De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rondom het beroepingswerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom het beroepingswerk

Pastorale overwegingen

5 minuten leestijd

In de pastorale rubriek ook eens aandacht geven aan het beroepingswerk, is, naar het ons voorkomt, een goede zaak. Vandaar, dat we nu in een paar artikelen willen ingaan op enkele vragen, die telkens weer om de hoek komen kijken, als een gemeente vacant raakt en de kerkeraad voor de taak staat om een predikant te gaan beroepen. Wat we erover schrijven, wil niet meer zijn, dan een poging tot pastorale handreiking op een terrein, waarop onze ambtsdragers nogal eens met grote zorgen zitten.

Is de ligger in orde?

Eerst dan maar de meer financiële kant van de zaak. Om te kunnen komen tot een beroep, moet in ieder geval immers de ligger in orde zijn, dat wil zeggen een door de Provinciale Kerkvergadering goedgekeurde en door de plaatselijke kerkvoogdij getekende verklaring met betrekking tot de rechten en verplichtingen, die verbonden zijn aan de predikantsplaats. Een predikantsplaats en het beroep van een dominee zijn gebaseerd op een bij generale regelingen vastgestelde basis. De gemeente is dan ingedeeld in groep I, II, III of IV, al naar gelang de geraamde draagkracht. Dat wil zeggen, dat het basistractement van de predikant niet overal gelijk is. Dat is een begrijpelijke zaak. Wanneer immers elke gemeente, ook de minst draagkrachtige, een in alle opzichten aan de eisen van de tijd aangepast salaris zou moeten opbrengen, zou een flink aantal gemeenten aan het beroepen van een predikant niet meer toe komen. Trouwens het tractement in de hoogst genummerde groep (groep IV), ook al ligt het dan enkele duizenden guldens lager dan dat van groep I, kan geacht worden een inkomen te zijn, op grond waarvan een predikantsgezin zonder al te veel zorg kan rondkomen.

Naast de minimum aanvangswedde bevat de ligger ook nog andere posten. Voor de langer bestaande predikantsplaatsen een (zeer geringe) uitkering vanwege de Staat der Nederlanden, inkomsten uit pastoralia soms. Verder uitkeringen uit de plaatselijke kerkvoogdijkas voor A.O.W./A.W.W.-premiebetalingen door de predikant, een vacantietoeslag, verhuiskosten, administratiekosten, een (gedeeltelijke) betaling van de premiekosten ziekteverzekering, enz. We zwijgen daar nu verder over. Ook over de inkomsten, die de predikant heeft uit de Generale Kas (met progressiviteit al naar gelang de dienstjaren) en die hij kan hebben uit preekbeurten, elders vervuld (uiteraard niet op de ligger vermeld).

Vaak komen op de ligger echter ook vergoedingen voor, die als extra toelagen boven het basistractement door de plaatselijke kerkvoogdij worden uitgekeerd, eveneens een autovergoeding (soms inclusief de auto zelf). En dan is er natuurlijk ook het huis. Vooral wat de laatste punten betreft zijn er heel wat variaties. En mede daardoor zijn er in de praktijk nogal wat verschillen wat betreft het inkomen en de leefsitiuatie van de predikanten. De vraag is gesteld, of dat wel juist is. Een begrijpelijke vraag. Een meelevende en rijke gemeente, die er een behoorlijke schep bovenop doet, zou de indruk kunnen wekken, dat zij best een dominee kopen kan. Een beroep naar zo'n gemeente met een zo aantrekkelijke financiële kant en met een paleis van een huis, zegt wel wat. Een dominee is ook maar een mens.

Van Godswege geroepen? !

Om met het laatste te beginnen: ook predikanten zullen ook inzake hun overwegingen ten aanzien van een beroep als goddelozen gerechtvaardigd moeten worden.Dat vooropgesteld. John Bunyan tekent ergens in zijn Christenreis het beeld van een herder en leraar die een beetje beter probeert te gaan preken om beroepen te kunnen worden in een gemeente, waar hij hoger gesalarieerd wordt. Zo zal het voorkomen! Maar wat een arme man is een dominee die uit zulke motieven naar een gemeente gaat. Hij kan beter met zijn gezin wat aan de krappe kant moeten leven onder de gunst van God dan dat hij om den brode naar elders vertrekt, terwijl hij zichzelf streelt met de gedachte, dat het nuttige ook wel met het aangename verenigd mag worden. Valt een dienaar des Woords, die coram Deo (voor het aangezicht van God) bezig is met een beroep, niet met al zijn overwegingen er tussenuit, zodat hij, als God het vraagt, zijn rust, zijn welvaart, zijn positie in een grotere gemeente er aan geven wil, om slechts te gaan, waar de Heere hem heenzendt? Dat zijn geen vrome verhaaltjes. Dat is ervaring van iedere ge­ trouwe dienstknecht van God. En God heeft in, die weg ook altijd voor hun gezinnen gezorgd.

Matigheid

Toch is de vraag terecht, of de kerkeraden/ kerkvoogdijen er goed aan doen om hun (te beroepen) dominee in vergelijking met zijn collega's elders zo in de watten te leggen. Paulus wilde zelf niet leven op kosten van de gemeenten, maar gaf de raad om een dorsende os niet te muilbanden. Wie in de wijngaard werkt, zal, de één wat meer, de ander wat minder, van de vruchten proeven. Maar laten onze kerkeraden/kerkvoogdijen ook wat de extra salariëring van de dienaren des Woords betreft, de matigheid betrachten. Soberheid heeft altijd nog wat te maken met onze christelijke en kerkelijke levensstijl. Laten zij andere gemeenten, die minder draagkrachtig zijn, niet overtroeven. Hun dominee hoeft niet zo verwend te worden, dat hij er, wanneer hij later een beroep aanneemt, altijd op achteruitgaat. Laat die dominee de kans om ook te kunnen dienen in een gemeente, waar alle eindjes aan elkaar geknoopt moeten worden om het tractement bij elkaar te brengen. Wij moeten als predikanten bereid zijn om de teruggang in het kerkelijk leven van ons land ook in zijn financiële konsekwenties te dragen. Ook dan zullen wij moeten dienen met vreugde. Laten kerkvoogdijen en predikanten ook bij de bouw en de inrichting van een pastorie de soberheid betrachten. Het hoeft geen paleis te zijn, waaraan geen kosten bespaard werden. 'Als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmee vergenoegd zijn' (1 Tim. 6:8). Een welvarende gemeente houdt op die manier wellicht ook nog wat over om een arme gemeente te helpen. Waarom zou dat niet kunnen? Er zijn genoeg kleine gemeenten met grote zorgen. C. den Boer grote zorgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Rondom het beroepingswerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's