Hy droech onse smerten
T en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten, Noch die verradelijck u togen voort gericht. Noch die versmadelijck u spogen int gesicht. Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten.
Ten sijn de crijchs-luy niet die met haer felle vuysten Den rietstock hebben of den hamer opgelicht, Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht, Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:
lek bent, ó Heer, ick bent die u dit heb gedaen, lek ben den swaren boom die u had overlaen, Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden.
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech. De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech: Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.
(Revius)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1977
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1977
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's