Wie zal het zijn?
Want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.1 Samuel 16 : 1
Samuel loopt, in gedachten verzonken, de weg van Rama naar Bethlehem. De profetenmantel fladdert om zijn magere gestalte, z'n haren wapperen in de wind. Het is een hele klim; Bethlehem ligt, als een parel, op de rotsachtige hoogvlakte van Juda's bergland. Een mooi land. Waar hij z'n blik ook heen richt, overal vruchtbaarheid. Tarwevelden, wijngaarden, en de hogere gedeelten, weidegrond voor het vee. Misschien is de aanblik niet zo prachtig. Ik vrees, dat het er nogal verwaarloosd uitziet. Samuel zal ook niet zoveel aandacht voor de omgeving gehad hebben, zijn gezicht staat zorgelijk en het verdriet trok rimpels om zijn ogen. Hij is een oud man, en heeft al lang geleden afscheid genomen als richter. Stemt dat hem droevig? Dat is niet nodig, vind u wel? Saul is er toch!
Saul! De man, die hoog boven het volk uitstak en die de verwachting van dit volk aanvankelijk niet had beschaamd. Na de bevrijding van Jabes was hij herhaaldelijk slaags geraakt met de Filistijnen en de Amelekieten. Hij had de stammen tot meer samenwerking bewogen; hij was immers de koning van Israël. Samuel heeft hem nog gezalfd. Koning van Israël betekent: koning bij de gratie Gods. In afhankelijkheid van en gehoorzaamheid aan de Here. Een goed instrument, dat de Here hanteert. Dat luistert nauw. Saul wilde méér zijn; één en ander maal trad hij zelfstandig, eigenmachtig op. Daar nam de Here geen genoegen mee; hét koningschap mocht Hem niet uit de hand lopen, dan zou het verheidensen. Saul wordt afgekeurd, afgezet zelfs. Verworpen. Niemand merkt er nog wat van. De Here laat Saul niet een, twee, drie vallen, lankmoedig als Hij is. Samuel weet het. Het is een grote teleurstelling en een innig verdriet voor hem. Hij draagt leed om Saul, sinds hij hem voor het laatst had ontmoet, en kennis had gegeven van de beslissing des Heren. Inderdaad, voor het laatst.
Terwijl Samuel nog achterom kijkt naar Saul, kijkt de Here vooruit maar... Ja, naar wie? Er is een vacature, maar er worden geen advertentie's geplaatst. Geen sollicitanten, die wij op hun geschiktheid beoordelen, geen candidaten, die wij van ónze aanbevelingen voorzien. De zaak ligt helemaal in Gods handen, het is Zijn zaak. Samuel moet naar Bethlehem; daar zal de Here hem de koning aanwijzen die hij moet zalven. Samuel vreest de verwikkelingen die daaruit kunnen voortvloeien, maar hij gaat. Het gaat er overigens nogal geheimzinnig naar toe. De Here loopt er niet mee te koop dat Saul verworpen werd en Hij hangt het niet aan de grote klok, wie zijn opvolger is. Er is bij de Here een duidelijke behoedzaamheid. Het moet zijn tijd hebben, het zal langzamerhand tot het volk doordringen. En het mag geen paniek veroorzaken. Wij hakken knopen soms door, waar de Here ze met wijsheid, los maakt.
In Bethlehem kennen ze Samuel wel; hij zal er op een van zijn dienstreizen geweest zijn. De oudsten van de stad komen hem verschrikt tegemoet: Is uw komst met vrede? Wat is er aan de hand, misdeden wij iets, komt u wat rechtzetten? Samuel stelt hen gerust: Vrede! Hij komt om een offermaaltijd te houden, Isai en zijn zonen worden genodigd. Isai is een 'notabel' in Bethlehem, kleinzoon van Boaz, een zeer vermogend man. Die rijkdom zal wel geslonken zijn; straks is er sprake van de weinige schapen. Trouwens, dat Samuel alle zonen, - het zijn er wel geteld zeven-thuis treft is ook niet zo'n best teken. Ik denk dat de Filistijnen hun strooptochten ook tot deze streek uitstrekten.
Wie zal het zijn? Gij zult zalven, dien ik u zeggen zal. Daar treden ze binnen, de zeven zonen. Samuel is er bij gaan zitten, hij neemt hen o zo scherp op als zijn oude ogen het toelaten. Die eerste, Eliab heet hij. Die kon het wel eens zijn denkt hij. Wat een stoere man; hoog van statuur, flink van postuur. Net... Saul. Van hem lezen we: ziel gij wie de Here verkozen heeft? ! Want gelijk hij is er niemand onder het ganse volk - c 10, 24 - zou de geschiedenis zich herhalen? ! Eliab is een opvallende verschijning, geknipt, geschapen voor het koningschap. Imponerend noemen wij dat, en het bepaalt mede onze keuze. Eliab is het!
Maar de Here rekent eens voor goed met dit misverstand af. De mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan. Deze is het, dat is 'onze' man. En wij maar kijken; wij vergapen ons aan alles wat imponeert. We betalen niet alleen kijkgeld, maar ook leergeld. En toch oordelen wij naar wat voor ogen is. Het vóórkomen, dat is van betekenis. De buitenkant. We geven onze ogen de kost, als we keuren en kiezen. Het oog wil ook wat, zeggen de mensen. De Here kijkt verder; zijn blik dringt door tot in ons hart. Dat is waar, en laten wij het ons voor gezegd houden: De Here ziet het hart aan. De binnenkant, die heus niet altijd overeen komt met de buitenkant. Het uiterlijk is bedriegelijk.
Het innerlijk soms niet, vraagt u... De Here doorgrondt het bedriegelijk hart, dat is zeker. Toch zullen we dit overbekende woord wat anders moeten lezen, dan we gewend zijn, er ligt althans nog een andere les in. Wij, mensen, gaan met onze ogen te rade. De Here gaat naar Zijn hart te werk, de man, die Hij kiest is, de man naar Zijn hart. Aanzien is uitzien, verkiezen. Hoe verkiest de Here? Naar wat onze ogen zien? Nee, naar wat Zijn hart Hem zegt. Hier komen we in de buurt van het welbehagen. Niet wat Hij in ons ziet, niet wat Hij van ons voorziet. Hij ziet er ons uit, en daarbij is Zijn hart betrokken. Dat snijdt iedere verdienste, iedere waardigheid bij de wortel af. Niet waar wij mee pronken, en niet wat de Here in ons hart ontdekt, bepaalt zijn keuze. En, tegelijk; in zijn keuze klopt zijn hart. Het is geen koele, willekeurige daad. Het is de warmte van de genade, die ons uit dat zien des Heren, tegen waait. Genade vinden in de ogen des Heren.
Eliab, Abinadab, Samma. De een na de ander. Zeven, die het zouden kunnen zijn, denkt Samuel. Maar telkens krijgt Isai ten antwoord: Deze heeft de Here ook niet verkozen. Dat brengt Samuel in verlegenheid. Wie zal het zijn? Zijn ze dit allemaal, vraagt hij. Zijn het er zeven? Het zijn er acht. Maar die achtste telt eigenlijk niet mee. Hij is nog te klein, hij werd niet tot de maaltijd genodigd; hij is in het veld. Hij komt er kennelijk niet voor in aanmerking. Zo gaat dat, als de Here gaat kiezen. Samuel begrijpt er niets van, maar als hij hoort: er is nog een zoon, dan spitst zijn aandacht zich op die achtste. Haal hem, gebiedt hij. Die kon het wel eens zijn. Wonderlijk immers zijn de werken des Heren, ook weet het mijn ziel zeer wel. Verrassend, naar Zijn hart.
David heet hij. Herdersknaap is hij nog, harpspeler. Neemt hij dezelfde plaats in onder zijn broeders als Jozef vroeger? Men zou het haast denken. We worden in die gedachte versterkt als we in het vervolg lezen, hoe bits Eliab hem te woord staat-c 17:28. Veracht, misschien wel omdat hij de Here vreest, en in Zijn wegen wandelt. Dat valt niet altijd in goede aarde bij ouders, bij broeders, bij zusters. Dat maakt hen wat onrustig van binnen.
Zeker, er is er nog een. Maar... Daar is hij al. Roodachtig. Rossig van haar, roodblond of rood bruin, door de buitenlucht. Een gezonde kleur, of blozend van uiterlijk. Het kan van alles betekenen, zo ziet hij er uit. Ontwapenend door zijn jeugd en zijn eenvoud. Nu zouden wij, zo waar, weer aanzien wat voor ogen is. De vraag: wie zal het zijn, wordt door de Here beantwoord. Deze is het.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's