De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een stap terug

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een stap terug

Prof. Runia over de Geref. Bond

8 minuten leestijd

In het Ref. Dagblad van donderdag 2 juni stond een uitvoerig verslag van de eendaagse jaarvergadering en conferentie van de Confessionele Vereniging, gehouden te Utrecht op woensdag 1 juni.

Een der sprekers op deze conferentie was prof. K. Runia, hoogleraar te Kampen. Hij sprak over het thema: Samen op weg.

Enkele punten uit het verslag van de rede die prof. Runia hield trokken dermate onze aandacht dat wij meenden er op te moeten reageren. Zij betroffen de positie van de Geref. Bond in de Hervormde Kerk, en de gesprekken die onlangs gevoerd zijn tussen vertegenwoordigers van verschillende kerken en groepen binnen het C.O.G.G. ofwel het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte.

Positie Geref. Bond

Volgens het verslag dat wij onder ogen kregen moet prof. Runia gezegd hebben: Hij lijkt de Geref. Bond meer om de eigen partij te doen te zijn dan om heel de kerk van Christus.

Of er ook sprekende bewijzen voor deze stelling geleverd zijn vermeldt het verslag niet. Maar zou een dergelijk zwaar verwijt niet goed gefundeerd moeten zijn? Heeft Runia het soms ontleend aan het feit dat van de kant van de Geref. Bond ernstige bezwaren indertijd geopperd zijn tegen het zogenaamd eenparig Geloofsgetuigenis van de hoogleraren Berkhouwer en Ridderbos? Indien dat het geval is, had hij, nog ter vergadering zijnde, tegelijk ook de Confessionele Vereniging van hetzelfde een verwijt kunnen maken; immers, ik lees in hetzelfde verslag dat dr. Bezemer gezegd heeft: Niet alleen de Bonders zijn tégen samen op weg; ook dr. Bezemer hield, zoals de verslaggever opmerkte, de boot behoorlijk af.

Vervolgens zou men Runia, die binnen de Geref. Kerken slechts een bepaalde flank vertegenwoordigt, niet ook van hetzelfde een verwijt kunnen maken? U met uw nog vasthouden aan de Belijdenis jaagt een partijbelang na..! Voelt Runia zelf niet aan de onjuistheid en onbillijkheid van een dergelijke stelling? Is trouw aan de Belijdenis dan altijd het najagen van een groepsbelang? Runia laadt hiermee de schijn op zich van het standpunt te kiezen van al degenen die van de Belijdenis bepaald geen vrienden zijn, vaker vijanden. De remonstranten verweten het al de contraremonstranten, en het is nog nooit anders geweest.

Is niet juist trouw aan de Belijdenis zorg voor héél de Kerk van Christus? Wat moet er van die Kerk terechtkomen als toegegeven wordt aan verkrachting, verminking van de Belijdenis, of zelfs maar aan een verzwakking van de Belijdenis, gelijk in het Geloofsgetuigenis het geval was?

Het zou Runia eerder passen dit grif toe te geven, dan nu mee te zingen in het grote koor van degenen die trouw aan de Belijdenis vereenzelvigen met partijzucht.

Er werden door prof. Runia aan het adres van de Geref. Bond nog een paar opmerkingen gemaakt die wij dit keer slechts in het kort willen weerspreken. Hij zei o.a, dat de Geref. Kerken moeite hebben vooral met de spiritualiteit, het geestelijk leven, de prediking en de avondmaalspraktijk van de gereformeerde bonders.

Een paar vragen: Kent Runia ons kerkelijk leven dan zo goed dat hij zich daarover een dergelijk oordeel durft aanmatigen? Hoort hij weleens geref. bondspredikanten preken? Woont hij hun avondmaalsdiensten bij? En wat hun spiritualiteit betreft, hun vroomheid - , zou hij niet wat voorzichtiger moeten zijn in zijn oordeel? Indertijd heeft Ridderbos ons dergelijke vragen gesteld, nu stellen wij ze aan Runia.

Wij hebben er heus geen behoefte aan hoog van de toren te blazen. Een paar honderd geref. bondspredikanten en vele honderden ouderlingen en diakenen in de hervormdgereformeerde gemeenten werken, om niet te zeggen: zwoegen van dag tot dag om hun gemeenten te doen zijn wat zij behoren te zijn: ware gemeenten van Christus.

Wij nemen noch onszelf noch onze kerkeraden noch onze gemeenten in bescherming, als zou bij hen en in hen alles zijn naar de maatstaf van Wet en Evangelie. Met name in de naoorlogse jaren is er ook door de leiding van de Geref. Bond veel gedaan om een reformatorische prediking en een reformatorisch gemeenteleven te bevorderen.

Wij staan ook er voor open dat mensen als Runia ons op onze feilen wijzen. Binnen de ene Gereformeerde Gezindte kan men veel van elkaar leren.

Maar zou het misschien ook kunnen zijn, zo vragen wij aan Runia, dat men binnen de Geref. Kerken dingen verloren heeft die in de Hervormd Gereformeerden gemeenten bewaard zijn gebleven? Kan men niet ook te gemakkelijk naar het Avondmaal des Heeren lopen? Kan men niet vervreemden van het leven en de spiritualiteit (vroomheid) van de 292 kinderen Gods? Is er niet het gevaar van vervlakking, een zekere gemakkelijkheid inzake de dingen van het koninkrijk Gods?

Met name van Runia hadden wij ten aanzien van deze dingen enige openheid verwacht; zijn rede heeft ons in dezen teleurgesteld.

Gesprek binnen C.O.G.G.

Niet minder dan het bovenstaande trof ons wat Runia inzake de gesprekken die binnen het CO.G.G. plaatsvinden, naar voren heeft gebracht. Aangezien ik ook zelf, samen met andere G.B. predikanten, ds. R. van der Hoef, ds. L. Geluk en ds. L. van Nieuwpoort en Ir. van der Graaf deze gesprekken heb bijgewoond raakte de zaak ons te dieper.

Op de regelmatig weerkerende besloten vergaderingen van het CO.G.G. worden allerlei zaken besproken die regelrecht de verhouding der kerken en kerkelijke groeperingen, welke staan willen op de grondslag van onze Geref. Belijdenisgeschriften, betreffen.

Op de laatste vergadering, 13 mei 1977, te Zwolle gehouden, is gesproken over de leer der praedestinatie.Ik meen - en dat is ook de mening van de andere vertegenwoordigers van de Ger. Bond die die vergadering bijwoonden - dat er toen open, eerlijk en zinvol gesproken is over dit onderwerp.

Er waren verschillen, zeker! Maar niet van dien aard dat het gesprek scherp werd of vastliep.

Allerlei Schriftgegevens als Efeze 1 en Rom. 9 werden serieus bekeken. De Artikelen tegen de Remonstranten, Dordtse Leerregels kwamen uitvoerig ter sprake, en niet minder Art. 16 van de Ned. Geloofsbelijdenis.

Gezien het moeilijke van de materie en het delicate van een gesprek daarover, werd de discussie, onder leiding van Runia zelf, met behoedzaamheid opgezet. Het is waar, de vertegenwoordigers van de Geref. Bond en die van Christelijke Geref. Kerken, vooral de hoogleraren Van Genderen en Van 't Spijker, stelden zich zonder enige reserve achter de Dordtse Leerregels. Mag het? Runia had bezwaren, maar zei: Zij raken de formulering, niet de wezenlijke inhoud. Maar ziedaar, nu lees ik in de krant: Bij de geref. bonders een krampachtig omgaan met de belijdenis! En dan nog wat laatdunkend: Zij hebben niet de minste moeite met de verwerping van eeuwigheid der Dordtse Leerregels!

Is het dan soms een nieuwe verplichting dat wij daar wél moeite mee moeten hebben? Is bij Runia een critische houding (want dat bedoelt hij met het woord 'moeite') ten aanzien van de Belijdenis de enig aanvaardbare?

Runia heeft ook ten aanzien van de Christelijk-Gereformeerde broeders een paar opmerkingen gemaakt. Sommigen van hen zouden wèl bezwaren hebben tegen de verwerping van eeuwigheid. Ik ga hier niet op in, laten deze broeders voor zichzelf spreken! Dit wil ik echter wel zeggen, dat de hoogleraren Van Genderen en Van ' t Spijker ter vergadering geen ander geluid hebben laten horen dan wat Runia nu achteraf de Geref. Bonders verwijt.

Het doet wat vreemd aan als iemand binnen een gesloten vergadering royaal meedoet aan een gesprek en dan achteraf op een heel andersoortige vergadering ineens met verwijten komt aandragen.

Het betreurenswaardige hiervan is dat op deze wijze een pril begin van kontact en toenadering de grond wordt ingeboord.

Dat wij als leden van verschillende kerken en groepen binnen het CO.G.G. onze tijd en krachten geven aan gesprekken over de eenheid der kerken en de moeilijkheden die daaraan verbonden zijn, is omdat wij hopen langs deze weg, een weg die misschien heel lang zal zijn, toch iets wezenlijks tot die eenheid bij te dragen.

Eenheid kan nooit een zaak zijn van enkel formaliteiten, of van een aan elkaar plakken wat niet bij elkaar hoort, maar is een zaak van samen worstelen om de waarheid en de waarachtigheid. Daarvoor komt eerst de Schrift ter tafel. Maar onder kerken en groepen die prijs stellen op de naam gereformeerd dienen ook de belijdenisgeschriften geëerbiedigd te worden.

Wanneer men zich tegenover deze geschriften een critische instelling aanmatigt, en die dan ook nog bovendien gaat maken tot een a priori, een soort van belijdenis-vooraf, dan zie ik het niet meer zitten; zelfs niet met iemand als Runia, die overigens, dunkt mij, een uitstekend gesprekspartner zou kunnen zijn en dat tot dusver ook altijd geweest is. Dat smart ons om de eenheid, want aan die eenheid is ons meer gelegen dan Runia en vele anderen denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een stap terug

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's