Er binnen of er buiten?
Enkele weken geleden schreven we n.a.v. een artikel van dr. Bartels in 'In de Waagschaal' een artikeltje 'Er binnen of er buiten?'. Van dr. Bartels - scriba van de Prov. Kerkvergadering te Utrecht - ontvingen we bijgaande reactie.
In een artikel in 'In de waagschaal'*) trachtte ik naar aanleiding van een besluit in eerste lezing van de maartsynode van dit jaar om de buitengewone wijkgemeenten in wording anders te formuleren en op een andere plaats in de kerkorde op te nemen, uiteen te zetten, dat - wat ik kortheidshalve noemde - de 'gemeenteopbouw-hervormden' de ergenis van de gereformeerde bonders opwekken door van hen te verlangen, dat zij zich opstellen als modaliteit naast de 'andere' modaliteiten binnen een wettig geachte verscheidenheid. Ik stelde dat deze ergenis begrijpelijk is, omdat 'de gereformeerde bond geen variant is binnen de hervormde kerkopvatting-1951, maar een wezenlijk andere conceptie'.
Daarna vroeg ir. Van der Graaf in dit blad **): 'als dr. Bartels dan concludeert, dat wij een andere kerkopvatting vertegenwoordigen dan die van 1951, staan wij er dan binnen of staan we er buiten') Ik bedoel: mogen wij (in zijn visie) dan nog een plaats hebben in de Hervormde Kerk, waar toch de kerkorde van 1951 functioneert? ' En verder: 'Wat ons betreft mag dr. Bartels in deze kolommen onze lezers duidelijk maken wat hij nu eigenlijk bedoelt.' Ik zal het proberen.
ging in mijn artikel 'om de verscheidenheid in de kerk' (zo luidde de titel). In de jarenlange reorganisatiestrijd is dit altijd een van de hoofdpunten geweest. Het gaat steeds om het getuigenis en de navolging van Christus. Deze worden gerealiseerd door steeds andere mensen in steeds weer andere situaties. De realisering is dus telkens anders, waarbij het toch, of beter: juist om het getuigenis en de navolging van Christus gaat. Noordmans wijst in dit verband ***) op het eerste grote voorbeeld hiervan, dat zelfs nog in het Nieuwe Testament staat, nl. toen Paulus kwam te staan voor prediking aan de heidenen: dat was wat nieuws, tot nu toe was het evangelie alleen aan de joden gebracht. Toen heeft Paulus niet alleen het evangelie herhaald. 'Maar hij heeft in de werkplaats des Heiligen Geestes met geweld daaraan gesmeed (...) De kerk werd uit het evangelie ontbonden, zoals het kind uit de moeder; de verkondiging maakte zich los van de openbaring. En in den brief aan de Romeinen werd de eerste groote belijdenis der kerk geschreven.' Zo zijn sindsdien alle grote belijdenissen der kerk tot stand gekomen: er ontstonden situaties, waarin beleden moest worden; dat geldt ook van de zestiende-eeuwse belijdenisgeschriften, die duidelijk hun spits tegen Rome en de wederdopers tonen, de leerregels tegen de remonstranten hebben zelfs deze spits in hun naam. Zo staat de kerk in continuïteit met het verleden en dat houdt tegelijk in, dat zij, evenals alle vroegere eeuwen, zélf moet belijden, in haar situatie, waar meestal weer andere spitsen of een andere combinatie van spitsen zich opdringen. Zij rijdt dus als het ware op twee sporen, die tezamen de ene weg van het getuigenis en de navolging van Christus vormen: wat het verleden heeft beleden én waar zij nu voor staat.
Hoe formuleert men dit nu? Het kerkordeontwerp-1938, de belangrijkste voorloper van onze huidige kerkorde, zegt, dat taak van de kerk is: 'de zorg voor hare belijdenis door hervorming en handhaving'. Heel duidelijk dus de twee sporen. De in 1945 ingevoerde nieuwe artikelen over de generale synode formuleren: 'staande op den bodem der belijdenisgeschriften'. Men heeft daarin dus de tweesporigheid in één omschrijving ('bodem') gevangen. Datzelfde doet de in 1951 ingevoerde kerkorde in artikel X: 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen', in bewuste onderscheiding van het woord 'overeenstemming', dat de gereformeerde bond hier wil lezen en in praktijk brengt. De gereformeerde bond wil de eensporigheid van 'overeenstemming', de hervormde kerkorde-1951 wil ook het andere spoor in getuigenis en navolging betrekken, waardoor een vrij grote verscheidenheid in de kerk onstaat, die niet alleen toegelaten wordt, maar als kenmerk van de kerk wordt gezien.
Ik beschrijf dit wat uitvoerig niet om te betogen of deze ontwikkeling al of niet juist is, maar de verscheidenheid aan te duiden, dat dit op 't punt van de verscheidenheid de kerkopvatting is, die de hervormde kerk sedert 1951 als de hare heeft aanvaard en in kerkorde en ordinanties (duidelijk bv. in ordinantie 2-10a) heeft omschreven, en dat het hierbij niet om een kleinigheid gaat, maar om een essentieel aspect van het kerk-zijn, dat na een lange voorgeschiedenis en veel gesprekken zo is omschreven.
Nu zijn er kerkeraadsleden, die vinden dat het 'in gemeenschap met', met deze hele achtergrond, niet juist is, en dat het moet gaan om' in overeenstemming met', met de achtergrond, die achter dat woord ligt. Het zou logisch zijn, dat zij zouden proberen, dit in de kerk(orde) aanvaard te krijgen, de wegen daartoe heeft de kerkorde omschreven. Het is echter duidelijk, na de hele voorgeschiedenis, dat de kerk deze weg niet op wil. Wat dienen nu deze kerkeraadsleden te doen? Zij dienen, zou je zeggen, ook als zij er persoonlijk anders over denken, loyaal de regels van de kerk uit te voeren. Vinden zij die te zeer in strijd met hun eigen opvatting, dan rest hun, als kerkeraadslid te bedanken. Zij doen dit echter niet, blijven kerkeraadslid, en weigeren - waar zij de macht hebben - de regels aangaande de verscheidenheid toe te passen (aanleiding was immers het vraagstuk van de buitengewone wijkgemeenten in wording). Zij treden dus als het ware 'revolutionair' op in de kerk. Wat moet de kerk nu doen? Het gaat niet om een kleinigheid, maar om een essentieel kenmerk van de kerk, zij kan dus niet anders dan de tucht in werking stellen, want inderdaad moet gezegd worden, dat deze kerkeraadsleden, met de bewoordingen van ordinantie 11-6-1, 'nalatig zijn in de behoorlijke vervulling van ambt, bediening of functie, of op andere wijze de orde in het leven en werken der Kerk verstoren'. De kerk heeft dat tot nu toe echter niet gedaan, waarschijnlijk omdat er dan een enorme herrie en mogelijk een scheuring zal kunnen ontstaan, en niemand wil een scheuring. Maar in mijn artikel in 'In de waagschaal' wees ik er op dat de kerk zodoende wel aanleiding geeft tot het verwijt, met twee maten te meten, waarbij ik als voorbeeld noemde, dat onlangs een predikant van een Zuid Hollands dorp - in gereformeerde bondskringen niet geheel onbekend - , die na een lange voorgeschiedenis weigerde een aantal kinderen te dopen omdat hij de ouders onwaardig achtte, van zijn ambt ter plaatse werd ontheven, terwijl de kerk kerkeraadsleden, die een door de kerk als legitiem erkende minderheid geen ruimte willen geven, laat zitten.
Er zijn dus twee onregelmatigheden:
a) er zijn kerkeraadsleden, die op een belangrijk punt niet bereid zijn, de regels van de kerk toe te passen, maar die toch op hun stoel blijven zitten; en
b) de kerk past de voor zulke gevallen gemaakte tuchtregels niet toe, maar beperkt zich tot knutselen in de marge.
Tenslotte: de gereformeerde bond wil niet gezien worden als modaliteit naast andere modaliteiten en stelt zich dan ook op niet als variant binnen, maar als alternatief voor de conceptie-1951. Mij dunkt uit het artikel van de heer Van der Graaf, dat hij dat ook zo ziet. Dan zegt hij: 'Gelukkig stelt dr. Bartels niet, dat de Gereformeerde Bond geen variant is binnen de hervormde kerkopvatting als zodanig, maar binnen die van 1951.' Wat is 'de hervormde kerkopvatting als zodanig'? Wie maakt dat uit? Ik denk, dat ir. Van der Graaf bedoelt: ' de hervormde kerk volgens de opvatting, die de gereformeerde bond huldigt aangaande de zestiendeeeuwse belijdenisgeschriften op het punt van de verscheidenheid'. Die opvatting wijst de kerk inderdaad af.
H. Bartels
Naschrift
We waarderen het dat dr. Bartels vooral duidelijk heeft willen zijn. Hij geeft de visies t.a.v. overeenstemming of gemeenschap met de Belijdenis exact weer. Daarover zullen we nu niet in discussie gaan, omdat hier over de jaren door al zoveel is gezegd, ook in ons blad. Wel versimpelt dr. Bartels de zaak door te suggereren als zou de eensporigheid van het denken aangaande de belijdenis zoiets betekenen als zou er ten aanzien van wisselende situaties bij ons niet steeds nieuwe bezinning worden bepleit. Er mag gelukkig onder ons een stuk theologische bezinning zijn, die in nauwe relatie aan de eigentijdse vragen plaats vindt. Maar ten aanzien van de leer des heils is in de belijdenis voor ons in principe alles gezegd, dus wat het principe betreft, en dan zo lang uit de Schrift het tegendeel niet is aangetoond.
Maar het ging mij, n.a.v. dr. Bartels' uitspraak, dat de Gereformeerde Bond geen variant maar een wezenlijk andere conceptie is binnen de hervormde kerkopvatting van 1951, om de vraag hoe dr. Bartels dan onze plaats ziet: horen we er binnen of er buiten? Eigenlijk zegt hij nu: er buiten, als we tenminste zelf niet over willen gaan op de door hem aangegeven en door de kerk aanvaarde tweesporigheid. Dr. Bartels wil nu ten opzichte van 'onze' kerkeraden, die aan minderheden, die de binding aan de belijdenis niet wensen in prediking, pastoraat, apostolaat e.d., geen ruimte kunnen geven tuchtoefening toegepast zien. We nemen aan, dat hij dit dan óók zal bedoelen voor die kerkeraden, die aan Hervormd Gereformeerde minderheden geen ruimte geven (denk aan de vele gemeenten waar een, hervormd-gereformeerde evangelisatie is). Of wil dr. Bartels het misschien dan niet omdat het een minderheid is behorende tot die 'wezenlijk andere conceptie' dan de hervormde kerkopvatting van 1951?
Maar duidelijk is dat dr. Bartels hier ook ten aanzien van tuchtoefening een ander spoor berijdt dan het klassiek gereformeerde. Men zal bij de Reformatoren immers tevergeefs tuchtoefening bepleit zien vanwege het niet erkennen van minderheden! Als in artikel XXVIII van de N.G.B, over tuchtoefening gesproken wordt, wordt daaraan direct verbonden 'de hals buigende onder het juk van Jezus Christus'. En in artikel XXIX wordt gesproken over het oefenen van kerkelijke tucht 'om de zonden te straffen' en wordt daarbij gezegd, dat de kerk zich 'aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daar tegen zijn'. Deze tuchtoefening is helaas in het geheel van de kerk nauwelijks nog aan de orde. Merkwaardig dat dr. Bartels nu wél tuchtoefening bepleit als men in de gemeente niet de weg van 'elk wat wils' op wil, als men aan de belijdenis der kerk méér waarde hecht dan aan een soort democratisch beginsel binnen de kerk. Handhaving van de reine leer moet nummer één op de agenda van de kerkeraad zijn?
Intussen gebruikt dr. Bartels het geladen woord revolutionair voor die kerkeraden die de belijdenis ernstig nemen. Wij voor ons zijn eerder geneigd dit woord te gebruiken voor die leringen binnen onze kerk die de leer der Reformatie met voeten treden.
Onder 'hervormde kerkopvatting als zodanig' blijven wij graag verstaan de kerk zoals die in de artikelen 27 tot (ruim genomen) 33 van de N.G.B, beschreven wordt. Ons houdende aan die conceptie en de Hervormde Kerk tevens daaraan houdend, willen wij in de kerk die ons lief is staan, ook al zegt dr. Bartels dan: (per uiterste consequentie) opstappen!
Intussen zal het de lezers niet ontgaan dat dr. Bartels zijn reactie zeer absoluut eindigt. 'Die opvatting, (nl. die de Geref. Bond huldigt aangaande de belijdenis; maar in feite kan gezegd worden die van de belijdenis als zodanig) wijst de kerk (cursief van mij, v. d. G.) inderdaad af. Mogen wij nu misschien vragen wat dan wel onder de kerk in dit verband is te verstaan? Zo absoluut hebben wij niet kunnen en durven spreken.
*) april 1977, bldz. 106 en vlg.
**) 2 juni 1977, blz. 276 en vlg
***) Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur 1 november 1935, blz 1.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's