Er binnen of er buiten?
Een vraag aan dr. H. Bartels
In het blad De Waagschaal schreef dr. H. Bartels, scriba van de PKV Utrecht, o.a., het volgende;
In de gemeenteopbouwtijd van de veertiger en vijftiger jaren is het besef van saamhorigheid in de hervormde kerk zo gegroeid, dat de richtingstegenstellingen hun scherpte verloren en er een klimaat groeide, waarin de eenheid (.) niet meer als tegenstellingen werd beleefd. (.)
Met vallen en opstaan lukte het op deze basis de structuur van de hervormde kerk op te trekken, waarin wij zouden leven 'in gemeenschap met' - verbondenheid met én voortbouwen op - 'de belijdenis der vaderen'. Zo is de kerkorde van 1951 inderdaad een mijlpaal geworden, ook omdat in dit proces en in deze structuur alle richtingen van vroeger - randkwesties daargelaten - opgenomen en meege nomen werden; - met één uitzondering: de gereformeerde bond. Deze wil belijden niet 'in gemeenschap met', maar 'in overeenstemming met' de belijdenis der vaderen. Dus niet voortbouwen op, maar geheel blijven binnen het kader van de zestiende-eeuwse belijdenisgeschriften. En daardoor ook in andere opzichten b.v. van liturgie, moraal - zoveel mogelijk blijven op oude paden. De dubbelsporigheid van gemeenteopbouw werd in deze groep niet opgenomen, men bleef éénsporig. (.)’
Conclusie
Eén van de conclusies van dr. Bartels is dan, zij het dat hij het nog even als een 'voorlopige' conclusie stelt: 'de gereformeerde Bond is geen variant binnen de Hervormde kerkopvatting-1951 maar een wezenlijk andere conceptie’.
Gelukkig stelt dr. Bartels niet, dat de Gereformeerde Bond geen variant is binnen de hervormde kerkopvatting als zodanig, maar binnen die van 1951. De spanning, die er ligt tussen de hervormde kerkopvatting in de zin van de reformatie en de hervormde kerkopvatting van 1951, blijft immers de spanning binnen ons Hervormd kerkelijk leven bepalen. De vraag mag wel gesteld of dr. Bartels, als hij in een andere conclusie in feite een pleidooi voert voor gemeenten van verschillende kleur binnen één kerkelijke gemeente (dus niet meer onder één centrale kerkeraad) en dus in feite de hotelkerk verdedigt, met deze positiekeuze binnen een hervormde kerkopvatting in de zin der Reformatie een plaats kan hebben.
Concrete vraag
Maar een concrete vraag dringt: als dr. Bartels dan concludeert, dat wij een andere kerkopvatting vertegenwoordigen dan die van 1951, staan wij er dan binnen of staan we erbuiten? Ik bedoel: mogen wij (in zijn visie) dan nog een plaats hebben in de Hervormde Kerk, waar toch de kerkorde van 1951 functioneert? Of wil dr. Bartels zeggen: maar liever erbuiten? Trekt hij deze laatste conclusie niet dan moet hij wél gaan pleiten voor een andere kerkopvatting dan die van 1951. Trekt hij die conclusie wel dan willen we dit toch wel graag horen! Ons beroepend op de Hervormde kerkopvatting in de zin der Reformatie zullen we overigens uit zulk een conclusie nog niet onze consequenties trekken.
Wat ons betreft mag dr. Bartels in deze kolommen onze lezers duidelijk maken wat hij nu eigenlijk bedoelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's