Antwoord aan drs. K. Exalto
In het nummer van 9 juni heeft drs. K. Exalto de moeite genomen te reageren op wat ik op de jaarvergadering van de Confessionele Vereniging gezegd heb over de Gereformeerde Bond, in het kader van het thema 'Samen op weg'. Nu heeft hij dit helaas gedaan naar aanleiding van een verslag in een dagblad. Ik schrijf 'helaas', omdat een verslag altijd beperkt en enigszins subjektief gekleurd is. Wel wil ik er onmiddelijk aan toevoegen dat m.i. de verslagen in het Reformatorisch Dagblad (waaraan drs. Exalto zijn gegevens ontleend heeft) in de regel uitmunten door hun uitvoerigheid en correctheid. Dat geldt in het geheel genomen ook in dit verslag. Maar niettemin blijft het gevaarlijk zonder meer af te gaan op een verslag. Het zou dan ook beter geweest zijn, als drs. Exalto eerst even contact met mij opgenomen had, voordat hij allerlei conclusies trok uit het verslag.
Het gaat in drs. Exalto's kritiek op mijn verhaal met name over twee punten.
De positie van de Gereformeerde Bond
Ik zou gezegd hebben: 'Het lijkt de Geref. Bond meer om eigen partij te doen te zijn dan om heel de Kerk van Christus'. Onmiddelijk daarna stelt drs. Exalto dan allerlei vragen. Zou ik dit misschien ontleend hebben aan de bezwaren van de Geref. Bond tegen het Eenparig Geloofsgetuigenis van Berkouwer en Ridderbos? Zou het de trouw van de Geref. Bond aan de belijdenis zijn?
Nu zijn dit allemaal vragen (en suggesties) van drs. Exalto. Hij weet blijkbaar niet in welk verband ik de genoemde uitspraak gedaan heb. In dat verband ging het nl. noch om het geloofsgetuigenis, noch om de. trouw aan de belijdenis. In mijn rede wees ik op het feit dat de Geref. Bond weinig moet hebben van Samen op weg (vgl. de bekende Verklaring van het Hoofdbestuur vlak voor de tweede gemeenschappelijke vergadering van de synodes). Men is nl. bang dat het samengaan van beide kerken niet een versterking van het gereformeerde element in de Herv. Kerk zal betekenen, maar eerder een verzwakking. Vervolgens wees ik er op dat m.i. ook nog een kerkelijk-politieke vrees op de achtergrond meespeelt. Velen in de Geref. Bond zijn bang dat bij een samengaan van beide kerken de Geref. Bondsgemeenten op vele plaatsen hun positie als de Hervormde gemeente ter plaatse zullen verliezen. Ik wees op een artikel van ir. Van der Graaf in dit blad, waarin hij de vrees uitsprak dat bij samengaan van beide kerken de Geref. Bondsgemeenten de status van buitengewone wijkgemeente opgedrukt krijgen. In dat verband heb ik toen letterlijk gezegd: 'Ik betreur het ten zeerste dat deze motieven een rol spelen. Want als dat zo is, gaat het ons meer om eigen partij dan om de kerk van Christus als geheel en dan blijven we op een dood spoor’.
Onder hetzelfde kopje noemt drs. Exalto ook dat ik gezegd zou hebben 'dat de Geref. Kerken moeite hebben vooral met de spiritualiteit, het geestelijk leven, de prediking en de avondmaalspraktijk van de gereformeerde bonders’.
Zijn wedervraag is: 'Kent Runia ons kerkelijk leven dan zo goed dat hij zich daarover een dergelijk oordeel durft aanmatigen? Hoort hij wel eens geref. bondspredikanten preken? Woont hij hun avondmaalsdiensten bij? En wat hun spiritualiteit betreft, hun vroomheidzou hij niet wat voorzichtiger moeten zijn in zijn oordeel? ’
Ook hier is het jammer dat drs. Exalto zonder meer op het verslag is afgegaan. Ik heb nl. in feite veel minder absoluut gezegd. Letterlijk (ik citeer de tekst van mijn rede) heb ik gezegd: 'Moeite hebben de Geref. Kerken vooral op het punt van de spiritualiteit, de prediking en de avondmaalspraktijk, met name in bepaalde sectoren van de Geref. Bond'. Dat is natuurlijk wel iets anders. Ik denk dat drs. Exalto zelf niet zal willen ontkennen dat er op dit punt nogal wat verscheidenheid is binnen de Geref. Bond en dat in bepaalde sectoren vormen van spiritualiteit is binnen de Geref. Bond en dat in bepaalde sectoren vormen van spiritualiteit voorkomen die toch wel anders gekleurd zijn dan wat we kennen uit de reformatie en de hoofdstroom van de nadere reformatie.
Gesprek binnen C.O.G.G.
Dit is het tweede punt dat drs. Exalto in zijn artikel aan de orde stelt. Ik wil hier graag beginnen met toe te geven dat het beter was geweest als ik dit op de vergadering niet genoemd had. Het punt kwam eigenlijk onopzettelijk in de discussie na de rede ter sprake. De vraag was nl. gesteld of het niet goed zou zijn om in het plaatselijk gesprek tussen beide kerken het belijden ter sprake te brengen. Niet alleen zoals dat belijden gestalte gekregen heeft in de belijdenissen van de 16e en 17e eeuw, maar vooral ook de vraag wat wij vandaag zelf belijden in verband met de geestelijke strijd van onze eigen tijd. Ook werd gevraagd of de Geref. Bond niet in dit gesprek betrokken moest worden. Op die beide vragen heb ik toen volmondig met ja geantwoord. Ook heb ik er op gewezen dat we in het gesprek over het belijden vandaag altijd de oude belijdenisgeschriften moeten meenemen. Ten aanzien van het betrekken van de Geref. Bond in deze plaatselijke gesprekken heb ik de hoop uitgesproken dat de bondsgemeenten inderdaad mee zouden doen. Maar tegelijk heb ik er op gewezen dat over het geheel de Geref.
Bond weinig behoefte blijkt te hebben aan een herformulering van het belijden voor onze tijd. In dat verband heb ik toen, als een soort terzijde, even gewezen op ons laatste gesprek op de C.O.G.G. vergadering in Zwolle op 13 mei. Het zat immers nog zo vers in mijn geheugen. Maar het was alleen maar bij wijze van illustratie van het feit dat voor de Geref. Bond de historische belijdenisgeschriften in feite nog steeds voldoende zijn. We hadden op die vergadering o.a. gesproken over het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels en de vertegenwoordigers van de Geref. Bond stelden zich inderdaad zonder enige reserve achter de Dordtse Leerregels.
In zijn artikel schrijft drs. Exalto nu: 'Maar ziedaar, nu lees ik in de krant: Bij de geref. bonders een krampachtig omgaan met de belijdenis! En dan nog wat laatdunkend: Zij hebben niet de minste moeite met de verwerping van eeuwigheid der Dordtse Leerregels’!
Het spijt me dat drs. Exalto dit zo schrijft. Dit is geen verslaggeving, maar pure interpretatie. Bijv. het woordje 'laatdunkend' staat niet in het Reformatorisch Dagblad. Ik wijs dit dan ook geheel af. Ik heb dit niet laatdunkend gezegd, noch bedoeld. Het was alleen de constatering van een feit. Verder heb ik niet in dit verband gezegd dat de Geref. bonders krampachtig omgaan met de belijdenis. (Dat staat trouwens ook op een heel andere plaats in het verslag in het Reformatorisch Dagblad!) Ik heb het overigens zo, in deze absolute zin, helemaal niet gezegd. Eerder in mijn lezing had ik het volgende gezegd: 'De Gereformeerden hebben in bepaald opzicht ook moeite met de Geref. Bond. Niet zozeer op het punt van de belijdenis, al vinden ze wel iets krampachtigs in de manier waarop velen in de Geref. Bond met de belijdenis omgaan. Men krijgt soms de indruk dat het laatste woord gesproken is in de 16e en 17e eeuw'. Uit deze formulering blijkt m.i. duidelijk dat ik dit niet generaliserend van de hele Geref. Bond gezegd heb. Ik weet, onder meer uit de gesprekken binnen het C.O.G.G. te goed, dat dit niet van de hele Geref. Bond geldt. Maar is het daarnaast toch niet waar dat deze houding wel degelijk binnen de Geref. Bond voorkomt?
Conclusie
Het leek me nuttig om deze zaken recht te zetten. We hebben er geen van allen behoefte aan om de toch vaak al moeilijke kerkelijke relaties te vertroebelen door allerlei misverstanden en mis-interpretaties.
In mijn rede voor de Confessionele Vereniging heb ik met opzet de Geref. Bond ter sprake gebracht, omdat m.i. de Bond een zeer belangrijke rol speelt in de. Hervormde Kerk en daarom ook een belangrijke funktie kan hebben in het gesprek tussen hervormden en gereformeerden. Aan het slot van het gedeelte dat over de Geref. Bond ging heb ik nog het volgende gezegd: 'Het zou geweldig zijn, als de Geref. Bond ook eens aan het werk ging in deze zaak. Bijna overal, ook in plaatsen waar de Geref. Kerk een duidelijk confessioneel karakter heeft, houdt men zich angstvallig op een afstand. Zelfs een gemeenschappelijk gesprek van de kerkeraden kan er nauwelijks af.
Maar op deze manier komen we geen stap verder. En men moet zich dan ook niet verbazen, als het initiatief dan helemaal komt te liggen in de handen van andere groeperingen.
De Geref. Bond heeft een geweldig potentieel. Als ze dit eens inzette, kon er nog wel eens iets geweldigs gebeuren.
K. Runia
P. S. Het is de bedoeling dat en de rede van dr. Bezemer en die van mij binnenkort gepubliceerd worden in hetHervormd Weekblad en in het Centraal Weekblad. De lezers kunnen dan wat door mij gezegd is lezen in de context van het hele betoog.
Bij bovenstaande reactie van prof. Runia op ons critisch commentaar in De Waarheidsvriend van vorige week op de rede die hij gehouden heeft op de jaarvergadering van de Confessionele Vereniging, willen wij de volgende kanttekeningen plaatsen.
1. Wij zijn ons terdege bewust geweest, dat het hachelijk is op een krantenbericht af te gaan. Maar nadat wij als redactie ons eerst vergewist hadden omtrent de juistheid van het verslag, meenden wij toch op deze wijze snel te moeten reageren. Ook nu na prof. Runia's reactie menen wij geen reden te hebben om dat te betreuren. Immers, het verslag lichtte niet alleen in omtrent hetgeen door prof. Runia in zijn rede is gezegd maar ook omtrent hetgeen door hem in de discussie is gezegd, en dat had prof. Runia, uiteraard, niet op papier staan.
En bovendien, hetgeen hij in feite in zijn rede gezegd heeft moge (wat wij dankbaar constateren) wat gematigder en genuanceerder geweest zijn dan in het verslag is weergegeven, een wezenlijk verschil tussen rede en verslag is er toch niet. Dat zal verderop in dit betoog wel blijken.
2. Prof. Runia erkent dat het beter was geweest als hij op de vergadering waar hij was, het punt van de discussie binnen het C.O.G.G. niet had genoemd. Wij vatten dit op als een verzoenend gebaar en aanvaarden dat gaarne. Het was hét punt dat ons hoog zat.
3. Naar aanleiding van zijn rede hebben wij enkele vragen aan prof. Runia voorgelegd.
Prof. Runia maakt daar nu 'suggesties' van. Ik verzoek hem de vragen vragen te laten. Zij kwamen ook niet uit de lucht vallen. Prof. Runia zal toch niet ontkennen dat het 'Geloofsgetuigenis' door hemzelf in zijn rede genoemd was?
Prof. Runia wraakt het, dat door mij het woord 'laatdunkend' is gebruikt. Ik ben bereid het te laten schieten. Ik heb met dat woord alleen maar willen aanduiden hoe bij mij hetgeen door hem in dit verband gezegd is, is overgekomen. Nu prof. Runia zegt dat hij het zo niet bedoeld heeft, geloof ik hem op zijn woord.
4. Prof. Runia zegt dat hij letterlijk gezegd heeft dat de Geref. Kerken ten aanzien van spiritualiteit, prediking en avondmaalspraktijk moeite hebben met wat dienaangaande aangetroffen wordt binnen 'bepaalde sectoren van de Geref. Bond'. De kritiek die hij verwoordde zou dan niet gericht zijn op héél de Geref. Bond, maar alleen maar op 'bepaalde sectoren' in die Bond.
Wij geven toe, dit is iets anders dan er in het verslag gestaan heeft. En toch betwijfel ik of de zaak hiermee uit de weg geruimd is. Welke 'sectoren' doorprof. Runia zijn bedoeld, blijft in het duister. Wij menen dat bedoelde verschillen, dus welke betrekking hebben op geestelijk leven, prediking, en avondmaal, niet alleen maar beperkt zijn tot de Gereformeerde Kerken enerzijds en bepaalde 'sectoren' van de Geref. Bond anderzijds. Was dat maar waar!
Wij nemen extreme verschijnselen, praktijken en personen die zich binnen de Hervormde Kerk dekken met de naam 'Geref. Bond' (of soms ook dat niet) niet in bescherming. Maar ook als wij die niet meetellen blijven er helaas toch nog waarlijk niet geringe verschillen over.
Wij breken niet zonder meer de staf over alles wat er in de Geref. Kerken leeft en gangbaar is. Wij hebben in ons vorig artikel nadrukkelijk gesteld, dat wij binnen de Geref. Gezindte van elkaar moeten willen leren; daar houden wij het nog steeds bij.
Maar er zijn grenzen. En daar komen wij op het plaatselijk vlak maar al te vaak mee in aanraking. Voor ons is niet tolerabel de vrouw in het ambt, die men ook in tal van Geref. Kerken aantreft. Dat is één punt.
Het is werkelijk geen wonder dat vele Hervormd-Geref. kerkeraden kopschuw zijn ten aanzien van het leggen van contacten met de Geref. Kerken ter plaatse; want zij vinden daarin hetzelfde khmaat en horen daarin dezelfde geluiden waar zij in eigen Hervormde Kerk van midden-orthodoxe en zelfs van neovrijzinnige wijze mee geconfronteerd worden.
Prof. Runia biedt in zijn stuk ons een ontsnappingsmogelijkheid door te spreken over 'velen in de Geref. Bond'. Van deze mogelijkheid wensen wij geen gebruik te maken. Hij heeft betoogd dat velen in de Geref. Bond bang zijn dat bij een samengaan van beide kerken de Geref. Bondsgemeenten op vele plaatsen hun positie als dé Hervormde Gemeente ter plaatse zullen verliezen. Prof. Runia heeft hierin gelijk, en ook wij wensen bij deze 'velen' gerekend te worden.
Alleen één ding, het gaat daarbij niet om die positie als zodanig, maar daarachter, veelmeer, om het behoud van de rechte prediking en het heil der zielen.
Wil prof. Runia dat dan toch gelijk blijven stellen met het zoeken van het belang van eigen partij, het zij zo!
Tot slot, wij zoeken en begeren de strijd niet. Ons vorig stuk was een verdediging, geen aanval. Wij blijven er bij, de rede van prof. Runia was een stap terug. Maar zijn reactie geeft ons moed, dat hij toch bereid blijft tot het gezamenlijk worstelen om waarheid en eenheid. Wij zouden gaarne wat vorderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's