Nicolaas Schotsman
2
Schotsman moet zelf gevoeld hebben dat zijn vertrek uit Sloten toch wel erg spoedig had plaatsgevonden.
Predikant te Sneek
Staande op de kansel te Sneek Iaat hij zijn blik nog eens teruggaan en merkt hij op, dat het beroep uit Sneek voor hem 'eene opmerkelyke beproeving' had betekend. Hij voegt er aan toe: 'zy was een wettige roeping, van myne zyde ongezogt en onverwagt, van uwe zyde door eene groote meerderheid des manslidmaaten op my uitgebragt, en van Gods zyde droeg zy kenmerken eener byzondere voorzienigheid; de grootere uitgebreidheid deezer gemeente en haare sterke en aanhoudende aandrang om tot u over te komen waren gewigtige drangredenen om de roepinge te volgen'. Het is duidelijk dat Schotsman, die al een ruimer werkterrein had gehad te Leiden, zich in het veel kleinere Sloten toch niet geheel op zijn plaats gevoelde; toen Sneek zich irieldde kon hij aan deze roeping geen weerstand bieden, hij nam het aan.
Maar opmerkelijk is dat hij in zijn intreepreek te Sneek reeds heeft gezinspeeld op een mogelijke terugkeer naar Leiden. Hij zei: Zo ben ik dan tot u overgekomen, om u te dienen in het Evangelie tot dat het God behaage my aan de begeerte der Leydsche Gemeente weder te geeven, of naar elders te roepen, of door de dood weg te neemen.
Steeds moet Schotsman diep in zijn hart ermee gerekend hebben dat te Leiden de bakens nog weleens verzet zouden kunnen worden en voor hem de weg naar de gemeente aldaar gebaand zou worden. Hij voelde zich nog altijd predikant van Leiden; predikant in ballingschap.
Uitgebreide Gemeenten
Schotsman had een ernstige opvatting van het ambt. Dat blijkt wel uit de slotwoorden van zijn intreepreek te Sneek. Hij zegt daarin: 'De ondervinding heeft my geleerd, hoe moeielijk het zy, vooral in uitgebreide Gemeentens, het aangezicht van zyne schaapen te kennen, en dit moet echter myn werk als zielenherder zyn. De kennis van het hart moet ik aan de alweetenden Jesus overlaaten; maar ik zal op uwe belydenis en gedrag moeten acht geeven, om als herder agter den Heere onderscheid te kunnen maaken tussen rammen en bokken, tussen klein vee en klein vee... Ik zal Gods kudde moeten weiden met zuiver en gezond voedsel'.
En dan volgt nog een ontboezeming die ons leert van welke geestesrichting Schotsman was. 'Ik bemin de leer der hervormde kerk met myn gantsche hart, maar ben van oordeel, dat een rechtzinnig leeraar den Bybel niets anders moet doen zeggen dan hetgeen hy zegt'. Schotsman heeft dus bewust een bijbels prediker willen wezen. Hij was een rechtzinnig man, maar onderkende het gevaar alleen maar dogma's te preken en niet te putten uit het levende Woord. Hij zag het als zijn roeping ernst te maken met de exegese. Hij zegt: Ik wens langs de regels van uitlegkunde de zin en mening des Geestes op te sporen en mij daartoe telkens door bidden en werken voor te bereiden.
En dan tot slot nog een vermaning aan het adres van de gemeente van Sneek: 'Het verbittere u niet, wanneer ik ernstig de zonde bestraffe en de wet predike, om de zondaaren te ontrusten en hen te doen vlieden van toekomende toorn. Ik wensch de teedere lammeren op te kweeken met de melk van het Euangelie, maar nooit onder dat voorwendzel een geloof te leeren, hetwelk ontbloot is van het toegeëigend aanneemen van een vertrouwen op den Heere Jezus'.
De laatste zinsnede in dit vermaan zal gericht zijn geweest tegen hen die de 'bekommerden' van hart wilden sterken in hun bekommernis zonder hen het geloof in Christus voor te houden.
Afscheid van Sneek
Krap 3 jaar later was het weer zo ver. Weer kan Schotsman de herdersstaf opnemen en vertrekken. De zaken in het vaderland hadden dermate een keer genomen dat Schotsman weer in Leiden kon en mocht terugkeren. Op zondag 12 juli 1801 preekte hij afscheid. De tekst van de preek was Genesis 32 : 9-10. Jacob, zegt Schotsman, moest eens zijn vaderland verlaten om de woedende toorn van Ezau, welnu, 'door soortgelyke omstandigheden vondt ik my verhindert in de waarneming myner herderlyke bediening by myn wettige Gemeente te Leyden'.
Maar eerst in Sloten en toen hier in Sneek heb ik werk mogen vinden. Met dankbaarheid ziet Schotsman terug op de bijkans 3 jaren die hij te Sneek mocht doorbrengen. 'Ik heb het voorrecht gehad, een onafgebroken gezondheid te genieten, en kan my niet herinneren ooit door ongesteldheid buiten staat geweest te zyn, myn dienstwerk te verrichten'.
Schotsman was een zeer correct man, die alles nauwkeurig optekende, dat blijkt uit het volgende: 426 keer heb ik hier gepreekt, bovendien nog 35 keer buiten de stad. 'Het werk myner bediening hier was myn lust en myn leven'. Vaak heb ik 's zondags na 3 keer preken God mogen danken voor zyn ondersteuning, daar ik over geen vermoeidheid behoefde te klagen.
De Heere heeft mijn dienstwerk willen zegenen, zegt hij verder. De kudde groeide. Ik mocht 112 lidmaten op belijdenis des geloofs aannemen, waaronder 11 volwassenen door de doop. Er werden mensen overreed van 'de noodzakelykheid der wedergeboorte en staatsverandering'. Ik heb niet alleen de leer der vrije genade gepreekt, maar ook de 'reine zedeleer'. 'Hierdoor zyn menschen, die dagten, eens bekeerd altyd bekeerd, overtuigd geworden, dat hun Christendom niet van den regten stempel was; wyl oprechte maar verdoolde zielen overreed wierden van de noodzakelykheid der Evangelische Heiligmaking'. Er waren dus in de gemeente te Sneek in die dagen mensen die, wij antinomianen (wetsbestrijders) zouden noemen. Zij meenden bekeerd te zijn en namen het verder met het leven niet zo nauw.
Maar Schotsman kwam in deze gemeente ook anderen tegen. Dat blijkt uit het volgende. Ik heb er hier ook gevonden 'die eenvoudig den Heere zogten, hoewel onder veel bekomering'.
Bekommerde zielen dus. Hoe pakte Schotsman ze aan? 'Ik heb niet zonder vrugt hen opgewekt, om hun roeping en verkiezing vast te maken en hen geleerd dat Gods Woord alléén de grond van het geloof moest zyn'. Velen van hen, zo getuigt hij verder, zijn tot 'geloofslicht en gemoedsverruiminge' gekomen.
Maar Schotsman had ook zelf te Sneek het een en ander geleerd. Sneek is mij een Pniël geworden, zegt hij. God verleende mij 'eene gemeenzaame ommegang' met Hem. Ik mocht zelf de kracht van het Evangelie smaken. In Sneek ben ik, meer dan op andere plaatsen waar ik werkzaam was, 'in geloofswerkzaamheden en in vastigheid der hoope' gevorderd.
En er was nog iets wat Schotsman vreugde had gegeven. Ik heb hier mijn enige zoon tot de heilige bediening zien komen; en ik heb persoonlijk hem tot zijn ambtswerk mogen inleiden en zijn huwelijk mogen inzegenen.
Thans ga ik vertrekken naar Leiden. Er zijn daar door de dood van twee predikanten vacatures ontstaan. De bezwaren konden uit de weg worden geruimd, zodat niets meer mij belet om daarheen te gaan. De kerkeraad van Leiden heeft mij een- en andermaal gemaand om terug te komen. Ik vond mij verplicht om te gehoorzamen. Men bedenke: Ik ben nimmer van mijn Leidse gemeente losgemaakt, en ben dus aldoor haar wettige leraar gebleven. Daarom moet ik nu gaan. Het gaat mij wel aan mijn hart. Immers mijn kinderen moet ik hier achterlaten.
En dan een paar vermaningen die Schotsman geheel en al typeren. Laat u niet door de geest van de tijd verleiden om de grote waarheden van het christendom te verwisselen voor de losse en onbestaanbare gedachten en ideeën van onze eeuw, die geen troost verschaffen in leven en sterven.
Hier kondigen zich al aan de strijdleuzen van het Réveil, waar Schotsman straks te Leiden, de stad waar Bilderdijk zou gaan wonen en school zou maken onder vele jongeren, zo van harte zich mee verbonden zal gevoelen. Al heeft hijzelf niet meer beleefd de publicatie van Da Costa's Bezwaren tegen de geest der eeuw, hij heeft wel mede zelf bepaald, het klimaat waarin dit geschrift ontstaan is. Schotsman is onder de Réveilmensen niet alleen bekend maar ook algemeen geacht geweest. Zijn relaties tot het Réveil zullen later nog aan de orde worden gesteld.
Tot slot nog dit aan het adres van de gemeente te Sneek. Uw geloof moet niet gegrond zijn op de genadestaat van uw leraars, maar op de wettigheid van hun zending. Hier keert Schotsman zich tegen mogelijke labadistische invloeden in het Friese land.
Hij zegt: Er zijn er die laag op de dienaren neerzien; er hun voornaamste werk van maken om hun persoonlijke gepadestaat te beoordelen en te veroordelen. Of men beschuldigt ze, zonder er bewijzen voor te leveren, van onrechtzinnigheid. Maar men bedenke wel, dat de leraren Gods knechten zijn.
En dan: 'Wij hebben u tragten te leeren, dat een bekennend Christendom niet genoeg zy, maar dat er een stellige beoeffening van waare Godzaligheid by u plaats moet hebben'.
Hier slaat Schotsman klanken aan die duidelijk herinneren aan de Nadere Reformatie. Hij was een man die leefde en sprak in de geest van de mannen van de Nadere Reformatie. Grote liefde heeft hij gehad voor diverse vertegenwoordigers van deze beweging, vooral voor Witsius en Fruytier.
In Schotsman hebben Nadere Reformatie en Réveil elkaar gevonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1977
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1977
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's