Uit de Pers
Christelijk onderwijs in Indonesia
De Indonesische regering geeft aan het onderwijs hoge prioriteit. Er worden vele nieuwe scholen gebouwd die een speciale naam dragen en nogal wat aantrekkingskracht uitoefenen. Menigmaal wordt zo'n nieuwe onderwijsinstelling geplaatst naast de oude christelijke dessascholen. Dat is niet toevallig. Er is een tendens merkbaar om het christelijke onderwijs terug te dringen en het hele onderwijs in handen van de regering te brengen. Dr. J. van der Linden schrijft hierover in het Centraal Weekblad van 7 mei. Hij acht de positie van het christelijk onderwijs in Indonesië bedreigd door de regeringsmaatregelen. Kan het christelijk onderwijs zijn positie handhaven?
Het wordt hoe langer hoe meer een vraag of en hoe het christelijk onderwijs in Indonesia zijn positie kan handhaven. Voor meer dan een bestuur beginnen rode lampen te branden. Het aantal kinderen dat de christelijke scholen verlaat om over te schakelen naar de nieuwe regeringsscholen stijgt. Dat heeft direct gevolgen voor de te innen schoolgelden. Het wordt daardoor steeds moeilijker om de salarissen van de christen-onderwijzers te betalen, die toch al minder verdienen dan hun regeringscollega's. De zuigkracht van die salariëring wordt meer dan één christenonderwijzer te machtig. In het eerste kwartaal van 1977 zijn liefst 60 leerkrachten bij het christelijk onderwijs weggegaan. Bij het regeringsonderwijs worden zij met open armen ontvangen.
Stellig zullen er onder hen zijn die ook op een regeringsschool hun christelijke getuigenis niet onder de banken zullen steken, maar deze overgangen geven wel te denken. Wie zich de situatie goed indenkt, zal iets verstaan van de levensgrote verzoeking voor deze mensen om in hun positie, waarin het salaris nauwelijks toereikend is voor de allereerste levensbehoeften, over te stappen naar een andere baas, die op dit punt beter zorgt voor de dag van vandaag en straks ook voor de oude dag.
Bij al de zorgen van de christelijke schoolbesturen, komt dan nog het feit, dat op verschillende scholen aan de eens toegestane subsidie wordt geknabbeld. Maar de grootste dreiging komt momenteel van het ministerie van onderwijs zelf. Daar zijn nieuwe richtlijnen uitgegeven, die er op wijzen, dat de regering erop uit is haar invloed zo veel mogelijk uit te breiden. Nog niet zo lang geleden onthulde het ministerie iets van zijn plannen in enkele vragen, gericht aan het particulier onderwijs, dus ook aan de christelijke schoolbesturen. De eerste opmerking van het ministerie gaat over het godsdienstonderwijs op de christelijke scholen. De regering is van oordeel, dat aan christelijke scholen, die immers 'publieke' scholen zijn, leerlingen uit islamitische gezinnen ook islamitisch godsdienstonderwijs dient te worden gegeven.
Verder zint de regering op mogelijkheden om alle buitenlandse bijdragen voor het christelijk onderwijs via het ministerie te laten lopen. Tenslotte ligt het in de bedoeling van de regering om er bij de christelijke schoolbesturen op aan te dringen hun scholen in achtergebleven arme gebieden zonder meer over te dragen aan de overheid: Het is niet het minst dit laatste idee, dat velen in Indonesia de ogen heeft geopend, zoals één van de onderwijsmensen schreef: 'Wij mogen de ogen niet sluiten, maar moeten de realiteit onder ogen durven zien'. 'De storm steekt op en wind en golven bedreigen ons scheepje'. 'Maar', zo voegde hij er aan toe, 'wij herinneren ons, dat de Heer ons geen rustige vaart heeft beloofd'.
Het is zaak, dat wij in Nederland deze dingen weten. Ook hier is christelijk onderwijs geen stormvrij gebied. Niettemin verkeren we, vergeleken met de broeders en zusters in Indonesië nog in een bevoorrechte positie. Dat vergeten we maar al te dikwijls. Van der Linden geeft ook weer, wat zich ergens op Java afspeelde, hoog in de bergen in een dessa:
De christelijke school daar in die dessa bestaat al 25 jaar. Vlak in de buurt bouwde de regering een nieuwe school. Tot nu toe verliet geen van de leerlingen de christelijk school. Maar toen begon men van alle kanten aan het hoofd van de christelijke school te trekken, met de beloften van promotie en hoger salaris. De man ging erover praten met zijn bestuur helemaal in Semarang. Daar kon men hem geen salarisverhoging in het vooruitzicht stellen. Men heeft hem wel gezegd, dat zijn vertrek het einde zou betekenen van de christelijke school op die eenzame post en een geweldige slag voor de gemeente daar. Het bestuur stelde hem tenslotte de vraag, waarheen zijn liefde uitging. Naar zijn Meester, die hij tot nu toe had gediend of naar zichzelf. Toen kwam het beslissend antwoord: 'ik zal mijn post niet verlaten'.
Dat staat er allemaal op het spel als de schoolbesturen zouden ingaan op de wens van het ministerie om hun scholen aan haar over te dragen. Vanuit Indonesia komt nu de vraag: 'Mogen wij dat doen, gezien de moed en het vertrouwen van onze guru's en gezien het vertrouwen, dat de bevolking onze scholen schenkt' ? Een van hen, die heel zijn leven daar gegeven heeft in dienst van het christelijk onderwijs schreef: 'Het is Pasen, als ik nu 'ja' zou zeggen op de vraag van de regering en die scholen zou overdragen, dan zou het zijn als stond ik tussen de massa, die eens riep: 'Kruist Hem'.
Zolang het christelijk onderwijs in Indonesia gedragen wordt door die liefde, dit geloof in de opdracht, zolang zal het christelijk onderwijs daar zijn zware taak blijven vervullen.
Maar in het kader van de samenwerking tussen onze kerken en zending zullen wij hier ons wel hebben af te vragen of wij inderdaad alles hebben gedaan om het hen mogelijk te maken, dat de christelijke scholen in Indonesia blijven spellen de ene Naam van Hem, Die ook dit volk blijft roepen in Zijn gevolg.
Hier ligt ook voor de toekomst nog een brok zendingswerk, dat ons allen aangaat. Het zou ons een vreugde moeten zijn ons daarvoor in te zetten. Zolang het nog dag is!
Graag geef ik dit appellerende woord aan u door. Laten wij door onze voorbede en door onze assistentie aan de kerken daar de christenen in Indonesië de steun geven die zij nodig hebben.
Kinderen aan het Avondmaal?
De kwestie van de gezinscommunie blijft ons bezig houden. In hetHervormd Weekblad van 9 juni gaat dr. C. Bezemer in op de door de Gereformeerde Synode gegeven overwegingen, gepubliceerd in 'Kerkinformatie'. Ten aanzien van de kinderen wordt in het rapport de vraag gesteld, inhoeverre kinderen in staat moeten worden geacht te geloven en zo deel te nemen aan de viering. Dr. Bezemer schrijft hierover:
De eerste vraag, die aan de orde wordt gesteld, is in hoeverre kinderen in staat moeten worden geacht te geloven en dus ook in het geloof deel te nemen aan het Avondmaal. Meer dan eens wordt erop gewezen, dat men van hen geen 'volgroeidheid' mag eisen. Maar dat is helemaal niet in het geding. Trouwens de opstellers van het rapport weten dat zelf ook, want zij voegen er aan toe, dat 'ook de volwassenen er vaak maar al te ver van verwijderd zijn'. In menige voorbereidingspreek (wordt de voorbereiding voor het Heilig Avondmaal overal nog gehouden? ) is daarop reeds gewezen. Ook een kleingeloof geeft plaats aan de Avondmaalstafel.
Vervolgens worden een aantal argumenten opgesomd, die sterk de indruk wekken, dat de kinderen koste wat het kost aan het Avondmaal moeten. In het vorige artikel heb ik daarop al de aandacht gevestigd. Voorbeelden: de kinderen zijn er vaak dichterbij dan wij; Jezus stelt de kinderen ten voorbeeld; we mogen niet gering denken van de mogelijkheden van de Heilige Geest; kinderen kunnen verrassen door hun frappante uitingen van vertrouwen op Gods hulp. Het is mij echter niet duidelijk, dat dit wezenlijke argumenten zouden kunnen zijn, die deelname van kinderen aan het Heilig Avondmaal rechtvaardigen.
Hier wordt gewezen op de onderwijzing aangaande de Doop (die achter hen ligt) en het Avondmaal (dat op hen wacht). Daar moeten de kinderen - zoals wordt gezegd-naar toe groeien. De Avondmaalsviering kan daar zelf een wezenlijke bijdrage toe leveren.
Wat mij opvalt is, dat over deze dingen zo gemakkelijk wordt gesproken. Hoevele belijdende leden der kerk zijn er niet, die worstelen met de Avondmaalsgang, die steeds weer geen vrijmoedigheid hebben om aan te gaan? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat in allerlei gevallen de kinderen aan het Avondmaal gepraat worden. Is er niet een groot gevaar, dat later volwassenen, die toen ze nog kind waren naar het Avondmaal werden meegenomen (maar eigenlijk zelf niet wisten wat ze deden) zich dan met een zekere spijt of wroeging zullen afvragen wat ze als kind hebben gedaan (of moeten doen), wanneer ze als volwassene de werkelijke betekenis van het Avondmaal hebben leren verstaan?
Wordt in de Gereformeerde Kerken evenals in de Ned. Hervormde Kerk dan geen ernst meer gemaakt met zondag 30 van de Heid. Catechismussen met hetgeen in het Avondmaalsformulier wordt gezegd? Waarom wordt in de Catechismus wel gevraagd: 'Zal men ook de jonge kinderen dopen? ' en niet: 'Zal men ook de kinderen toelaten tót het Heilig Avondmaal? ' Wanneer op blz. 15 van het rapport wordt opgemerkt, dat eventueel de kerk orde op dit punt gewijzigd zou moeten worden, dan dient ook de belijdenis der kerk gewijzigd te worden.
Terecht wijst Bezemer op de onlosmakelijke samenhang tussen sacrament en geloof. De toelating van de kinderen tot het Avondmaal heeft gevolgen voor de relatie belijdenis-Avondmaal. Praktisch zit er de consequentie in, dat het aantal verschilpunten tussen gemeenten weer met één vermeerd wordt, en een principiële standpuntbepaling in de kerk bijna onmogelijk is, omdat in allerlei gemeenten de kinderen al lang toegelaten zijn. Wat betekent dit wanneer gezinnen gaan verhuizen van gemeente A, waar de kinderen toegelaten worden naar gemeente B, waar dit niet geschiedt? Het maakt de verwarring alleen maar groter.
Een gereformeerde stem
In het maandblad Credo (mei 1977) somt dr. B. van Oeveren een twaalftal argumenten op tegen de Avondmaalsviering door kinderen.
We noemen in het kort een aantal 'stellingen' waardoor we van mening zijn dat kinderen géén Avondmaal kunnen vieren:
1. Niet alleen doop en avondmaal horen bij elkaar, ook belijdenis en avondmaal. Zo lezen wij de Schriften en zó heeft de kerk het aanvankelijk gezien en het is de tijd van de Reformatie opnieuw leren verstaan. Rond de tafel des Heren zitten belijdende christenen, die in staat zijn het lichaam van Christus te onderscheiden (1 Cor. 11 : 29). Degenen, die pleiten vóór 'ontkoppeling' van belijdenis en avondmaal zullen er rekening mee dienen te houden, dat zij op z'n minst door het getuigenis van het N.T. en de Reformatorische traditie in het ongelijk worden gesteld.
2. De Paschamaaltijd, een gezinsmaal, kan niet geheel vereenzelvigd worden met het H. Avondmaal, de maaltijd bestemd voor de gelovigen.
3. Op de vraag van de zonen (meestal het jongste kind) naar de betekenis van het Pascha (Ex. 12 : 24-27) wordt de Joodse vaders gewezen op de opdracht hen hierin te onderwijzen; vgl. ons catechetisch onderwijs!
4. Het N.T. biedt géén gegevens, waaruit geconcludeerd kan worden, dat kinderen aan de viering van het avondmaal deelnemen.
5. Psychologisch kan een te vroegtijdige deelname van kinderen aan het H. Avondmaal hen er op latere leeftijd toe brengen de ouders of de kerk te verwijten, dat zij tot handelingen gedreven werden, waar zij indertijd onvoldoende achter stonden.
6.Pedagogisch dienen ouders en kerk aan de kinderen de ruimte te geven om bewust een keuze voor Christus te doen op de weg van de groei naar de volwassenheid.
7. Het is ongewenst, dat de plaatselijke gemeenten zélf beslissen over het al of niet toelaten van kinderen tot het Avondmaal, omdat dan het kerkverband hieronder lijdt, met alle gevolgen van dien.
8. De praktijken in andere kerken moedigen de invoering van de zgn. 'kindercommunie' niet aan.
9. Urgenter dan de toelating van kinderen tot het H.A. zou wel eens kunnen zijn de vraag of, en in hoeverre, in de opvoeding het onderwijs aangaande de doop nog functioneert.
10. Toelating van jongeren zonder dat ze belijdenis doen, dreigt de bezwaren om te komen tot openbare belijdenis des geloofs eerder groter dan kleiner te maken. Het betekent ook een aantasting van het karakter van de kerk als belijdende gemeente.
11. De gedachte dat aan gedoopte kinderen door ze niet toe te laten tot het H.A., iets zou worden onthouden wat ze behoeven, gaat er ten onrechte van uit, dat in het avondmaal een ander heil zou worden meegedeeld dan in de prediking en in de doop.
12. De ouders en de kerken hebben tot opdracht de jeugd der kerk vanuit de doop op te voeden tot een zelfstandige keuze tot het belijden van de God van het Verbond.
Het is jammer, dat Van Oeveren deze stellingen niet wat uitwerkt. De lezer moet er nu een hoeveelheid zaken omheen denken, al is wel duidelijk in welke richting deze stellingen gaan. Zakelijk komt Van Oeverens argumentatie overeen met die van dr. Bezemer. Wij signaleren slechts: Ook deze stemmen klinken dus nog in de Gereformeerde kerken. Ik meen, dat zij er recht op hebben dat ook wij hen helpen in de bezinning op de vragen rondom de viering van het Sacrament en de kinderen der gemeente.
De achtergrond van de moderne theologie
Tenslotte nog een fragment uit een artikel van prof. dr. W. H. Velema in Koers van 13 mei. Schrijvend over de moderne theologie en het neo-marxisme, alsmede de invloed op de Wereldraad geeft Velema als één van de achtergronden aan het verschijnsel van de secularisatie. Hij schrijft hierover:
Wanneer men nu vraagt wat de achtergrond is van deze nieuwe theologie dan moet gewezen worden op de secularisatie. De secularisatie wordt gekenmerkt door een manier van denken en handelen waarin God afwezig is. De mens staat er voor in eigen kracht en is aangewezen op zijn eigen mogelijkheden. Hij kan geen beroep doen op een instantie buiten deze wereld. Zo God al bestaat. Hij kan niet gekend worden. We zijn op onszelf, onze inzichten aangewezen. We moeten het zelf voor elkaar brengen. Geen kontrole van buiten af noch van boven; niet van enige metafysica noch van enige godsdienst, zeker niet van een buitenwereldse openbaring.
Het is duidelijk dat een poging van hieruit de theologie op te bouwen, leidt tot een resultaat als hetwelk hierboven werd beschreven. Dan krijgen we precies het 'one dimensional' beeld, dat we hierboven tekenden. Men vertaalt alle onderdelen van de theologie in de taal van de secularisatie. De Reformatie heeft precies het omgekeerde gedaan. De herontdekking van het Woord was tegelijk de herontdekking van de handelende God; van zijn spreken over oordeel en vergeving, van zijn doen in gericht en genade.
Om het tot stand komen van de geseculariseerde theologie te begrijpen zal men moeten teruggrijpen op de korrelatietheologie van Paul Tillich. Zijn uitgangspunt is dat de mens die vragen stelt. Daarop moet de theologie, de Bijbel, in laatste instantie God Zelf het antwoord geven. Het lijkt een heel billijke redenering. Wie zou niet bereid zijn te erkennen, dat de theologie, vooral als ze theologie wil zijn die zich op de openbaring beroept, op de vragen van de mens moet ingaan. Toch is er een geweldige menselijke inbreng in zulk een theologie ingebouwd.
Die inbreng komt binnen via de vraagstelling. De vraag struktureert immers het antwoord. Het overkomt ieder wel eens, dat hij op een vraag geen antwoord kan geven, omdat de vraag verkeerd gesteld is; omdat de vraag zoals deze geformuleerd werd, illegitiem is. Wie nu elke mogelijke vraagstelling als recht hebbend op een bijbels antwoord beziet, miskent dat ook onze vragen en onze vraagstelling onder de kritiek van Gods openbaring moet komen. Wie weigert zijn vraagstelling onder die kritiek te laten komen, struktureert met zijn vraagstelling het antwoord. We krijgen hier de hele kwestie van de verifikatie in een andere vorm terug.
Naar onze gedachte heeft Tillich, in niet onbelangrijke mate bijgedragen aan de wending die de nieuwe theologie te zien geeft. Tot heden heeft men zijn invloed onderschat. Die invloed is vooral methodisch van aard. Zijn methode brengt een bepaalde inhoud mee.
Dit artikel laat nog weer eens zien, hoe belangrijk het is dat we kennis nemen van het denken van onze tijdgenoten. Juist om achtergronden van dat wat zich afspeelt in kerk en theologie te verstaan. Wie theologie wil bedrijven in Gereformeerde zin staat niet op een onbewoond eiland, maar zal, de confrontatie niet mogen ontgaan. Opdat we vanuit de Schrift ook een antwoord mogen geven aan de mens van deze tijd, op zoek naar zekerheid en houvast.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1977
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1977
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's