De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Op 7 mei jl. werd in Utrecht een Nes-Ammim dag gehouden. Daar hield prof. dr. H. Berkhof een toespraak, waarin hij onder meer zijn beduchtheid uitsprak over sommige Israël-theologieën, die in Nederland in om omloop zijn. Woord en Dienst van 11 juni nam de uitwerking van dit gedeelte van Berkhof's toespraak over. Berkhof wijst op de grote verandering die er plaats gevonden heeft in kerk en theologie: Na jaren van verwaarlozing van het Oude Testament en annex daarmee van de betekenis van Israël en zijn toekomst, doen in de huidige bezinning een aantal Israëltheologieën de ronde. Daar is de chiliastische Israël-opvatting (ZoekHcht, Hal Lindsey e.a.) Israël is de grote wijzer op de wereldklok van God, een wijzer die aangeeft dat het vijf voor twaalf is. Voor een andere groep betekent 'Israël' een overaccentuering van Thora of Profeten.

Voor anderen, meest predikanten en theologen, is Israël niet een pion op Gods schaakbord, maar onze grote leermeester, door zijn boek het O.T., bij voorkeur met de Joden 'Tenach' genoemd, en daarin vooral door de vijf boeken van Mozes, de 'Torah' (het Onderricht).

Daarin hoort men het centrale Woord van God, in de verhalen en in de geboden. Men raakt er niet over uitgepreekt, evenmin als er over de latere verhalen van Jozua tot Esther. Bij voorkeur kiest men stof (of vergeestelijkt men die tot dat doel) die met ons modem sociaal-ethische besef overeenstemt. Jezus treedt dan op als wetsgetrouwe zoon van Israël, de ware uitvoerder van de Torah. Onder die gezichtshoek valt de nadmk eenzijdig op Christus als profeet en voorbeeld. De beide andere ambten treden temg. Het N.T. wordt dan in zijn nieuwheid sterk ingeperkt. En in de prediking krijgen ethiek en moraal het overwicht.

Voor een andere groep (niet altijd van de vorige te onderscheiden) is Israël niet het verhaal van een volk, maar het profetische vermaan tot dat volk.

Niet Mozes staat dan centraal, maar Amos. En dan gaat het om twee elementen: het opkomen voor de verdmkten en de kritiek op het ongehoorzame Israël. Andere elementen bij de profeten spelen slechts terzijde mee en de vele plaatsen over de heilsverwachting voor het volk Israël in het geheel niet. De profetische prediking wordt marxistisch op maat gesneden met behulp van het schema verdrukkers - verdrukten. Even eenvoudig als dit schema is de toepassing er van: de verdrukten zijn nu de Palestijnen en de verdrukker is het racistisch-imperialistisch-zionistische Israël. Er is dan weinig meer over van de werkelijke profeten met hun prediking van gericht én genade, met hun kritiek én liefde voor Israël, en met het 'nochtans' van hun heilsverwachting. De evangelieprediking dreigt hier op en onder te gaan in een zeer verengde sociaal-politieke ethiek.

Typerend voor deze visies, is m.i. dat men moeite heeft met de prediking van Paulus in de Romeinen en de Galatenbrief. En eigenlijk ook met de prediking van de verzoening, het plaatsvervangend lijden en sterven. Ik denk dat in de bezinning op een dergelijk teruggrijpen op de Thora toch ook de notie van de 'vervulling' ter sprake moet komen. Wat verstaan we onder de vervulling van Wet en profeten? En niet tè vergeten de relatie Israël/Jodendom. Berkhof laat zien hoe er bij sommige theologen ook een sterke aansluiting is aan synagoge en rabbijnengeleerdheid.

Voor vele theologen en predikanten zijn de tradi­tionele synagoge en de schriftgeleerdheid van de Talmud onze grote leermeesters. Dat laat zich begrijpen, gezien de eeuwenlange onkunde in de kerken omtrent de eigen weg van de 'oudste zoon' na onze scheiding in de eerste eeuw. We hebben veel in te halen. We moeten terugreizen naar de oorsprong van onze scheiding. Maar we ontwijken de eigenlijke problemen, als we van Pasen weer Pesach en van het Avondmaal een Seder-avond willen maken, of het O.T. kritiekloos aan de hand van haggadische midrasjim gaan lezen, zonder deze op hun exegetische waarde te toetsen. Zelfs allerlei bepalingen over wat mag en wat niet mag, die men bij de Staphorsters verfoeit, worden als diepzinnig aanvaard, als ze maar in het hebreeuws geschreven zijn. Ik noemde dat een ontwijken van het probleem. Maar het dreigt iets ergers te worden. De grote rabbijnenleerling Saul van Tarse zag in zo'n teruggaan tot schijnbaar onschuldige tradities en ceremoniën een terugkeer naar een 'gerechtigheid die uit de wet is'. Hij kon trouwens niet vergeten welke machten Jezus aan het kruis hadden gebracht. Wie de Talmud en de synagogale liturgie bij de ene hand houdt, zal de Galatenbrief bij de andere moeten houden.

Onze ontdekking van Israël is eigenlijk bij deze groep begonnen. Miskotte ontdekte ze aan ons in zijn magistrale dissertatie 'Het wezen der joodse religie' (1932). Sindsdien zijn we Baeck en Buber gaan lezen, later H. van Praag en Soetendorp, en nog weer later Bloch en Fromm. Velen hielden en houden dat voor 'het' jodendom. Maar dat bestaat evenmin als 'het' Christendom. Het fascineert ons door zijn hoge mate van herkenbaarheid, als gevolg van zijn samensmelting van joodse, christelijke en seculair-westerse elementen. In zijn vroegere vorm is het vooral een combinatie van Jodendom en Humanisme, in zijn huidige vormen deels ook van Jodendom en Marxisme. Als zijn echtjoodse component signaleerde Miskotte reeds zijn 'leer van de correlatie' tussen God en mens, d.w.z. dat niet alleen God de mens verlost, maar dat ook de mens door zijn arbeid voor cultuur en gerechtigheid God in de wereld moet verlossen. En Miskotte zag juist op dat punt een onverzoenlijke tegenstelling met het christelijk geloof in de heilzame overmacht van God; zoals hij het noemde: predestinatie contra correlatie.

In het geding is hier toch wel de visie op het verbond. De voorliefde van velen te spreken van de mens als partner van God hangt toch wel samen met de door Miskotte afgewezen correlatie-leer. Of de leerlingen van Miskotte hun leermeester ook in die afwijzing gevolgd zijn, waag ik te betwijfelen, gelet allerlei uitlatingen van theologen als Ter Schegget, Bouhuys en Deurloo.

Berkhof stelt in zijn overzicht ook de houding tot de staat Israël aan de orde. Gaat het aan de Israëlische staat zo te verheerlijken als soms door christenen gedaan wordt?

Maar zoiets is noch vanuit het O.T. noch vanuit het N.T. christelijk vol te houden. Vanuit het O.T. niet, omdat Israël enerzijds uit pure genade, ondanks zichzelf verkoren is en anderzijds wegens zijn verkiezing een grotere verantwoordelijkheid heeft en dus minder reden tot verontschuldiging.

En vanuit het N.T. niet, omdat buiten de genade van Christus om, Israël nog 'Israël-naar-het-vlees' is, zoekend naar zelfrechtvaardiging zoals wij allen. Juist wie zich als christen diep verbonden weet met die eenheid van volk en land die in de staat Israël gestalte heeft gekregen, kan niet vergeten waartoe deze eenheid te dienen heeft. Met kritiekloze bijval is Israël niet gediend. Met betweterij van buitenstaanders natuurlijk ook niet. Wel met die minderheden in eigen midden die geleerd door de profeten, hun stem tegen nationalistische verharding durven verheffen. Nu Begin premier en kabinetsformateur is geworden (ik schrijf dit op 22 mei), is het m.i. ook voor ons christenen onontkoombaar, dat wij duidelijk maken hóe wij het concrete Israël en zijn staat liefhebben.

De verhouding tot Israël is voor de christenheid altijd een onbewuste toetssteen van zijn geloof geweest. Nu wordt ze steeds meer tot een bewuste. Niet alleen het (vroegere? ) antisemitisme, maar ook veel hedendaags 'philosemitisme' (zoals de Joden het wel misprijzend noemen) zijn m.i. tekenen van ons identiteitsverlies. Ik denk dat beide daarin hun wortel hebben, dat ze het centrum van Christus en van de vrije genade verplaatsen naar de mens en zijn wetswerken. De echte Israëltheologie ligt nog vóór ons.

Het is, zoals we dat van Berkhof gewend zijn, een helder, overzichtelijk artikel geworden. De beknoptheid brengt mee, dat we het moeten lezen als een aanzet tot verdere doordenking en bezinning. Dat is broodnodig. Ook onder ons. Wanneer wij de judaiserende tendenzen in sommige Israël-theologieën afwijzen, omdat het centrum van de genade verplaatst wordt naar de mens en zijn wetswerken, ontslaat ons dat niet van de roeping om positief te doordenken wat Paulus' prediking, juist in de Romeinenbrief, ten aanzien van Israël dan wel betekent. Opdat we niet vervallen in een ongereformeerd bijbelgebruik a la Hal Lindsey, die naar ik wel eens de indruk heb, ook onder ons, vrij kritiekloos gelezen wordt. Ik mag geïnteresseerden wel verwijzen naar de bijdrage van prof. dr. C. Graafland in het boek 'Pilaar en Kandelaar' over de kerk en Israël, terwijl de predikanten onder onze lezers in Postille 28 vier schetsen over Romeinen 9-11 aantreffen van de hand van drs. S. Gerssen als handreiking voor de prediking. Ter bezinning en gebruik van harte aanbevolen!

Hendrik Algra

Op 1 juli a.s. neemt de heer H. Algra afscheid als hoofdredacteur van zijn krant, het Friesch Dagblad. Algra, leraar, hoofdredacteur, historieschrijver, politicus, is onder ons een bekende persoonlijkheid, aan wie reformatorisch Nederland in menig opzicht veel dank verschuldigd is. Reden waarom we in dit persoverzicht aandacht schenken aan zijn werk en zijn betekenis. We doen dit, door een gedeelte over te nemen uit een bijdrage uit Koers van 10 juni van de hand van drs. J. Klatter. Na geschreven te hebben over Algra als geschiedschrijver, volgt een gedeelte over Algra als politicus. Kennelijk heeft Klatter Algra geïntervieuwd, hoewel dat uit het onderhavige artikel niet zo duidelijk wordt:

En hoe geraakte u bij al dat andere zo in de politiek?

- Dat dateert van ’45!

Als algemeen bekend was het Friesch Dagblad - onder Algra - de eerste krant in Nederland, die in de bezetting de uitgave staakte. Algra was via zijn krant een geheid bekende figuur, ook in politieke zin, geworden. Hij kwam toen als nr. 7 op de Fries-N. Hollandse lijst voor de ARP. Met name als senator en Kroonraadslid heeft hij belangrijke arbeid verricht.

- Kon u dat vanuit Frieskland bij uw taken hier allemaal bolwerken?

- Ja, dat ging best. Voor de Kamer behoefde ik alleen de dinsdag en woensdag in Den Haag te zijn. Hierop was het lesrooster aan de Kweekschool ingesteld, waar ik dan ook niet meer zovéél uren gaf.

Begrijpelijk had het terrein der media zijn voorliefde, maar ook de na-oorlogse regelingen met de Bondsrepubliek hadden zijn bijzondere interesse. Over de taak van onze Senaat heeft Algra een geheel eigen opvatting, die hij ook in een nota heeft neergelegd: voor hem is de Eerste Kamer niet allereerst een controlerende corrigerende instantie achteraf, maar heeft zij vooral een reflecterende beschouwende taak. De Senaat is samengesteld uit mensen, die in het volle leven staan, die tegen het regeergebeuren aankijken en daarover vanuit de eigen maatschappelijke taakvervulling hun inbreng hebben: 'Wat in de Eerste Kamer gezegd wordt, moge vooral als van belang voor volgende jaren gezien worden. Daarop richten zich met name ook de redevoeringen in de Senaat. Het aan de orde stellen van problemen behoort tot de primaire taken van de Eerste Kamer’.

Het moet de heer Algra van het hart, dat de media tekort schieten in aandacht voor het gebeuren in de Senaat. Toen de t.v. opkwam, werd Algra Kroonlid van de Ned. Tel. Stichting en de NOS. Hij heeft daar steeds gezegd: weest toch voorzichtig met uitbreiding van de zendtijd; de beperkte middelen dwingen dan zo licht tot goedkopere aankoop van buiten: meer dan de helft van de zendtijd wordt dan 'Bioscoop-aan-huis'. (Hierbij wil Algra toch wel kwijt, dat hij BBC doorleving van historische figuren als nu 'Edward VU' zeer waardeert: hij ziet historische figuren: Disraeli, Palmerston zo tot léven komen).

Alleen de EO - VPRO-kleinere - trekken zich er niet zoveel van aan met hun geringe zendtijd, maar de grotere voeren een onverkwikkelijke concurrentiestrijd in kijkdichtheid. Veel ontaardt in ge-, weldsvertoon, schiet tekort in informatie. Als men van vertrossing spreekt, dan raakt dit zeker niet maar één omroep. Over kabel-t.v. wil Algra dan ook niet juichen hen; de consument wordt zoveel 'platgepraat’.

Komen we op de fuserende, oecumenische eenheidsbewegingen van deze tijd dan stelt Algra hier het criterium, dat men elkaar moet vinden in het werkelijk buigen voor de Schrift. Als dat wordt vermeden, dan wordt het zo licht een aftreksom. Juist in 'het wonder' van de negentiende eeuw vindt men het Reformatorische beginsel. Als belijndheid ontbreekt, vermengt zich onderling kaf en koren.

Voor de Willem de Zwijgerstichting schreef Algra enkele jaren geleden een waardevolle brochure, waarin hij een kritische beoordeling gaf vanuit zijn christelijke visie op het verschijnsel van de revolutie. Daarin sprak én de historicus, én de politicus, en niet te vergeten de christen Algra. De arbeid bij het Friesch Dagblad wordt straks overgenomen. Een aflossing van de wacht betekent nieuwe mensen. Wij hopen dat zij in de geest van Algra werkzaam zullen zijn. Tot zegen vanhet christelijk volksdeel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's