Uit de pers
Gedurende het najaar van 1976 gaven een aantal geleerden in de rubriek 'Rondom het Woord' radiolezingen over het thema 'Techniek en Samenleving'. In verschillende van deze beschouwingen werd aandacht gegeven aan de toenemende vertechnisering van de maatschappij als een bedreiging voor het menselijk welzijn. In het tijdschrift Rondom het Woord (van februari 1977) zijn deze lezingen gebundeld. O.m. komt daarin aan het woord dr. C. Aalders die erop wijst, hoe het optimisme ten aanzien van de opkomende technificering van de maatschappij bij velen heeft plaatsgemaakt voor de ontdekking van de steeds duidelijker aan de dag tredende demonische trekken van een zich vertechnificerende wereld. Aalders ziet een samenhang tussen de technische levenshouding en het wetenschappelijk rationalisme, dat juist in de westerse wereld zijn aanhangers telt. Dit wetenschappelijk denken is in vele gevallen bezig zich te verabsoluteren en verdraagt geen andere benaderingen van de werkelijkheid naast zich. 'In zijn technische wetenschappelijkheid heerst hij over de geschapenheid en zoekt hij ononderbroken naar het geheim van de schepping zelf' (blz. 40). De vraag die Aalders bezighoudt is: hoe beleeft de mens aan wie in Gen. 1 : 26, 27 zo'n grote opdracht gegeven is, zijn verantwoordelijkheid? Aalders is niet blind voor de betekenis van de techniek voor de samenleving, maar kant zich scherp tegen de verabsolutering van 'dé wetenschap', voor wie de 'werkelijkheid' niet bestaat. Hij schrijft: De wetenschap houdt zich bezig met een schijnwerkelijkheid en de techniek probeert die schijnwerkelijkheid een schijn van werkelijkheid te geven' (blz. 41).
De techniek en de school
Wij zijn, aldus Aalders, niet uitgeleverd aan een blind noodlot. Wij dragen schuld aan de ontwikkeling der dingen. Hij citeert in dit verband Deut. 30 : 19, de woorden over de zegen en de vloek, en de oproep: kies dan het leven! In dat verband schrijft hij:
Wij verkeren in dezelfde situatie. Daarom kozen wij als titel voor deze beide beschouwingen: Bewaking van het bewustzijn is noodzaak. Dat betekent echter niet alleen een pleidooi voor een dieper doordachte en moreel meer verantwoorde massabeïnvloeding door de communicatie-media (wat op zich overigens bitter nodig is), of een radicale zuivering van het reclame-wezen. Dat zijn in wezen allemaal slechts uitvloeisels van de eigenlijke beïnvloeding van het bewustzijn.
Die voltrekt zich, hoe we het ook wenden of keren, in feite in onze inrichtingen van onderwijs - van de lagere school af tot de universiteit toe. Zonder deze onderwijsinstellingen zou de macht van scientifio thinking (dus de macht van de rationalistisch-wetenschappelijke 'wereldbeschouwing en wereldwaardering) nooit die overweldigende vorm hebben gekregen, die wij in onze tijd beleven. Het klinkt misschien wat hard en ongenuanceerd en toch ligt het klaar aan de dag: de schuld ligt vooral bij de school. Dat de kerk en het gezin er ook bij betrokken zijn, zal niemand ontkennen. Maar het is de school die tenslotte aan het bewustzijn van de enkeling en van de gemeenschap zijn vorm geeft. Het is waarachtig niet zonder reden dat elke totalitaire staat het meest geïnteresseerd is in het schoolwezen. Dat is mijn wantrouwen tegen de huidige minister van onderwijs, dat hij van de school tenslotte toch een medium voor indoctrinatie zal maken. Het is een uitermate hachelijke zaak, om het bewustzijn werkelijk zó te bewaken, dat de jonge generatie niet in een bepaalde ideologie wordt geconditioneerd - niet in een politiekeconomische, ook niet in een wetenschappelijktechnische, zelfs niet in een metafysisch-religieuze ideologie! Het evangelie van Jezus heeft een perspectief van vrijheid geopend dat alle conditioneringen en indoctrinaties - als het goed is - ver achter zich laat. Want Zijn evangelie houdt de negatie in van elke vorm van zelf-verabsolutering (technisch, politiek, filosofisch en religieus), want het eist 'zelfverloochening'; en het houdt tevens in een aandachtige toewending naar de ander om te begrijpen en tot zijn recht te laten komen (zoals Paulus schrijft: 'de één achte de ander uitnemender dan zichzelf' - dat is de 'agapè' of christelijke gezindheid). Wie in deze grote innerlijke - én uiterlijke! - vrijheid mag opgroeien, kan zijn bewustzijn vormen tot waarachtig onderscheidingsvermogen, zoals alweer Paulus dit onder woorden brengt in het begin van zijn onvolprezen Brief aan de Philippenzen.
Hij zegt daar: Dit bid ik, dat uw agapè (liefde) voortdurend overvloedig mag zijn in helder inzicht en in alle fijngevoeligheid (sensitiviteit), opdat gij kunt onderscheiden waarop het werkelijk aankomt' (1:9)!
Aalders spreekt hier van een zeer ingrijpende overgang. Een sprong uit de magische zielehouding in die van het geloof. We moeten andersom leren denken, voelen en willen. Het zal er z.i. om gaan dat we de schijnzekerheden van de materialistische denktrant en levenstrant durven prijsgeven om iets terug te vinden van de vrijheid van het bijbelse geloven. Wij zullen de moed moeten hebben ons te bekeren. Bewaking van het bewustzijn kan niet zonder het gebed om de Heilige Geest. Het leek me goed deze uiterst waardevolle gedachten door te geven. Mogelijk als een aansporing aan deze en gene zich te verdiepen in de beide laatstverschenen nummers van genoemd tijdschrift. De zaak is ten volle onze aandacht waard.
Is de kerk te eng?
Dat is de vraag die ds. M. Groenenberg stelt in Hervormd Nederland van 19 maart, in zijn rubriek 'Groen bekeken', naar aanleiding van het vertrek van ds. W. C. van Dam uit Vlaardingen. Deze predikant, bekend om zijn publikaties over de demonen en de bevrijding uit de macht van de boze, heeft zijn predikantschap neergelegd. Waarom? Ds. Groenenberg schrijft:
Dat het toch tot beëindiging van zijn predikantschap is gekomen, vond zijn oorzaak in het feit dat ds. Van Dam zich ging concentreren op één geval. Een vrouw die al vaak onder psychiatrische behandeling was geweest, maar van wie hij overtuigd was dat hier een demonische bezetenheid in het spel was, nam zijn aandacht volkomen in beslag. In haar stuitte hij op de verschrikkelijke realiteit van het rijk der duisternis. Hij zag haar als iemand aan wie de macht van Jezus Christus zichtbaar zou worden, ook al zou de strijd zwaar zijn. Inderdaad werd die strijd zwaar en hij hield geen tijd meer over voor andere mensen en ander werk. Hij ging ertoe over deze vrouw in zijn huis op te nemen en de pastorie werd het geestelijke strijdtoneel vol spanningen, waarin anderen het niet uithielden. Ds. Van Dam wist natuurlijk wel, dat hij op deze wijze nagenoeg alle ambtsplichten verzaakte die hij in zijn gemeente had aanvaard, maar alles moest wijken voor de onmiddellijke opdracht van God: de bevrijding van dit mensenleven uit de macht der demonen.
De kerkeraad die zich uitstekend opstelde, meende tenslotte toch, dat de enige weg was, dat ds. Van Dam vertrok. En dat betekende in feite, dat hij zijn ambt zou neerleggen, want welke gemeente binnen de hervormde kerk zou hem beroepen? Dat werd dan het slot. Tragisch omdat ds. Van Dam toch juist vond, dat hij in die concrete strijd tegen de demonen pas ten volle zijn ambt als dienaar van Jezus Christus uitoefende. Hij onderstreepte ook, dat de zekere overwinning de gemeente ook ten goede zou komen, omdat de doorbraak van de macht van Christus in dit ene mensenleven een stroom van bevrijding en vernieuwing in de gemeente zou meebrengen. Hij beriep zich daarvoor op de strijd die Blumhardt twee jaar lang had gevoerd om de bevrijding van Gottliebin Dittus. En op de opwekking die daar weer het gevolg van was.
Ds. Groenenberg staat zelf nogal kritisch tegen de opvattingen en pastorale, aanpak van ds. van Dam, omdat Groenenberg van mening is dat het grote gevaar bestaat het geloof in de demonen erdoor te versterken, terwijl het juist gaat om bevrijding uit de macht der duisternis door de verkondiging van het Evangelie. Ik heb de indruk dat Van Dam zich in deze kritiek niet zal herkennen, omdat hij zal zeggen: Ook mij gaat het, evenals Blumhardt om die bevrijding. Wat Blumhardt betreft, Groenenberg schrijft daarover:
Blumhardt werd in 1838 predikant in Mottlingen, een dorp aan de rand van het Zwarte Woud. Het was wat je noemt een dooie boel in die gemeente. De gemeente sliep letterlijk als hij op de preekstoel stond. Dat er veel bijgeloof in de gemeente heerste, hingen de mensen de jonge dominee niet aan de neus. Ook hier werd alles voor Blumhardt concreet in één mensenleven, dat van het meisje Gottliebin Dittus. In het armelijke huisje waarin zij woonde, deden zich allerlei vreemde verschijnselen voor. Zij viel ook telkens flauw en hoorde vreselijke stemmen. Blumhardt was ervan overtuigd, dat hier de macht van de boze duidelijk zichtbaar was.
Ook hij ging de strijd aan, die twee jaar duurde. Daarbij sprak hij de bekende woorden: Wij hebben lang genoeg gezien wat de duivel doet, nu willen wij ook zien wat Jezus kan. Op het kerstfeest in 1843 kwam de bevrijding. Met een stem, die nauwelijks iets menselijks meer had, riep het meisje: Jezus is overwinnaar! Dat is ook het woord gebleven waaronder al het werk viel dat Blumhardt later heeft gedaan. Dat merkt u ook aan gezang 297 in het Liedboek, dat een lied van Blumhardt is. Inderdaad kwam er toen een geestelijke doorbraak in de gemeente. Het werd een tijd van boete en bekering. Mottlingen werd ook een middelpunt van opwekking en het merkwaardige is, dat dat zich in onze eeuw heeft herhaald.
Wat mij bezighoudt is dit: we vinden bijna allemaal Blumhardt een geweldig man, die we erg hoog hebben. Ik heb dat ook, hoewel ik altijd het gevoel heb gehad, dat Gottliebin Dittus een sterk hysterisch meisje is geweest. Dat is ook een soort geestelijke ziekte waar we moeilijk raad mee weten. Maar ik durf niet te spreken van bezetenheid. Zelfs niet als de verschijnselen van schuimbekken en gillen daarop schijnen te wijzen. Dat is dan voor mijn besef gewoon een lekenoordeel.
Maar dat Blumhardt anders oordeelde, kwam omdat de medische wetenschap nog maar alleen het lichaam zag en psychologie en psychiatrie nog niet bestonden. Maar toch blijft voor mij de figuur van Blumhardt en ook zijn strijd om de bevrijding van Gottliebin Dittus bijzonder boeiend. Ds. Van Dam zal dat niet voldoende vinden. Maar hoe het ook zij, het lijkt mij moeilijk ds. Blumhardt en zijn strijd om een mensenleven geweldig te onderstrepen en ds. Van Dam ambtelijk geen plaats te geven in de kerk. Ze deden en doen hetzelfde. Vallen we niet onder het oordeel van Jezus: Gij bouwt de grafsteden der profeten, maar uw vaderen hebben hen gedood? We kunnen de dode Blumhardt vereren en de levende ds. Van Dam verzoeken zijn ambt neer te leggen. Daar wringt iets.
Val ik de kerkeraad nu af? Nee, in de gegeven situatie kon deze niet anders doen dan hij deed. Ik geloof ook niet, dat Blumhardt zich zo volkomen heeft geïdentificeerd met Gottliebin Dittus dat al het andere werk dat hem was opgedragen stil kwam te liggen. Maar wel bedoel ik, dat er in dergelijke situaties binnen de kerk geen mogelijkheden bestaan, dat iemand toch predikant kan blijven.
We komen hier terecht in een complex van vragen. Niet alleen de vraag of de kerkeraad zo en niet anders moest handelen - een vraag die als je de achtergronden niet kent, moeilijk te beantwoorden is - maar ook de vraag: wat zegt het N.T. over de bevrijding uit de macht der demonen? Wat is de rol van het demonische in verschijnselen waar ook de psychiatrie vandaag de dag zijn oordeel over heeft? In hoeverre mag men hier spreken van bezetenheid? Ik heb het gevoel dat we deze vragen vaak nauwelijks de aandacht geven die ze verdienen. Destijds heeft Brillenburg Wurth er een waardevol boekje over geschreven. Maar juist door de publikaties van ds. Van Dam zou deze kwestie weer opnieuw voorwerp van bezinning zijn. Eén ding staat vast: we zullen oog moeten hebben voor de verwoestende macht van satan in allerlei verschijnselen. En voor de prediking van de verlossing door Jezus Christus. Zou Marcus 9 : 29 bij ons niet vaak een vergeten tekst zijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's