De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Pilaar en Kandelaar

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pilaar en Kandelaar

9 minuten leestijd

(1)

Niemand van onze lezers zal de aankondiging in de advertentiekolommen van diverse dagen weekbladen ontgaan zijn van het boek, dat bovenstaande titel voert. De ondertitel luidt: 'aspecten van het kerkelijk leven’.

De redactie van het boek berustte bij ir. J. van der Graaf, de onvermoeide bekwame secretaris van de Gereformeerde Bond. U kent hem ook als iemand, die steeds weer allerlei mensen weet te activeren om bijdragen te leveren aan publicatie's, die min of meer representatief zijn voor hetgeen er aan overtuigingen omtrent verschillende facetten van geloofsleer, geestelijk en kerkelijk leven in deze Hervormd-Gereformeerde kringen gevonden wordt.

Het boek doet onmiddelijk denken aan het in 1959 bij Van Keulen verschenen boek: Roeping en Belofte. Trouwens, in het korte Ten Geleide van Pilaar en Kandelaar is dit ook iets, waarheen in de eerste volzin al verwezen wordt. De ondertitel was toen: 'ons zijn en werken in de Hervormde Kerk'. Het brede, inleidende artikel van prof. dr. S. van der Linde heette dienovereenkomstig: 'Onze plaats en taak in de Hervormde Kerk'. De hele toonzetting van dit artikel was toen sterk georiënteerd op Calvijn, 'de voorlopige kroon op de Hervorming', bij wie naast vastheid van lijn, een grote bescheidenheid gevonden werd, waardoor hij met figuren als Melanchton, Bullinger e.d. met grote fijnheid, rust en bescheidenheid kon omgaan. Calvijn's theologisch denken en practisch handelen in Geneve, in het bijzonder na zijn terugkeer uit zijn driejarige verbanning, geven voor prof. Van der Linde de lijnen aan, die bepalend zijn voor het blijven in de Hervormde Kerk en de houding tegenover de vele 'anderen' daarin. Van der Linde's bedoeling was niet, dat wij zonder meer uitsluitend Calvijn zouden repeteren. Integendeel: 'wij staan met de veranderende maatschappij, de enorme secularitatie in het moderne levensgevoel voor nieuwe problemen’.

De bedoeling was destijds, dat er een twééde deel zou komen van dat werk. Dat werd ook gezegd in het 'Voorwoord' dat ondertekend werd door de hoogleraren Van der Linde en Jonker en de tegenwoordige secretaris van Kerk en Israël ds. S. Gerssen, de toenmalige redactie.

Waarom van dat bedoelde tweede deel onder dezelfde redactie niets meer gekomen is, weet ik niet.

Men zou kunnen nagaan in hoeverre aan de toen uitgesproken behoefte aan een bespreking van de vragen aangaande de benadering van de huidige cultuursituatie, door dit in 1977 verschenen boek enigermate is voldaan. Dan denk ik in de eerste plaats b.v. aan de bijdrage van het echtpaar Hoek-Van Kooten over de medisch-etische spanningen van onze tijd.

Daarin komen practische vragen aan de orde, waar tal van ouders mee 'zitten', vragen, die vaak echt pijnlijke 'geweten' 'vragen' worden. Zo b.v. in verband met anti-conceptie. Is deze nooit geoorloofd? Zijn er geoorloofde methoden? Indien wel geoorloofd (of zelfs geboden), waar lopen de grenslijnen?

Met prof. Velema wordt gekozen voor de aanduiding 'verantwoorde gezinsvorming' inplaats van het meer eigenmachtige 'geboortebeperking' of zelfs 'geboorteregeling’.

Dat situatie-ethiek ethiek wordt afgewezen wil niet zeggen, dat het Woord Gods ons niet zou leren sparende liefde te betrachten in bepaalde situaties.

Vanzelf komen dan ook abortus en euthanasie aan de orde. Meningen van anderen als prof. Douma, prof. Velema, H. M. Kuitert, Roscam Abbing en Lekkerkerker wórden geheel of gedeeltelijk aanvaard of ook radicaal afgewezen.

Uitgangspunt is God de Heere als Bron van alle leven. Wiens leiding blijft staan door alle verwarringen en gebrokenheden van dit leven heen.

Een volgend onderdeel handelt over 'stervensbegeleiding', met sociologische, theologische, medisch-psychologische en christologische gezichtspunten, het laatste met een treffende, korte toepassing van de zeven kruiswonden.

De laatste paragraaf gaat over het vraagstuk van de inenting, waarbij gewezen wordt op Psalm 8 : 7 'Gij doet hem (de mens) heersen over de werken Uwer handen'. Dat geeft die mens de vrijheid om in het geloofde middelen te gebruiken, niet alleen tegen het geen hem getroffen heeft, maar ook tegen hetgeen hem bedreigt.

Ik was hierover wat uitvoerig, juist omdat deze bijdrage één van de verlangens van 1959 vervult.

Dat geldt ook van de bijdrage van de Samensteller, ir. Van der Graaf, getiteld: Kerk-Politiek-Oecumene.

Het thema van de Theocratie gaat hem daarbij zeer ter harte. Voorop staat voor de schrijver de souvereiniteit Gods over het hele leven, zoals die, wat de overheid betreft, beleden wordt in Art. 36 N.G.B.

De schrijver wijst op de tegenstelling tussen de staat naar de opvatting van Rom. 13, en die, waarin tenslotte de anti-christ zich manifesteert. (Openb. 13), tussen de stad Gods en de stad des mensen-(Augustinus).

Het is goed, dat de heer Van der Graaf de mondiale (wereldomvattende) hulpverlening bespreekt, en die terecht verbindt aan de opdracht 'wel te doen aan alle mensen' al liggen ook in de Schrift de huisgenoten des geloofs de gemeente het naast aan het hart. (Gal. 6 : 10).

Ik onderstreep even wat ir. Van der Graaf hierover zegt, omdat ik soms wel eens lees, dat het 'geen zonde' is de naaste te helpen. Dat die hulp zonde zou kunnen zijn, klinkt me wat vreemd in de oren. Want al ergert me het eindeloze spreken over de 'rechten van de mens' (waarop berust dat recht? ), toch gééft God in het gebod van de naastenliefde als deel van de hoofdsom van Zijn Wet, aan die naaste een veel groter en dieper recht, dan alle regeringen samen kunnen geven, nl. het recht op onze liefde. En dat is nog heel wat meer dan de verzachting van schrijnende tegenstellingen. De schrijver wijst er op, dat ook na de zondeval God de Onderhouder blijft van al wat leeft. Hij vervult ook de harten der heidenen met spijze en nabijheid (Hand. 14 : 17). Daarbij legt ook het feit, dat het Woord vlees is geworden, een bijzondere betrekking tussen God en deze aarde. Daarom moet de kerk midden in de wereld staan, profetisch en dienend. Een politieke prediking, waardoor de individuele bekering wordt losgelaten terwille van een collectieve mentale verandering tot onderling dienstbetoon, wordt terecht door de schrijver afgewezen, evenals de versmalling van de gerechtigheid, die voor God geldt, tot die welke in menselijke verhoudingen aan de orde is. Waar de politiek haar wortels in God en Zijn wil verliest, bereidt zij de weg naar een staat, die ten prooi valt aan onverdraagzame stelsels (dictaturen). Het is niet te verwonderen, dat de schrijver van 'in de Mozes-en Aaronstraat' verwijst naar Art. 36. Ook de staat, zo zegt hij, is dienstbaar aan de verbreiding van het Evapgelie; en omgekeerd is de kerk dienstbaar aan de burgerlijke regering door haar voorbede en haar vermaning tot gehoorzaamheid. Boven de democratie gaat de theocratie.

In verband met de Oecumene wordt uitvoerig nagegaan, hoe in de Schrift gesproken wordt over bevrijding: waarvan - en waartoe. De goddelijke bevrijding schept óók een nieuwe gemeenschap, waarvan de samenbindende kracht is 'de eenheid des Geestes’.

De gemeente valt niet samen met de wereld; al is die wereld wel de akker, waarop de zaaier uitgaat om te zaaien .

De eenheid van Joh. 17 : 21 mag niet worden losgemaakt van de kern van het Evangelie zoals die tot in de context van Joh. 17 uitgesproken wordt. Deze van zeer veel goed gekozen bijbelse bewijsplaatsen voorziene bijdrage keert zich tenslotte met ernst tegen de onder ons ongelooflijk veel voorkomende verstoring van de ware oecumene, waarbij een treffend citaat van ds. G. Boer Sr. de uiteenzetting besluit.

In 1977 is wel bijzonder actueel het door prof. dr. Graafland behandelde onderwerp nl. de plaats van Israël in de Bijbel. De bijzondere roeping van Israël blijkt van meet af aan dienstbaar aan Gods universele raadsplan. Daartoe is Israël verkoren. Niet om eigen verkorenheid te verabsoluteren en daarvoor zijn roeping te verzaken.

Gesproken wordt over de verwerping van Israël (b.v. Jeremia 14 en 15), maar dan toch weer over het 'nochtans' van Gods trouw, nl. in 'het overblijfsel', waarin het behoud van de enkeling komt te staan tegenover de verbandsbreuk van het volk.

Het Nieuwe Testament ziet velen komen van Oosten en Westen, terwijl de kinderen des koninkrijks buitengeworpen worden. Toch blijft de regel: eerst den Jood...

Prof. Graafland wijst enerzijds op de toorn Gods over de Joden tot het einde (1 Thess. 2 : 16), maar ook op de ontferming over de afgehouwen takken, die weer ingeënt kunnen worden (Rom. 11). Het belangrijke 'alzo' (Rom. 11 : 26) slaat volgens de schrijven op het voorafgaande ingaan van de volheid der heidenen, en tevens op de herinenting 'op de wijze van het geloven in Jezus Christus’.

Belangrijk is de inhoud van de door God van Israël gegeven belofte. Die inhoud is primair geestelijk van karakter (het nieuwe hart van Ezechiël 36 in Jeremia 31). Maar dit sluit aardse en lichamelijke kanten van het heil niet uit. (b.v. Kanaan). In het N. Testament treden de laatste op de achtergrond vanwege de concentratie op het individueel-geestelijk karakter van het heil. Toch betekent dit tijdelijke zwijgen over het aardse heil niet, dat dit laatste weggevallen zou zijn. We moeten de Oud-Testamentische beloften ook niet allemaal vergelijken. Op Ezechiël 36 (het nieuwe hart) volgt Ezechiël 37 (vs. 12 het land Israels).

We moeten, zegt Graafland, die wachtende toekomst niet wegverklaren. Ze ook niet proberen in kaart te brengen op de manier van Hal Lindsey. Wat God zal doen gaat onze verwachtingen te boven. Men leze overigens over dit onderwerp ook Gerssen in Roeping en Belofte.

Een onderwerp dat in 1959 niet besproken werd, en toch om voorlichting vraagt, is: de kerk in de sekten. Ze hebben zich ook de laatste tijd, mede door een groeiende belangstelling voor allerlei vormen van religiositeit, sterk vermenigvuldigd. Ds. H. van Veldhuizen schrijft hierover. De schrijver heeft allerlei lectuur geraadpleegd o.a. Boerwinkel, Impeta, A. B. W. M. Kok en Kurt Hutten, gaat het begrip sekte nader definiëren, laat de geschiedenis spreken en noemt dan enkele uitgesproken kenmerken van het sekte-wezen als: het verabsoluteren van een deelwaarheid, het gepretendeerde bezit van de Volle geloofswaarheid, de bijna grenzenloze kritiek op de kerk, waarmede men ook breekt, maar zonder smart. Met Boerwinkel is Van Veldhuizen evenwel geneigd een onderscheid aan te brengen tussen sekten en sektoïde tendenzen (b.v. Leger des Heils), Overal vindt men symptomen van remonstrantisme, biblicisme met versimpeling van de bijbelse boodschap, fundamentalisme, onderschatting van belijdenis en ambt en eenzijdige accentuering van de heiliging.

Ik eindig met deze juiste opmerking van de schrijver: 'het is goedkoop om te zeggen, dat ze (de sekten) de onbetaalde rekeningen van de kerk zijn als ze ons niet dwingen de rekening zelf te gaan betalen’.

Een volgende maal graag nog wat meer over dit boek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Pilaar en Kandelaar

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's