De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

Werkgroep christelijk karakter van de chr. M.T.S. dl. 2 Prof. dr. J. W. van Hulst 'Chr. karakter van de chr. M.T.S.' dl. 3 J. Kwantes: Geloof en techniek. corr. adres: G. Baan, Boekenlaan 20 Utrecht.

In de geschiedenis van het christelijk onderwijs neemt de het technisch onderwijs een achterhoede-plaats in. Aanvankelijk worden lagere scholen met de Bijbel gesticht; later verschillende vormen van middelbaar onderwijs maar pas veel later scholen van beroepsonderwijs. Eerst scholen voor lager beroepsonderwijs (l.t.s., l.h.n.o., later de m.t.s. (toen nog u.t.s.) en de eerste christelijke hogere technische school is pas vijf jaar geleden geopend. Het technisch onderwijs vormt een sluitstuk in de verzuiling van het onderwijs. Misschien wel omdat het technisch handelen lange tijd als neutraal werd ervaren; een eigen school voor de voorbereiding tot een technisch beroep achtte men niet noodzakelijk. Hier is gelukkig verandering in gekomen.

Dat de techniek en Bijbel op elkaar betrokken kunnen worden, bewijst de bovengenoemde werkgroep die zich bezig houdt met bezinning op het christelijk karakter van de chr. m.t.s. Deze werkgroep stimuleert de bezinning o.m. door de uitgave van een brochure-reeks. De deeltjes 2 en 3 werden ter recensie toegezonden. Deel 2 bevat de lezing die prof. dr. J. W. van Hulst, ex-hoogleraar in de pedagogiek aan de V.U. te Amsterdam, hield op uitnodiging van de werkgroep. De lezing is opgebouwd vanuit twee stellingen:

1. De opdracht tot een Bijbelse opvoeding en tot Bijbels onderricht is op zichzelf niet discutabel. Ook het godsdienstonderwijs onderwijs aan de technische scholen is een poging om een antwoord te geven op de bijbelse opdracht.

2. De godsdienstige opvoeding en speciaal het Bijbels onderricht is momenteel in wezen meer een probleem van de volwassenen dan van de jeugd. Het zijn de volwassenen die soms niet meer weten welke weg zij moeten bewandelen. Daardoor hebben zij grote moeilijkheden om jongeren de juiste weg voor te houden.

De hoogleraar gaat in op het moderne levensgevoel in de theologie waardoor juist de opvoeders zijn aangetast. Hij wijst een verhorizontalisering van het heil af. Grondstruktuur van ons godsdienstonderwijs moet zijn; 'eerst moet er zijn de vertikale verbinding tussen God en mens; daarna de horizontale relatie tussen mens en medemens'.

Brochure 3 bevat een handreiking 'geloof en techniek' van de heer J. Kwantes, docent chr. m.t.s. Door de techniek, aldus de schrijver, heeft God de mens in staat gesteld te komen tot technische prestaties waarbij de mens de stoffen die de aarde voortbrengt, gaat gebruiken. De mens gebruikt de techniek om de gevolgen van de zondeval terug te dringen en menselijk leed te bestrijden.

Dat de technische ontwikkeling discutabel is, komt door het verkeerd gebruik van de mens. De mens is slechts rentmeester van de hem toevertrouwde natuur, geen eigenaar. Hij is daarom verantwoording schuldig aan zijn Schepper.

De opdracht vanuit een Bijbelse grondhouding is daarom: de techniek zodanig te gebruiken dat alles in de liefde gericht is op het dienen van de naaste, de natuur, zodat zij elk afzonderlijk zich kunnen ontplooien. Van groot belang is dat de aanslag op de natuur tot een minimum beperkt blijft, zodat ook het nageslacht nog de beschikking heeft over een leefbare wereld.

De m.t.s.-er zal niet betrokken zijn bij de belangrijkste beslissingen van de technische ontwikkelingen; deze worden op een hoger niveau genomen. Maar hij is wel betrokken bij de beantwoording van de vraag hoe de techniek zal worden ingeschakeld. Ook daarvoor geeft de Bijbel ons richtlijnen. Met belangstelling zijn deze brochures gelezen; het is geen alledaags verschijnsel dat de bouwstenen van bezinning op het christelijk karakter van het onderwijs vanuit het technisch beroepsonderwijs worden aangedragen. Daarom is het verheugend dat de werkgroep dit initiatief genomen heeft. Van harte aanbevolen. M. Burggraaf.

Rapport van de werkgroep schoolgrootte van scholen voor v.w.o., havo en mavo. uitg. Besturenraad prot. chr. onderwijs in Nederland, Voorburg, ƒ 4, -

Augustus 1976 installeerde staatssecretaris de Jong van Onderwijs een Commissie die antwoord moet gaan geven op de vraag welke omvang van scholen voor voortgezet onderwijs optimaal is. De besturenraad prot. chr. onderwijs onderkende de vragen rond de schoolgrootte al vroeger en installeerde reeds begin 1975 een werkgroep die een verslag moest uitbrengen. Dit verslag verscheen maart 1977 en werd ter recensie toegezonden. Uit genoemde aktiviteiten blijkt dat de omvang van de scholen problemen gaat oproepen. De groei van scholen voor voortgezet onderwijs na het inwerkingtreden van de Wet op het voortgezet onderwijs (1968) is inderdaad problematisch geworden. Vooral door de externe democratisering, d.w.z. meer jongeren dan voorheen nemen langer deel aan de onderwijsvoorzieningen, zijn vele scholen in korte tijd uitgegroeid tot grote onderwijsinstituten. Deze groei is door de werkgroep kritisch bezien. Volgens het rapport moet men uitgaan van de vraag naar wat men in en door de scholen wil bereiken. In de beschouwingen hierover zocht de werkgroep aansluiting bij de formulering in de doelen van opvoeding en onderwijs, opgesteld door dr. F. Boerwinkel. Deze stelt dat het van essentieel belang is dat de jonge mens is opgenomen in een gemeenschap, waarin ouderen en jongeren elkaar steunen. Dit kan alleen in een gemeenschap, waarvan de leden elkaar kennen en waar continuïteit is in de relatie leraar-leerling.

De werkgroep concludeert dat deze relatie in de huidige school moeilijker te handhaven is naarmate de school groter wordt.

Voor het docentencorps van een grote school is het gevaar van vervreemden niet denkbeeldig en wordt het vinden van een gezamenlijke visie op identiteit van de school en zeker van pedagogische aard moeilijker naarmate de school in omvang toeneemt. De grootte van de scholen is verder van invloed op de taken en het funktioneren van de schoolleiding, de contacten tussen ouders en de school, de relaties tussen de leerlingen onderling en de overlegstrukturen in de scholen.

Uit een onderzoek naar de relatie schoolgrootteexploitatiekosten blijkt dat kleine scholen (minder dan 250 leerlingen) het duurste zijn en zeer grote scholen (meer dan 1500 leerlingen) het goedkoopste. Het rapport pleit voor schaalverkleining van de school, zodat deze minder organisatiegericht en meer persoongericht is. Men vindt dat een school (scholengemeenschap) niet meer dan 800 a 900 leerlingen moet hebben.

Een conclusie waar we het mee eens kunnen zijn. Het is te hopen dat de ministeriële commissie tot dezelfde conclusie komt, en dat het beleid zodanig wordt dat scholen sneller tot splitsing in kleinere scholen kunnen overgaan.

M. Burggraaf.

Ton Lemaire, Over de waarde van kuituren, 511 blz. ƒ 47, 50, Ambo Baarn, 1976

Dit boek, dat een inleiding wil zijn in de kultuurfilosofie, wordt beheerst door de spanning tussen wat de schrijver noemt het europacentrisme en het relativisme, dat in de europese cultuurgeschiedenis is gebracht door de invloed van de buiteneuropese wereldcultuur. Eerst wordt een schets gegeven, hoe het tot de europacentrische cultuur is gekomen, waarbij een uitvoerige analyse wordt gegeven van de z.g. verburgelijking van de europese maatschappij met haar zware accenten op het economische, individualistische en politieke, die hieraan inhaerent zijn. Het ligt voor de hand, dat in dit verband ruime aandacht wordt gegeven aan de Verlichting, die zo diepgaand de west-europese cultuur heeft gestempeld. Door de culturele anthropologic echter zijn de ogen open gegaan voor de vreemde culturen in de wereld, met als gevolg een steeds toenemende beïnvloeding van daaruit op de europese cultuur. Zo komt de europacentrische cultuur in beweging met al de crisis verschijnselen, die hiermee gepaard gaan. In dit kader behandelt de schrijver het marxisme en neo-marxisme met zijn reacties en nieuwe ontwikkelingen o.a. in de gedachtensystemen van het strukturalisme en van de z.g. Frankfurter Schule. De auteur beperkt zich echter niet alleen tot een omschrijving en analyse van wat rondom het cultuurprobleem is en wordt gefilosofeerd, maar hij komt ook tot een eigen visie op wat de ideale cultuur zou kunnen en moeten zijn. Hij ziet deze in een cultuur, waarin de produktie gematigd is door een blijvend ekologisch evenwicht, verbonden met een arbeidsverdeling die noch in de integratie van de diverse levenssferen, noch de veelzijdige ontplooiing van het individu geweld aandoet, zodat een werkelijke gemeenschap van solidaire individuen mogelijk is (blz. 378). In de kuituur gaat het dus eigenlijk altijd om een of andere verhouding tot de natuur. Het grondprobleem van elke kultuurfilosofie is te begrijpen hoe kultuur en natuur zich tot elkaar verhouden. In het nadenken hierover heeft volgens de schrijver de traditionele godsdienst geen rol meer te spelen. Alleen in de kunst en de filosofie is dit nog mogelijk, maar dan vooral in de vorm van een natuurmystiek, die in onze natuurwetenschappelijke wereld weer een nieuwe kans en een nieuwe noodzaak krijgt, (blz.442 v.). Zo voelen wij aan in welke richting de schrijver uitdenkt. Met alle waardering voor zijn knappe en toch zeer inzichtelijke analyse kunnen wij deze weg naar de ideale kuituur niet met hem mee opgaan. De bijbelse prediking van het komende Rijk Gods wijst een andere weg, voortreffelijker en van grotere geldingskracht, al wordt ze niet in de filosofie of in de (natuur) mystiek maar slechts in het geloof gezocht en gevonden.

C. G.

G. Th. Rothuizen, Ethiek en gebed, een crisis, 136 blz., J. H. Kok, Kampen, 1976

Als Rothuizen spreekt van een crisis rondom de relatie tussen ons gebed en ons handelen in deze wereld, zal ieder dat met hem eens zijn. Wij ervaren deze crisis in ons persoonlijk leven, maar evenzeer in de gemeente en in het geheel van ons wereldlijk bestaan in nationale verhoudingen. Waardevol is het dan ook, dat de vragen, die zich rondom dit thema opstapelen in dit boek ter sprake worden gebracht, met een poging tot een voorzichtig antwoord en verantwoorde leiding. Wij denken dan vooral aan wat geschreven wordt over het wonder en over de verhoring. Maar evenzeer is het van belang, dat ook de politieke aspecten van deze problematiek aan de orde worden gesteld. Toch laat het lezen van dit boek ook een onbevredigd gevoel achter. Mijn grootste bezwaar is, dat over het gebed en ons christelijk handelen te weinig wordt gesproken binnen de orde van het geloven als het zich onderwerpen aan het volstrekt gezaghebbend getuigenis van het Woord van God en daarin aan God zelf. Liggen juist hier niet de diepste oorzaken van de genoemde crisis? Worden wij in ons bidden niet te veel afgeleid door allerlei stemmen om ons heen en laten wij ons handelen niet te veel bepalen door wat de huidige opinie, progressief of conservatief maar steeds wettisch ideologisch, voorschrijft? Hoewel de schrijver zelf erkent, dat hij de behandeling te fragmentarisch vindt, zou meer uitwerking in die richting nodig geweest zijn. Maar dat hangt natuurlijk ook ervan af, hoeveel gewicht men hieraan toekent. Het boek besluit met een aantal korte meditaties over het Onze Vader, waarin de te voren behandelde stof in meditatieve toon terugkeert.

C. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1977

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1977

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's