Wie, deze keer?
Kiest een man onder u, die tot mij afkome. 1 Samuel 17 vs. 8
Dat duurt nu al veertig dagen. Tweemaal daags staat die man daar te brallen Goliath, de man die zijns gelijke niet heeft, de reus. Hij is van top tot teen in blinkend koper gestoken; als hij zich in beweging zet is hij net een wandelend bolwerk. Hij belichaamt eigenlijk de macht van de Filistijnen en hij doet dat indrukwekkend.
De Filistijnen zijn, ondanks de nederlagen die zij geleden hadden, nog aan de macht. Saul en Jonathan hebben hen niet beshssend verslagen. Israël wordt nog steeds door hen bedreigd. Zij vechten samen om het land, het land Israël. U leest in 'Filistijnen' gemakkelijk 'Palestijnen'. Dan zitten we midden in de politieke situatie van onze tijd. Van wie is het land? Zal het Palestina heten, of land van Israël? Dezelfde inzet van de politieke en militaire activiteiten als toen.
De Filistijnen woonden toendertijd in vijf steden, gelegen in de smalle kuststrook. Van daaruit ondernamen ze strooptochten en wilden ze Israël schatplichtig maken. Nu hebben ze hun legers samengetrokken bij het dal der terebinten; aan de overzijde van het dal zijn de Israelieten gelegerd. Geen van beiden gaan ze tot de aanval over, misschien houden ze elkaar in evenwicht. Trouwens, waarom zou er op grote schaal gevochten worden; Goliath doet een voorstel dat de verliezen aan mensenlevens zal beperken tot... één. Een tweekamp inplaats van een veldslag. Goliath is gereed voor het duel en hij daagt Israël uit.
Een menslievend voorstel, naar het schijnt. Laten wij echter niet vergeten hoe de voorwaarde luidt: Wie wint is heer en meester; de anderen moeten hem dienen. Dat wil zeggen: de Israëlieten worden slaven van de Filistijnen. Goliath is er vast van overtuigd dat hij overwinnaar wordt in dit handgemeen en wij zijn er ook van overtuigd: de man is niet te verslaan. Daarom hangt Israel's vrijheid aan een zijden draad, wanneer ze de uitdaging aanvaarden. De Filistijnen willen Israël weer terug dwingen in de dienstbaarheid, waaruit de Heere hen had bevrijd. Farao sprak vroeger ook zo volstrekt: mij dienen. Daartegenover zei de Heere: Mij dienen. Dat was geen touwtrekken; - al trok de Farao aan het kortste eind - de roeping van het volk, en daarmee zijn toekomst staat op het spel. De Filistijnen dienen, is het tegendeel van de Heere hun God dienen. Herendienst, of dienst des Heeren, daar gaat het om.
Goliath neemt geen blad voor de mond, hij brult over het dal heen - voor sommigen verstaanbaar:
Ben ik niet een Filistijn? Eigenlijk staat er: dé Filistijn. De man, die zij naar voren schuiven, die hen vertegenwoordigt. Inderdaad, niemand komt daarvoor meer in aanmerking dan hij, die uitmunt in mannelijke kracht. De krachtpatser, gepantserd en gewapend. Vernederend voegt hij er aan toe: en gij, knechten, slaven van Saul! Geen gelijkwaardige tegenstanders. Een vrijgevochten man, tegenover een onderdaan van Saul. Hetzij zo. Maar laten zij nu toch een man aanwijzen. Kiest een man, die naar mij toekomt.
Weer draait het om de vraag: Wie zal het zijn? Deze keer, nu het er om spant. Hebben ze soms niemand? Goliath veronderstelt het en niet zonder reden; ze hebben in ieder geval geen reus! Saul, dat is toch de aangewezen man; Goliath laat die naam even vallen, dienaren van Saul. Deze is echter niet uit zijn tent te lokken, wie dan? Goliath werpt Israël de handschoen toe, maar niemand raapt die op. Niemand verzet een voet, niemand verroert een vin. Een algemene verslapping, een algehele verlamming heeft zich van Israël meester gemaakt. In hun gelederen is een besmettelijke ziekte uitgebroken, die angst heet.
Veertig dagen lang roept de Filistijn eigen grootheid uit en de machteloosheid van Israël, van de God van Israël. Hij hoont hen, Saul vooral; maar die doet niets, dan steeds hogere beloningen uitloven. Hoe smadelijk. De Filistijn spreekt, Israël zwijgt. De Filistijn is bereid tot een duel; uit Israël meldt zich niemand. De Filistijn pocht op zijn kracht; Israël is bevangen door een geest van vreesachtigheid. Kiest u een man, een uit uw midden. Waar is hun man? Waar is hun... God. Waar is iemand, die het met de Heere waagt, die in het krijt treedt voor het volk des Heeren, die zich weert tegen dit heidens geweld?
Onwillekeurig kijken wij rond, niemand? Laat ieder deze keer verstek gaan? En... David dan! David, dat is waar ook. Deze is het, had de Heere in Bethlehem verklaard, al was dat voor het volk verborgen gebleven. En wij herhalen: Deze is het. Hij telde niet mee, hij stelde niets voor. God had hem verkoren. Kiest een man onder u, Gods keuze blijft van kracht. David zal Israël verlossen, zo treedt hij naar voren; God komt met hem voor de dag, nadat Hij hem enige tijd achter de hand ge houden had. David werd door Isai naar de legerplaats gestuurd, waar zijn broeders onder de wapenen waren. Dat herinnert ons weer aan de geschiedenis van Jozef, die ook op zoek ging naar zijn broeders, met een boodschap van zijn vader Jacob. David raakt haast per ongeluk en spelenderwijze bij de strijd betrokken. Hij loopt wat rond, hij vangt wat op, hij doet hier en daar navraag.
Een man! Onze man? Eliab, zijn oudste broer zet er een dik vraagteken achter, hoewel hij weten kan, dat de Heere wat met David voor had. Hij vaart tegen hem uit: Wat doe je hier, nieuwsgierige aap! Was bij de schapen gebleven. Eliab heeft wat van Goliath. Saul zet er ook een vraagteken achter: Dat kan zó toch niet, net als Goliath. En Goliath zelf, de Filistijn? Een blonde, baardloze knaap. Hij wordt kwaad, hij windt zich op, hij vloekt David bij zijn goden. Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? Wat een belediging. David lijkt helemaal niets op Goliath.
Hij is nog maar een jongeling: heel zijn optreden doet wat kinderlijk aan. Als Saul hem vraagt, hoe hij Goliath denkt te verslaan vertelt hij hem iets over zijn ervaringen als herder: met een knots doodde hij een leeuw en een beer. Herdersgereedschap, een slinger en een steen, dat is zijn wapenuitrusting. Wil hij daarmee de Filistijn te lijf? Vraagtekens genoeg, te veel eigenlijk.
David zet op zijn beurt een vraagteken achter de Filistijn. Wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen? Dat is ontoelaatbaar. David begrijpt dat de eer des Heeren in het geding is. Onbesneden, hij behoort niet tot het volk des verbonds. Onbesnoeid, de man die door groeit tot in het oneindige, die nergens voor staat, die de maat is van alle dingen-reusachtig, David komt er niet van onderde indruk, hij stelt hem op één lijn met de leeuw en de beer: gelijk een van die vs. 36. En tegenover helm, harnas en lans stelt hij niet slingers en steen, hij stelt er de naam des Heeren tegenover, die hem ter harte gaat en die hem bijstaat. Ik kom tot u - daar vroeg Goliath om - in de naam van de-Heere der heerscharen, de God van de slagorden Israels die gij gehoond hebt! Wie, deze keer? Geen man te bekennen? Dan verklaart de Heere opnieuw: David, de man naar mijn hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1977
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1977
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's