Verlichting en Modernisme
Woord en Geest
(4)
Ongeveer aan het eind van de periode die ons als tijd der Verlichting in eigenlijke ziri bezighield, staat Hegel (1770-1831). Bij hem ontstaat een wijsbegeerte van de godsdienst, waarin de aanzetteavan de Verlichting en wat wij dan haar 'wijsbegeerte' noemen, tot volle ontplooiing komen. De Idee wordt door Hegel als de ontwikkeling van de Geest in de mens, in de natuur en als absolute Idee omschreven.
Hegel en de afsluiting van de Verlichting
Men kan ook zeggen: alles wordt religieus geladen, zoals bij Spinoza aan het begin van de Verlichting. De godsdienst neemt naast de wijsbegeerte in deze laatste faze een plaats in, maar er is niet een andere openbaring van God dan in de werkelijkheid waar mens en natuur deel van uitmaken. De zuivere Idee is de wereldrede, en de werkelijkheid is gelijk te stellen met het denken: zij is namelijk de Idee die zich verwerkelijkt. Weer valt het ons op dat deze wijsbegeerte die niet alleen in de negentiende maar ook in het begin van de twintigste eeuw (Bolland) zoveel invloed gehad heeft, en die wij met idealisme aanduiden, zich verre distantieert van de Openbaring van God in Zijn Woord en de band van de Geest daarmee, maar wel zich moeite getroost om tot in details uit te denken hoe de geest zich beweegt en tenslotte zich tot Idee ontwikkelt door de hele werkelijkheid heen. Anderzijds kan niet ontkend worden dat sommige late Duitse piëtisten als Johann Tobias Beck (1804-1878) en Johann Christian Konrad von Hofmann (1810-1877) getracht hebben Hegels gedachten over Geest en Idee te verenigen met een bevindelijke Schriftbeschouwing. Volgens hen wordt het Rijk van God in de loop der geschiedenis door een telkens nieuwe schepping van geest en lichaam in de weg van een (Organisch groeiproces tot eeuwige voltooiing gevoerd. De geschied-filosofie heeft dan betrekking op de heilsgeschiedenis, waarin behalve enkelingen en wat God in en aan hen doet, ook hele verbanden van wereld en natuur en samenleving worden betrokken.
Van Uberale kant is er tegen deze piëtistischhistorische beschouwingen ernstig geprotesteerd, en wij moeten toegeven dat deze lijn althans niet de hoofdlijn vormt van wat Hegel zelf bedoeld heeft. Wel kunnen wij eruit leren hoe allerlei motieven uit de wereld rondom de piëtisten ook hun eigen opvattingen beïnvloed hebben. Straks zullen wij immers de gedachte van het organisch groeiproces naar eeuwige voltooiing tegenkomen in de Groninger theologie. Wie geïnteresseerd is in de verscheidenheid van piëtistische opvattingen over ons thema, verwijzen wij naar Hermann Bauch, Die Lehre vom Wirken des Heiligen Geistes im Frühpietismus.
Het is duidelijk dat in haar Oorsprong de Verlichting de verhouding tussen geest van de mens en hogere Geest tot uitgangspunt koos, en dat de brede stroom van veranderingen en ontdekkingen dat begin verbreidde tot alles wat met leven te maken heeft. In die hele ontwikkeling is er ook gedurige kritiek binnen de kringen van de Verlichting of althans in zijstromen daarmee annex, op de vereniging van (4) 'geest' tot 'denken', eerst in het naturalisme van Rousseau en later in allerlei occulte stromingen (Fichte, Schopenhauer, Boehme). Maar in één opzicht bleef het redelijk Europa met het naturalistische en idealistische en zelfs mystieke Europa verbonden: de lijn liep tussen geest en Geest, en niet tussen Woord en Geest. De vraag in hoeverre de wortels van het Piëtisme en van het Réveil (Swedenborg, Mme De Kriidener) een mystiek betreffen, welke niet onder dit oordeel valt, is niet met een simpel 'ja' of 'neen' te beantwoorden. Wel is duidelijk dat met het Réveil een andere relatie tussen gees, Geest en Openbaring naar voren komt dan in de lijn van Verlichting naar Modernisme.
Konklusies
Voor het eerste gedeelte van de periode die wij onder dit aspekt hadden te benaderen, kunnen wij uitstekend terecht in het proefschrift van de zendingsarbeider J. A. B. Jongeneel, Het redelijke geloof in Jezus Christus. Hij maakt ons duidelijk dat de Verlichting zich kritisch tegenover de Bijbel als het voornaamste instrument van Gods Openbaring en als principe en fundament van alle christelijke leerstellingen opstelde. Zij verwerpt het strenge onderscheid tussen kanonieke en apokriefe geschriften, die immers haar inziens beide produkten zijn van de menselijke geest, maakt in sommige gevallen onderscheid tussen het Woord van God en de Heilige Schrift - een onderscheid dat evenmin aan het verleden (Coccejaanse school) als aan de toekomst (dialektische theologie (vreemd is - benadrukt meer de verscheidenheid dan de eenheid der Schriften en accepteert evenzeer de (inhoudelijke) Schriftkritiek als de (schijnbaar formele) tekstkritiek. Spinoza beweert dat de methode om de Schrift te verklaren, geen andere is dan die welke voor de verklaring van de natuur geldt, en anderen misbruiken de allegorese om zich bijvoorbeeld te ontdoen van de feitelijkheid der wonderen in de Bijbel.
Wat de Evangeliën betreft, konkludeert Jongeneel dat, terwijl het openbaringsgeloof aan hen goddelijk gezag toekent, de 'Verlichting hen opvat als zuiver menselijke produkten die op dezelfde wijze als ieder profaan geschrift verklaard moeten worden. Hegel schrijft bijvoorbeeld in 1795 een Leven van Jezus, een van de vele van dergelijke levensbeschrijvingen van Jezus in die tijd. En in zijn Leven van Jezus laat Hegel bewust uit de Evangeliën al die gedeelten weg, welke aan een redelijk denkend wezen aanstoot geven.
Aangaande de Persoon van Jezus Christus is de Verlichting in haar geheel ervan overtuigd dat het christendom een verbastering is van de leer van Jezus Christus, omdat het ingewikkeld maakt wat eenvoudig was. Goethe meent in dit verband, dat de weerkerende Christus Zijn geest op aarde uitgeblust zal vinden, hoewel er veel christenen zijn en kerken staan. Een late uitloper van Voltaire's haat tegen de r.-k. kerk: 'Vernietig de eerloze!' De Verlichtting heeft overigens in feite binnen roomskatholieke kringen veel minder kans gehad dan in het protestantisme. Pas in de negentiende eeuw zet de vrijzinnigheid binnen Rome's kerk zich goed door. Rond 1700 werd Christus' betekenis door een wijsgeer uit de Verlichtingskringen gekenschetst als verbreken van de werken van de duivel', d.i. van het veelgodendom, als de oorsprong van een volledige zedeleer; Hij is de leraar van de rechte eredienst, de initiator tot een deugdzaam en vroom leven, en degene die goddelijke bijstand belooft. Deze trekkep blijven volgens Jongeneel het Jezusbeeld van de Verlichti; ig in hoofdzaken bepalen, ook later.
Is er geen betrekking tussen Jezus Christus en de Geest in de wijsbegeerte(n) van de Verlichting? Ja, maar zó dat onderscheid wordt gemaakt tussen de historische Jezus en de eeuwige Christus, vooral in de periode na 1800. De eeuwige Christus wordt dan met de Rede gelijkgesteld, en alszodanig moet Christus in mij geboren en geopenbaard worden tot zaligheid. In dit soort omschrijvingen ontbreekt dus zelfs de mystieke tendens niet. Het is net zo'n mengeling van faktoren als de gnostiek kende in het vroege christendom. Ook daar ontbrak het mystieke element niet, en ook daar werd Christus gelijkgesteld met de Logos, vooral haar de kant van de boven het menselijke verstand verheven rede. En ook daar werd de verwantschap van de mens met Christus en het Goddelijke in het algemeen via de geest (noes) en de Logos benadrukt.
Voor een vaste relatie tussen de Schriften als gezaghebbende oorkonde van Gods Openbaring en de Geest Die van de Vader en de Zoon uitgaat, is in de Verlichting geen plaats. Daarvoor had de Verlichting immers de mens en de werkelijkheid teveel centraal staan, en bovendien overheerste in de Verlichting, vooral in haar oorsponkelijke vorm, het individualistische en anti-kerkelijke karakter. Christus - aldus Jongeneel, - Gods eniggeboren Zoon, de goddelijke Logos, de eeuwige wijsheid in haars inziens de eeuwige rede die in alle mensen, woont, zij het in de een meer dan in de ander.
Noordhorn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1977
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1977
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's