De Nieuw-Testamentische periode
Woord en Geest
1
Hemelvaartsdag en Jongste Dag vallen niet samen. Dat is een feit van ontzaglijke draagwijdte. Er ligt geschiedenis tussen: tussentijd. Dit tijdsgewricht tussen Pinksteren en de Dag van Christus' verschijning, is gevulde tijd. Christus, onze eeuwige Koning, kan niet zonder onderdanen zijn (N.G.B.). Waarom niet? Omdat zo'n heerlijk Vorst altijd wel bewonderaars en aanbidders zal hebben die zich bij Hem voegen? Nee. Als het van die kant moest komen zat Christus volstrekt zonder onderdanen. Hij kan niet zonder zijn, omdat Hij dat niet wil, en die wil ook volvoert. De Zoon van God vergadert zich een gemeente door zijn Woord en Geest (H.C.). Zoals Hij geheel alleen het heil verwierf, zo past Hij ook geheel alleen het heil toe. Dat is het geheim van de kerk. 'De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen' (J. Koopmans). Pas als dat gezegd is, volgt: de kerk is de plaats waar zondaren met Christus willen samenwonen.
Woord en Geest, moeder van de kerk
Vanaf Pinksteren gaat Christus, rijdend op zijn Woord, door de wereld. Met Geestkracht, werfkracht, zeggingskracht. Door zijn Woord richt Hij zijn heerschappij op. Waar zijn Woord niet is, daar is ook zijn Geest niet. En daar is ook de kerk niet. 'Het Woord, het Woord, het Woord. Hoort gij, ook gij leugengeest: Het Woord doet het! Want ofschoon Christus duizendmaal voor ons gegeven en gekruisigd werd, het was alles tevergeefs, als niet het Woord van God kwam en het uitdeelde en het mij wegschonk en sprak: Dat zal het uwe zijn, neem het u en heb het' (Luther). Door het Woord der Waarheid, schrijft Jacobus, heeft God ons gebaard (1 : 18). Zodat het niet teveel gezegd is als Luther formuleert: Creaturae verbi Dei' (wij zijn schepping, schepselen van het Woord van God). Niet andersom. 'Hij verandert ons in zijn Woord, niet echter zijn Woord in ons'.
Dat is de kerk: een gemeenschap van mensen die geroepen en geraakt zijn door het Woord, zodat zij opgehouden hebben het hoogste woord te voeren; opgehouden hebben of Gods woorden grof van de hand te wijzen of in religieus raffinement naar eigen hand te zetten.
En dat verbindt! Deze uitlevering, overgave, horigheid aan het Woord alleen. Het maakt de gemeenschap der heiligen uit. Heiligen, die allen in de Kreupelstraat geboren zijn (Kohlbrugge). Die niet op eigen benen kunnen staan. Die zichzelf niet in hun onderhoud weten te voorzien. Die van de bedeling van het Woord leven. Die vreemd zijn en van vreemde gerechtigheid leven. 'Wij hebben met elkaar een Herder: Christus; een weide: het Woord der genade; een stal: het Koninkrijk der hemelen; wij hebben een Vader: de God en Vader van onze Heere Jezus Christus; Eén voor allen' (Kohlbrugge).
Woord en Geest, auteur van de zending
Op haar beurt is ook de kerk moeder. Dat kan niet anders. Want zij wordt door het vruchtdragende Woord des Geestes niet alleen tot leven gewekt, maar door datzelfde Woord le vend en vruchtbaar gehouden. De Christus, die het Woord in ons doet wonen is een gunnende, gevende Christus. Geen Christus die inhalig is - of het moest zijn inhalig t.a.v. menselijke schuld en nood - maar vol vrijgevigheid en bekoorlijkheid, om zichzelf met al zijn schatten en gaven weg te schenken.
Hoe voltrekt zich deze heiüge 'expansiedrang'? Die drang van het Woord wordt stem, roep, oproep. Daar hebben wij niet aan toe of af te doen. Wij hebben slechts het Woord zijn gang (voortgang!) te laten gaan; tot aan de einden der aarde. En dan trekken wij mee. Zending, evenals evangelisatie, is niet het Woord ergens brengen, maar zich door het Woord laten brengen. Primair geen werkzaamheid maar volgzaamheid. Geen kunst, maar gunst. Het Woord zelf is zo intensief dat het evenzeer expansief is: het is indringend naar binnen en vandaar uit evenzeer opdringend naar buiten.
Luther schrijft n.a.v. Christus' gelijkenis van de hen met haar kuikens zo diepzinnig en raak: 'De vleugels betekenen het heihg Woord van God. Als Hij zijn Woord laat uitgaan, heeft dat geen andere bedoeling dan dat Hij iedereen daarmee bedekken en beschutten wil.... Zo breidt God zijn vleugels uit, dat is zijn heilig Woord, biedt ons zijn genade aan door het Woord, dat wij Hem geloven zullen. Als wij Hem geloven, worden wij beschut onder de schaduw van zijn vleugels. Want de schaduw van zijn vleugels, dat is geloof'.
Zending - wat een organisatorische inzet het ook vergt - is ten diepste niet anders dan armslag geven aan het Woord. Vleugelslag! De vleugels van het Woord scheppen schaduw, dat is geloof. Zending is niet: én Evangelieverkondiging, én maatschappijvernieuwing, én medische zorg, én politieke bewustmaking én... zovoort. Dat zou nevenschikking betekenen van de diverse zendingstaken.
Naar mijn besef heeft C. Graafland het volste recht om tegen, deze wijdverbreide opvatting verzet aan te tekenen, om daartegenover te spreken van een hart (centrum) en een omtrek. 'Dat hart wordt gevormd door het verkondigen van het Evangelie van Jezus Christus tot geloof en bekering en zo tot behoud.... En vanuit dit hart komt het hele veld van het bestaan der mensen en der volken open te liggen'. Dat wil de 'totalitaire' betrokkenheid en bewogenheid die de zendingsarbeid handen en voeten geeft, niet in mindering brengen. Het tegendeel is waar: he wil het bevrijdende en bemoedigende zicht open het op de vleugels van het Woord, waaronder het 'totale' leven alleen maar werkelijk geborgen is.
Woord en Geest, norm van het belijden
De kerk zwijgt niet. Zij is niet stom, omdat zij niet (langer) doof is. Woord en Geest openen oor en hart, en ook de mond. De kerk spreekt en preekt. Zij belijdt ook..De vraag naar het verschil tussen preken en belijden is nog niet zo vlotweg te beantwoorden. Daar hebben ze teveel gemeenschappelijks voor.
Om dat verschil toch aan te duiden zou men in deze richting kunnen denken. In de eerste plaats: prediking is Woord en Geest laten spreken, belijden is gelovige reactie daarop. In de tweede plaats: de spits, de gerichtheid van de prediking wordt bepaald door de Bijbeltekst, die van het belijden door de (strijd) situatie waarin de kerk zich bevindt. Alle confessies zijn in frontsituaties geboren. Het ging er telkens om openlijk en klaar te belijden zoals de tijd dat vergde. Let wel: de vorige zin kan niet anders zijn dan een beknopte formulering voor de gedachte, dat de confessie belijdt wat (en zoals het) de Schrift vergt in de bijzondere omstandigheden van het ogenblik. Zij vloeit niet voort uit de tijdgeest, vloeit er ook niet in over, maar staat er haaks op.
In de derde plaats: prediking heeft iets 'beweeglijks'. De dogmatiek wordt er in scheefgetrokken (Noordmans). De confessie heeft de neiging om te stollen. Zij legt de dingen vast. Zij is dogmavormend. En als zodanig wil zij blijven meegaan met de kerk. Niet als pronkstuk. Ook niet als voetstuk. Het eerste zou de belijdenis onderschatten, het tweede teveel eer aan doen. De belijdenis heeft functie. Niets minder en niets meer.
We zouden vier manieren kunnen onderscheiden waarop de confessie functioneert: als lofzegging, bewaring, wering en werving. Om te beginnen is zij lofzegging voor God: de kerk stemt (haar geloof belijdend) samen, om God te prijzen voor zijn grote daden in Schepping en Verlossing.
Vervolgens werkt zij gemeenschapsbewarend. En dat naar twee richtingen: de belijdenis beschermt de gemeenschap en verbondenheid aan de overgeleverde apostolische leer (belijden betekent in het Grieks: hetzelfde zeggen, naspreken!) en zij draagt bij tot de gemeenschap tussen christenen onderling.
Ten derde is de confessie geen gering wapen in afweer tegen de dwalingen: zij zegt publiekelijk, kort en bondig 'Nee' tegen alle instanties die de Schrift weerspreken, en belijdt haar ja-woord op wat Woord en Geest hebben voorgezegd.
Tenslotte wil de kerk met haar belijden ook werven: zó hebben wij Gods stem vernomen en geloofd, als overvloedige genade voor de voornaamste der zondaren; hoor en leef! Belijden is vanuit het N.T. nauw verwant met getuigen: de appellerende wekroep uit laten gaan met bevel van geloof en bekering.
Nu hebben wij zoeven het belijden onderscheiden van de prediking. T.a.v. haar verhouding tot de H. Schrift, tot Woord en Geest, moeten wij een sterker woord gebruiken: daarvan moet zij worden afgegrensd, zij het bepaald niet afgescheiden.
De belijdenis kan Woord en Geest noch vervangen, noch omvangen, noch vangen.
Het Woord zelf is onvervangbaar. De confessie mag geen eigen leven gaan leiden, mag geen handzame, overzichtelijke syllabusbijbel worden, waarbij de Schrift zelf gesloten kan blijven. De belijdenis heeft van meet aan slechts echo willen zijn op het geluid van Woord en Geest. En ieder daadwerkelijk belijden kan nooit meer (willen) zijn. Het Woord en de Geest normeert ons belijden. Deze orde is onomkeerbaar. Belijdenis-gezag is afgeleid gezag.
De belijdenis kan Gods Woord evenmin omvangen. Het geklank zelf van de Geest is volleren krachtiger dan de echo daarvan. Deze is weerklank, en zoals alle mensenwerk, ten dele, stukwerk. Hoe geladen, voornaam en geestelijk haar geluid ook is, zij blijft gedempt en bescheiden, en kan zich niet aanmatigen de Schrift te omvatten.
Ook vangen mag de confessie de Schrift niet. Zij wil dat niet. Maar mensen dreigen haar daarvoor niet zelden te misbruiken. Met een beroep op de belijdenis, vaak met een beroep op losse, uit het geheel weggesneden elementen van die belijdenis wordt de Bijbel verbasterd en verdraaid. Dit kan zozeer de vormen van dictatuur aannemen, dat elk beroep op de H. Schrift monddood gemaakt wordt. Men geve daarvan niet de schuld aan de belijdenis. Haar aard is het juist om het Sola Scriptura alle eer aan te doen.
Met name daarom hechten wij zo'n gewicht aan de reformatorische confessies! Vanwege wat C. Graafland noemt, haar Schriftnabijheid.
Men moge ervan vinden wat men wil, maar werkelijk belijden in overeenstemming met het belijden der vaderen wil niet anders dan buigen voor Woord en Geest, en daarvan getuigen. Dat is ergeniswekkend voor progressief en conservatief. Want zulk belijden volhardt bij het onopgeefbare 'genade alleen', 'Christus alleen'. Maar deze exclusiviteit, 'die in het woordje alléén ligt opgesloten, is, dunkt me, de meest verheven vorm van intolerantie, omdat het een intolerantie is die ligt op het vlak van de liefde' (J. van der Graaf).
Tenslotte, als belijden zó de notie in zich heeft van lijden - en dat heeft het - is het dat waard. De stabiliteit en exclusiviteit van de inhoud van het belijden moge de populariteit van de gemeente in deze dynamische en relativerende tijdgeest een gevoelige deuk geven, dat doet niets af van de heilzame aard van deze onwankelbare belijdenis der hoop. Zolang althans heilzaam nog geheel iets anders betekent dan gewild en gevierd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's