De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

15 minuten leestijd

Zondebesef in onze tijd

In het Centraal Weekblad van 28 mei 1977 stelt Prof. dr. K. Runia de vraag aan de orde: Zijn wij de generatie van de 'pekelzonden'? Het woord 'pekelzonde' betekent onder meer een kleine, geringe zonde, die men niet hoog moet aanrekenen. Uitgaande van die betekenis, is Runia van oordeel dat het zondebesef in onze tijd sterk is uitgesleten. We leven en doen alsof onze zonden weinig anders zijn dan pekelzonden, waar je je maar niet het hoofd over moet breken.

Vooral bij jonge mensen kom je deze houding tegen. Het laatste nummer van Weerwoord, het jeugdblad dat uitgegeven wordt door het (Hervormde) Christelijk Jongeren Verbond en het Landelijk Centrum voor Gereformeerd Jeugdwerk, is een themanummer over het onderwerp: 'Jongeren over hun geloof. Een van de eerste artikelen is van een jonge onderwijzeres (21 jaar) uit Utrecht. In alle openheid en eerlijkheid vertelt ze over haar geloof. Het hele verhaal laat duidehjk merken dat het geloof wat voor haar betekent. Maar dan kom je ineens de volgende uitspraak tegen:

‘Ik vind het belangrijker dat je leeft, zoals Jezus heeft gedaan, dan dat je je op zijn kruisdood richt. Die kruisdood schijnt symbolisch te zijn voor de verlossing van zonden. Maar dat hele begrip zonde zegt me niet zoveel. Ik vind dat niet zo'n denderende uitvinding. En je mag het zeker niet als opvoedingsmiddel gebruiken. Jezus zei tegen de Farizeeën ook niet dat ze zondig waren. Hij zei wel: als jullie zonder fouten zijn, gooi dan maar de eerste 'steen op deze overspelige vrouw’.

Verderop in hetzelfde nummer komt een artikel voor van een jongeman uit Haarlem (28 jaar), die de kerk heeft verlaten. In het slot van zijn verhaal vertelt hij:

‘Sinds een paar jaar zit ik bij een alternatieve groep hier in Haarlem, die is opgezet door een hervormd predikant, Dick Groeneboer, en twee Amsterdamse priesters. In die groep vind ik mensen, die net zo over de maatschappij denken als ik, die zich daarvoor willen inzetten. Daar hoor ik geen flauwe verhaaltjes over Onze Lieve Heer en over vergeving van zonden .Wel dat Jezus Christus eigenlijk een revolutionair is. Met elkaar bekijken we hoe Jezus in de maatschappij stond en wat we van zijn voorbeeld kunnen leren...’

Nu zijn dit maar een paar voorbeelden en het zijn voorbeelden van (betrekkelijk) jonge mensen. Maar het verschijnsel is zeker niet tot jonge mensen beperkt. Je komt dezelfde instelling ook bij veel ouderen tegen. Als je met hen praat heb je ook het gevoel dat het begrip zonde nauwelijks meer iets voor hen betekent.' Het is een zaak aan de marge van hun leven geworden.

Hoe komt dit zo? Runia laat zien, dat er een historisch-culturele kant aan zit. Veel dingen, die we vroeger als erg beschouwden verbleken tegen de donkere achtergrond van alle ellende die we in en na de tweede wereldoorlog vaak op grote schaal meegemaakt hebben en meemaken. Er is ook een theologisch aspect, zo u wilt een geestelijke factor in het spel. Runia wijst in dat verband op het vervagend Godsbesef. Anders gezegd: Waar het gebod van God hoe langer hoe vager wordt, daar slijt ook het zondebesef uit. Onze tijd legt een sterk accent op de naastenliefde. Toch kun je de vraag stellen: speelt het gebod van God nog een rol in ons leven?

En toch krijg ik vaak het gevoel dat het allemaal veel te algemeen blijft en veel te weinig concreet wordt. In de Tien Geboden wordt het zeer concreet ingevuld en dan wordt het eigen leven meteen onder een zeer concrete norm gezet. Als ik mijn ouders (en de Catechismus breidt het zeer terecht uit tot allen die over mij gesteld zijn) niet eer en gehoorzaam, dan doe ik hun kwaad en zondig ik tegen hen en tegen God. Als ik steel (in welke vorm ook!), dan doe ik mijn naaste tekort, dan zondig ik tegen hem en tegen God. Enz., enz. Leest u het maar eens na in de Catechismus, de Zondagen 34-44. Daar worden de dingen zeer concreet ingevuld.

Wat is daar vandaag nog van over? Wat is er nog van over in de prediking? Blijft het niet vaak in algemeenheden steken? En is er tegelijk niet de tendens om allerlei zaken, die vroeger als zonden gezien werden, via allerlei psychologische verklaringen 'begrijpelijk' te maken, met als gevolg dat het persoonlijk geweten heel gemakkelijk buiten schot blijft? Is het dan een wonder dat zondebesef een vrij schaars artikel wordt op de markt van het christelijk en kerkelijk leven?

We lopen m.i. inderdaad het gevaar dat we de generatie van de pekelzonden worden; mensen die beslist niet zullen ontkennen dat er wel wat aan hun leven mankeert, maar die nauwelijks meer persoonlijk echt beleven dat ze schuldig staan tegenover God.

Ik denk dat dit ook het geval is met de jonge vrouw wie we aan het begin van dit artikel citeerden uit Weerwoord. Ik ben ontzaglijk blij dat God voor haar een krachtbron is en dat ze kracht put uit haar geloof. Maar ontbreekt aan haar geloof niet een diepte-dimensie die men in de Bijbel juist telkens weer tegenkomt? Of je nu het Oude of het Nieuwe Testament leest, je komt ze telkens weer tegen: mensen die zo onder de indruk zijn van de grootheid en heiligheid van God, dat ze in ontzetting voor Hem neervallen. En juist dan, op zo'n moment van het diep doorleven van eigen onwaardigheid, doen ze de grote ontdekking dat deze God een vergevend God is.

Wie eigenlijk niet veel van de 'verlossing der zonden' begrijpt, heeft het echte en diepste geheim van de bijbelse Godsopenbaring nog niet begrepen.

Ligt achter veel van onze problemen van vandaag niet het niet meer zien van het bijbelse beeld van God? Hebben we God niet 'gehumaniseerd', gesneden naar onze menselijke maat?

Uit dit artikel blijkt duidelijk dat de neovrijzinnige theologie van de laatste tientallen jaren niet alleen maar een studeerkameraangelegenheid is, maar ook doorwerkt in de ethiek. Ethiek en dogmatiek hebben uiteraard veel met elkaar te maken. En met ethiek bedoel ik dan in dit verband maar niet een bepaalde wetenschap, maar de levenspraxis. Runia's artikel stelt belangrijke vragen aan de orde Ze raken ook direct de prediking. Hoe komt het gebod van God in de prediking aan de orde? Wat betekenen woorden als zonde en vergeving? Runia wijst ook op de Catechismus. Terecht! Want grondige catechismusprediking stelt nu juist die zaken aan de orde die de schrijver in dit artikel signaleert. Ik schrijf dit alles in de week na Pinksteren. Handelingen 2 vertelt van een grote menigte mensen die onder de aanklacht van de Heilige Geest verslagen werden in het hart. Dat is precies het tegenovergestelde van de uitlatingen, die Runia in het begin van zijn artikel citeerde. Lijdt onze tijd aan een uitsluitend zondebesef? Als we niet gerust zijn over het antwoord, laten we dan bedenken dat de Heilige Geest is uitge­ stort om ons in alle waarheid te leiden. De diepte-dimensie, waar Runia over spreekt, heeft immers alles te maken met Pinksteren.

De Geest en de Kerk

Voor nog al wat mensen vormt die woordverbinding een problematische zaak. Want de Heilige Geest, zo zeggen ze, is God en Zijn werk is goddelijk, maar de kerk is een menselijke organisatie. Wat zou de Geest met de kerk te maken hebben? Staan de Geest en het instituut niet op gespannen voet met elkaar? Vormt zo'n log geheel als een kerk met organisatievormen, kerkordelijke bepalingen, slecht-functionerende kerkeraden en kerkelijke apparaten niet een geweldige rem voor het spontane werken van de Geest? En er zijn ook mensen die zeggen: 'De Geest is van de kerk geweken. Wat zou de Geest kunnen uitrichten in zo'n onheilige kerk? ' Nu is het ongetwijfeld goed om kritische vragen aan het adres van de kerk niet weg te wuiven. Er is veel waar we ons voor moeten schamen. Toch moeten we niet in een onbijbels spiritualisme vervallen. Ds. J. H. Velema laat op bovengenoemde vragen zien hoezeer de Geest en zijn werk op de kerk betrokken is. Hij schrijft in 'De Wekker' van 27 mei:

Als we echter het Nieuwe Testament opslaan en luisteren naar wat daar over de Heilige Geest en de kerk gezegd wordt dan is er geen sprake van enige tegenstellingen tussen de Geest en de Kerk.

De kerk is in het Nieuwe Testament het lichaam van Christus, ja het volk van God en tegelijk tempel van de Heilige Geest. Tussen deze drie is allerminst een tegenstelüng, maar een heilige eenheid. De kerk is het werk van de Drieënige God. Gezien vanuit de Vader is de kerk het volk van God; vanuit de Zoon het lichaam van Christus en vanuit de Heilige Geest de tempel van de Geest. Aan dit volk wordt de Geest gegeven en in dit lichaam werkt de Geest, die haar tot zijn tempel maakt. In Christus-zijn, tot Zijn lichaam behoren, betekent ook in de Geest zijn en onder de heerschappij van de Geest gebracht worden. De Geest is de gave, waaraan allen krachtens hun toebehoren tot het éne lichaam van Christus deel hebben. Maar daaruit blijkt duidelijk dat de Heihge Geest aan de kerk wordt gegeven. Waar Christus is en waar Zijn lichaam is, daar is ook de Heilige Geest, de Heilige Geest werkt niet buiten, maar juist in het lichaam van Christus.

Dat hangt samen met het eigen karakter van de Heilige Geest. Die het werk van Christus, het door Hem verworven heil, tot effect brengt, uitwerkt en uitdeelt aan de Zijnen, die Zijn lichaam zijn.

Men doet niet alleen aan de Geest, maar ook aan Vader en Zoon tekort wanneer men een tegenstelling construeert of praktiseert tussen de Heilige Geest en de Kerk.

De kerk is de woon- en werkplaats van de Geest - de kerk als het lichaam van Christus. Dat is niet zonder meer het instituut van de kerk - toegestemd. Maar het blijkt uit het Nieuwe Testamentduidelijk dat lichaam en instituut geen tegenstellingen zijn. Het lichaam presenteert zich in het instituut.

Ongetwijfeld komen hier spanningen als we denken aan het éne lichaam en de vele instituten, die wij in de loop der eeuwen en der jaren hebben gekregen en gemaakt. Een zaak, die vanuit het Nieuwe Testament niet goed te praten is. Maar er dient wel bij gezegd te worden dat het instituut daarmee zonder meer niet vervalt; alleen onder de klem komt te staan van de worsteling om lichaam van Christus te zijn - daarom mag men nooit een groepje vormen of kerkje spelen.

Het moet altijd weer treffen dat op het Pinksterfeest, toen de Heilige Geest werd uitgestort in de toen reeds aanwezige gemeente, de Geest schriftuurlijk en kerkelijk en ambtelijk werkte: schriftuurlijk, want de Geest doet het Woord spreken; kerkelijk, want de Geest heeft de kerk, het behoren tot de kerk en het leven in de gemeente op het oog en ambtelijk, want de Heilige Geest siert met gaven en stelt de begaafden tot ambtsdragers, van wie de Geest gebruik maakt in de opbouw van het lichaam van Christus.

Waarachtig kerkelijk leven en kerkelijke vernieuwing is alleen te verwachten als wij door de Heilige Geest geregeerd worden. Als we ons binnen de kerk over veel moeten verootmoedigen , moge dat ons te meer dringen tot de bede: 'Kom, Schepper, Geest, bezoek Uw Kerk met al het heil van Christus werk!’

Stemmen uit de Pinksterbeweging(en)

In Opbouw van 27 mei laat Prof. C. Veenhof enkele fragmenten afdrukken uit artikelen die door mensen uit de Pinksterbeweging geschreven zijn. Omdat er ook in dit blad meerder malen aandacht geschonken is aan deze beweging en u er op allerlei manier mee in contact kunt komen, leek het me goed een gedeelte van dit artikel hier over te nemen. Allereerst citeert Veenhof iets uit een artikel van de hoofdredacteur van 'Kracht van Omhoog', de heer J. E. van den Brink. Deze schrijft in antwoord op een vraag over Prediker 7, 20 het volgende:

‘Wanneer iemand begrip wil krijgen van de onzienlijke wereld, waartoe ook het rechtvaardig of zondig zijn behoort, moet hij zich oriënteren op de uitspraken in het nieuwe verbond, en niet op die van het oude waar men geen kennis had van de geestelijke wereld. Het gaat immers over 'wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is' en pas door de prediking van Jezus werd geopenbaard (Matth. 13 : 35). De gelovigen van het oude verbond kenden, en de oudtestamentisch ingestelde christenen van het nieuwe, kennen de denkwereld niet van het evangelie dat Jezus begon te prediken. Het boek Prediker is een typisch voorbeeld van zulk een instelling. Het is geschreven over 'alle daden die onder de zon verricht worden', dus in de natuurlijke wereld. De door de briefschrijver aangehaalde tekst uit Prediker 7 : 20 is een voortzetting van de wijsheid, die 'niet van boven komt', maar die aards is, ongeestelijk, demonisch. Dit laatste wil zeggen: De mens in de macht van de boze geesten houdt en hem niet bevrijd en verlost van de boze’.’...

‘Inderdaad gaat het nieuwe verbond niet uit van de pessimistische beschouwing van Prediker die een discriminatie van de vrouw bracht welke in strijd is met de werkelijkheid van het leven. Zo is het percentage vrouwelijke gevangenen slechts een fractie van het der mannen. Het evangelie van Jezus Christus gaat uit van de optimistische gedachte, dat er een herstel is aller dingen, en dat Jezus ons het grote voorbeeld heeft nagelaten, hoe dit zal gebeuren: het onnutte wordt weer nuttig, het verdorvene wordt weer goed, het geknechte wordt vrij, de lamme begint te lopen, het kromme wordt recht.’

Terecht geeft Veenhof als commentaar dat op deze wijze in één handomdraai het Oude Testament buiten spel wordt gezet. Uit een ander artikel over de 'oude' en 'nieuwe' natuur van de mens van de hand van Peter Bronsveld neemt Veenhof het volgende over:

‘Resumerend kunnen we het volgende stellen: de zonde vindt zijn oorsprong niet in een zondige natuur, die wij van Adam geërfd zouden hebben, maar zij is een gevolg van de breuk in de gemeenschap met God, en van ons 'zijn' in een door de satan overheerste wereld. Zonden, die op bepaalde 'zwakke karaktertrekken' zouden duiden, verraden de aanwezigheid van satanische machten, die op één bepaald punt van het christenleven een bruggehoófd trachten te vormen voor de invasie van meerdere duivelse legerhorden. Wat kan de uitwerking van deze gedachten nu in ons dagelijks leven zijn? Wat betekenen zij in ons streven naar heiligmaking? We willen trachten een drieledig antwoord te geven:

1. Zij accentueert de noodzaak van het vervuld worden met de Heilige Geest. Bij de gedachte aan twee naturen gaat het om datgene wat de mens in zijn nieuwe natuur bezit, om geestelijke waarden die men zich door geloofsworsteling verworven heeft, om een graad van geestelijkheid die men bereikt heeft. Bij bovenstaande opvatting wordt echter het accent gelegd op de voortdurende afhankelijkheid van Gods kracht en op het voortdurend 'eten van de boom des levens'. Het gaat daarbij niet om wat men bezit, maar om waar men zich bevindt: in Gods tegenwoordigheid. De doop in de Heilige Geest en het spreken in tongen, die ons in de realiteit van de 'Hemel' tot voor de troon van God verplaatsen, zijn daarbij onontbeerlijk.

2. De strijd is niet tegen de verworven eigenschappen van de mens, niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Deze verwekkers van ongerechtigheid kunnen we uit ons leven uitwijzen op grond van de overwinning die Jezus op het kruis van Golgotha over hen behaald heeft en door het handelen naar de methode, die Hij ons heeft geleerd: in zijn naam de machten bevelen te wijken en hen door het woord Gods machteloos te maken en te binden.

3. De gedachte aan een oude natuur isoleert de mens van zijn geloofsgenoten en creëert een introvert christendom. De oude natuur is immers iets dat speciaal met het 'wezen' van een bepaalde gelovige verbonden zou moeten zijn. Een ander kan in de strijd tegen deze zwakke 'karaktertrekken' geen enkele hulp bieden en de strijd moet daarom in volkomen eenzaamheid gestreden worden. Waar wij echter stellen dat de verleiding en pressie tot zonde niet uit de oude natuur maar uit de werking van boze geesten voortkomt, kan ook de hulp van anderen ingeroepen worden. Het komt er daarbij immers niet op aan wie in de naam van Jezus de machten uitwerpt’.

Wij hebben er geen behoefte aan met stenente gooien naar de Pinksterbeweging. Maar het is wel zaak dat we allerlei onbijbelse en onreformatorische geluiden in deze kringen onderkennen. Veenhof verwijst in zijn antwoord terecht naar zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus. Was het Kurt Hutten niet die van de secten, o.a. van de Pinksterbeweging zei, dat zij 'nederzettingen zijn bezijden het kruis' omdat de theologie van het kruis met de radicale prediking van het 'door genade alleen' moet wijken voor een 'theologia possessionis', een theologie van het bezit, waarin men een of meer stappen boven de rechtvaardiging van de goddeloze uitkomt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's