minderheid of niet zelden als eenling losmaken van de groep en hinderlijke opmerkingen trotseren als 'hé joh... blijf nou hier... wat moet je nou bij die dominee... wees niet zo a-sociaal...' enz. enz. Ook dat is 'n verzoeking... de verzoeking (ook al vanwege de aanlokkelijke populariteit in eigen omgeving) dan maar niet te gaan en verstek te laten gaan. Het is moeilijk voor hem geworden geestelijk verzorgd te worden. Veel moeilijker dan vroeger.
Voor de gehele 'Dienst' Geestelijke Verzorging betreur ik deze gang van zaken. Ik begrijp niet waarom onze uren op basis van vrijwilligheid gegeven moeten worden. In de eerste plaats staat dat nergens zwart op wit en is dat dus in feite niet legitiem. In de tweede plaats kan de soldaat toch kiezen uit drie mogelijkheden (en is angst voor 'indoctrinatie' uit de lucht gegrepen): hij mag zelf weten of hij naar de humanist, de aalmoezenier of de dominee zal gaan. En ook bestaat toch altijd nog die regel dat in geval van principiële bezwaren tegen geestelijke verzorging hij bij minderjarigheid via een briefje van thuis en bij meerderjarigheid krachtens eigen verklaring vrijstelling van die lesuren kan krijgen. Waarom dan alle uren voor iedereen facultief gesteld? Bovendien vrees ik dat op deze manier de gehele Geestelijke Verzorging op een, organisatorisch gezien, hellend vlak terecht is gekomen.
Het lijkt mij namelijk niet ondenkbaar dat commandanten, als ze merken dat hele aantallen soldaten op de kamer rondhangen, op een gegeven ogenblik gaan zeggen: 'wat een rommel, wat een wanorde... laat die dominee die uren voor vrijwilligers maar in de soldaat z'n vrije tijd geven, na vijf uur!' Dan raakt het instituut van de Geestelijke Verzorging dus, letterlijk'buitendienst'... buiten dienst-'tijd' althans. En de laatste stap zou dan zijn: eigenlijk kan de burgerpredikant hier ter plaatse dat even zo goed komen doen... daarvoor hebben we toch niet honderden geestelijke verzorgers op rijkskosten nodig! En dan is daar het einde der manoevres voor de dominee, aalmoezenier en raadsman. En tevens, in de praktijk, het einde van elke evangelische begeleiding bij de twintig-jarige in die vreemde en vele vragen oproepende periode waar ons volk hem toe verplicht.
Ik zeg niet, dat het zo zal gaan. Ik zeg dat ik met angstig hart constateer dat dit niet ondenkbaar is. En dat dit tot grote geestelijke schade van onze militairen, onze ruim 30.000 dienstplichtige militairen per jaar kan zijn...
In de derde plaats dreigt de diensplichtige soldaat (met name nu die tot de Gereformeerde Gezindte behoort) meer en meer geestelijk onverzorgd te worden door de bij zijn onderdeel behorende krijgsmachtpredikant. En ook in dit opzicht kan moeilijk iemand een verwijt worden gemaakt, evenmin als dat het geval was ten aanzien van de ouders of ten aanzien van de commandanten. Opnieuw moet ik hier vagelijk verwijzen naar de 'gang van zaken' tegenwoordig, de 'geest' en de 'tand' des tijds of hoe u het ook zou willen noemen.
De krijgsmachtpredikant is (en was altijd al) meestal niet een predikant van zijn eigen kerkgenootschap of gezindte. Hij kan een predikant zijn uit een totaal ander kerkgenootschap en van een geheel andere richting dan de zijne. Dat op zichzelf kan al enige vervreemding en eenzaamheid in de hand werken. Daar komt bij (wat ik een vreemde toestand blijf vinden), dat een dominee in dienst geheel in zijn eentje, zonder enige begeleiding van een kerkeraad zijn werk verricht. Ongecontroleerd naar de inhoud van zijn boodschap dus. Commaindant, senior- en hoofdlegerpredikant oefenen dan wel controle uit op zijn 'dienstverrichtingen', maar wat de inhoud van zijn lessen, het gehalte van de boodschap aangaat, staat hij volkomen vrij. Dat is en blijft gevaarlijk. Eerder zal een legerpredikant geschorst of althans op de vingers getikt worden wegens anti-militairistische uitlatingen of bijvoorbeeld wegens het weigeren dienst te doen in uniform, dan om 'schriftuurlijke' redenen. Ook dat kan de Christus-belijdende militair zich eenzamer doen voelen. Tenslotte komt daar bij dat hij (vaak in tegenstelling tot de gemeente en het gezin waar hij vandaan komt) in de kazerne met alle mogelijke 'wind van leer' te maken en te kampen krijgt. Hij is een volstrekte minderheid, eenzaam niet zelden. Inderdaad: dat behoort bij het beeld van deze tijd. Voor 1964 waren er geen humanistische verzorgers werkzaam in de armee. Nu reeds ruim 20. Tot voor kort was het ondenkbaar dat hij in aanraking kwam met Hindoes en Mohammedanen. Nu komen die wel op elke kazerne voor. Vroeger waren sex-blaadjes op tafel en naaktfiguren aan de wand taboe. Tegenwoordig is het haast uitzonderlijk als ze ontbreken. Eerst hingen kaartjes in de gangen dat het den militair verboden is godslasterlijke taal te gebruiken; tegenwoordig (hoewel de wet niet gewijzigd is kan niemand zo'n kaartje nog vinden. Niet naar de Geestelijke
(vervolg pag. 165)
Verzorging gaan was vroeger een uitzondering. De rollen zijn in de ruim 20 jaar die ik in het leger dien, naar mijn gevoelen volledig omgekeerd. En de soldaat (voor wie de Geestelijke Verzorging toch gegeven wordt) heeft het er duidelijk moeilijker door gekregen. Is eenzamer en kwetsbaarder geworden.
Ik zeg deze dingen zonder verwijt. De klok is niet terug te draaien. Wel wil ik deze ontwikkelingen niet verbloemen en verzwijgen, maar constateren en met de vinger aanwijzen. Opdat wij ons geen rad voor de ogen (laten) draaien, als zou de militair het tegenwoordig allemaal zoveel gemakkelijker hebben dan eerst. En ook opdat wij allen zowel ouders als commandanten alsook geestelijke verzorgers niet aan de eenzame geestelijke verkommering voorbij zouden gaan waarin menig militair stilzwijgend verkeert. Opdat (bovenal) wij de kracht en de sterkte des Heeren in zouden roepen, dat die onze zwakheid en machteloosheid vervulle. Misschien is deze zorgvolle ontwikkeling ook wel nodig. En nuttig. Als die ons terugbrengt tot Hem van Wie alleen onze hulp kan komen. Als die ons minder op mensen en meer op God Zelf terugwerpt. Op Hem, die tot Petrus zeide: 'Maar ik heb voor u gebeden... dat uw geloof niet zou bezwijken. ..' En die gisteren en heden Dezelfde is... en zelfs tot in eeuwigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's