Uit de zelfkant van de samenleving
Aan twee boeken, die me zeer hebben aangesproken, zou ik deze week aandacht willen besteden. Ze handelen over de zelfkant van de samenleving, daar waar de misdaad is en daar, waar de verslavingen zijn aan de moderne pep-middel en die we drugs noemen; een zelfkant van de samenleving overigens die niet per sé te zoeken valt in achterbuurten en krottenwijken, maar die ook in de best gesitueerde wijken te vinden is. Het is de zelfkant van de welvaartsmaatschappij. Het eerste boek heet 'Ik ben in de gevangenis geweest' en is geschreven door de Hervormde gevangenispredikant te Rotterdam drs. H. J. ter Haar Romeny. Het andere heet 'Je moest eens weten', geschreven door C(or) Stam (H. I. Ambacht), rechercheur bij de gemeentepolitie, belast met drugzaken en L. van Driel, leraar aan de Chr. Scholengemeenschap Guilaume Farel te Ridderkerk, beiden komend uit 'onze kring'.
Ontdekkend
Wat mij eigenlijk pakte in het boekje van de gevangenispredikant was, dat hij, na gezegd te hebben hoe verontwaardigd mensen reageren bij het vernemen van misdrijven, zegt: 'Maar laten we het niet verhelen, dat velen de onderwerpen, waarvoor ze geen ander woord dan afkeuring hebben, het eerst in de krant opzoeken en er alles van willen weten.' En verder: 'wee ons als nieuwsjagers willen vol doen aan de behoefte naar sensatie en alle misdadige trekjes en alle 'lugubere omstandigheden' in finesses gaan uitsmeren over lekker verkochte artikelen in prettig leesbare magazins.' En tenslotte nog dit: 'terwijl zijzitten, wordt avond aan avond, ter lering ende vermaak, door bioscoop, theaters en t.v. het enige opgevoerd en vertoond wat altijd kijkers trekt als met een magneet: de spanning rond de misdaad.'
Dat zijn onthullende woorden. De zonde en de daardoor ontstane ontwrichting van mensenlevens is object van commercie, 'ontspanning', nieuwsgierige blikken van jan-en-alleman, via de magazins, de (boulevard) bladen, die bol staan van verhalen over misdaad, om maar te zwijgen over de meest gelezen dagbladen, die ook de meest uitgebreide schandaal-kronieken hebben en de meest uitgebreide verslagen van rechtbankscènes, met de hoofdrolspelers in prent. De zonde boeit in de tweeërlei zin van het woord. Ze slaat in boeien en ze trekt de aandacht. Ze slaat de misdadiger in de boeien en ze houdt de kijkers op afstand geboeid bezig. Zou dit overigens aan de christelijke gemeente gehéél voorbijgaan?
Ter Haar Romeny vraagt aandacht voor de mens achter de delicten, vraagt begrip - niet voor de zonde- maar voor de mens, die, met op de achtergrond een onmogelijke jeugd, een verschrikkelijk gezinsleven, een niet gewenst leven, een van-huis-uit opgeleid zijn in het misdrijf, van kwaad tot erger komt. Hij beschrijft ontroerende contacten met De zonde is niet te begrijpen. Ze is de bittere angel, die ons aller leven doortrekt en die naar buiten toe de één verder meesleept dan de ander. Terecht wijst de schrijver dan ook op de leer der vaderen aangaande de mens: 'onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.'
Gelukkig die mens bij wie het 'geneigd tot alle kwaad' door Gods genade blijft ingetoomd. Maar deze belijdenis aangaande de mens geeft binnen de gemeente als het goed is de nodige ootmoed en ook de bereidheid om naast hen te gaan staan, die tot erger kwamen. Niet om de zonde te bagatelliseren, want die is in God oog een gruwel. Maar om de zondaar op te vangen in het besef, dat ieder mens, of hij tot openlijke zonde kwam of de zonde in zijn hart beging (wie heeft niet tegen alle geboden gezondigd?), op de genade van de schuldvergeving is aangewezen wil zijn bestaan perspectief hebben.
Onze moderne tijd leert - daarop wijst de schrijver óók - dat de natuur van de mens het enige is dat goed is en dat die moet worden uitgeleefd, én dat alle opvoeding, vooral godsdienstige opvoeding tegennatuurlijk is. Tot welk een ontsporingen, tot welk een ontwrichting van het bestaan dit leidt leert ons de praktijk, leert ons de krant van dag tot dag. Laten we de natuur zó de vrije hand, dan krijgen de driften de vrije loop. Terwijl overigens de maatschappij daarna de ontwrichte nog nauwelijks accepteert. De wet van God is echter ten goede, bedoelt geen brave burgerlijkheid als zodanig, maar bedoelt het leven, dat van nature stuurloos is, stuur te geven in de richting van de haven. Dat te weten zal toch ook binnen de gemeente de bereidheid geven om hen, die gevallen zijn, op te richten en ze dan ook het gebod ten goede te leren. Gelukkig dan ook dat er óók gevangenispredikanten zijn.
Het is onmiskenbaar waar, dat het ook binnen de gemeente geen uitzondering is dat een ontspoorde, een gevallene, een mens op wie een smet kwam, doordat hij zijn boze neigingen niet de baas bleef, meer besproken wordt dan opgevangen. Gelukkig dan ook, dat God het zó beschikt heeft, dat Hij herders over de kudde heeft gesteld, die als het nodig is ook bij het afgedwaalde zijn. Ik zal nooit vergeten, dat ik iemand ontmoette, die in de gevangenis terecht gekomen was en die zei: maar die dominee - en het was niet eens zijn eigen dominee - is mij blijven opzoeken. Het was alsof hij zeggen wilde: hoe kan dat eigenlijk? Alsof dominees daar niet veel harder nodig zijn dan op recepties. Ook mensen, die zich vergrijpen, uitglijden, ontsporen, zijn schepselen Gods. En daarom zal het Woord ook gebracht worden bij hen, die de littekens van wat ze deden lang met zich mee dragen en daaronder niet zelden gebukt gaan, ook al komen ze niet tot de erkenning van schuld.
De verslaafden
Dat brengt me op het tweede boek, het boek over de drugs, levensecht en kennelijk vanuit grote ervaring geschreven. Naast de gedetailleerde beschrijving van de verschillende soorten soft en hard drugs en de aard van hun werking, gaat het ook in dit boek om de mens achter de feiten. Levensecht zeg ik, omdat veel dingen opgetekend zijn uit de mond van jongeren, die in de wereld van roes en waan terecht kwamen en moesten bemerken, dat er geen weg terug meer was. Hoevelen zijn er niet begonnen met een onschuldig sticky, terwijl ze uiteindelijk terecht kwamen bij de lichaam en geest slopende en geldverslindende peppers, waarvan men steeds grotere hoeveelheden nodig had en waarvoor men steeds grotere inbraken of diefstallen moest plegen om aan de duizenden benodigde guldens te komen. Ook in dit boek worden onthullende achtergronden beschreven van levens die zo te gronde gaan.
Laten we intussen niet denken dat het hier 'slechts' om de Amsterdamse onderwereld gaat. Ik ben ervan overtuigd, dat er ook onder de lezers zijn die moeten zeggen: het gaat hier om mijn zoon, mijn dochter. Want ook onder ons raken jonge mensen in de vernieling, doordat ze meegingen op een weg, die onschuldig leek maar die in het absolute niets eindigt.
Ontroerend is in dit boek het verhaal van Bob - 'een aardige jongen uit een keurig gezin' - die om diefstal ten behoeve van drugs in de gevangenis is gekomen en daar, na enkele maanden verblijf, er van afgekomen schijnt te zijn. Rechercheur Stam vindt - op verzoek van de verloofde - werk voor hem bij een drukkerij. Al spoedig is het fout met die baan en als Stam hem op een keer opzoekt vindt hij hem: 'knikkebollend zat hij in de knusse woonkamer. Naast hem, half verstopt onder een krant, een geblakerde lepel en een injectiespuit. Marian stond in de keuken te huilen...'
Zó moeilijk is het kennelijk eraf te komen. Zó gemakkelijk valt men kennelijk weer in het oude leven terug. Zó uitzichtloos kan dan ook het werk van de opvangcentra zijn. En toch zijn er mensen die eraan beginnen. De schrijvers van dit boek vragen nadrukkelijk de aandacht van de gemeente voor dit stuk opvangwerk in onze moderne samenleving. Juist dezer dagen werd ik nauwkeurig geïnformeerd over het werk van de Amsterdamse christelijke stichting De Regenboog, begonnen op persoonlijk initiatief, met het opnemen van verslaafden in een gezin. Wat een opoffering maar ook wat een dienstbetoon. Stam en Van Driel geven een opsomming van die instanties, die op dit terrein goed werk doen (al zet ik overigens bij enkele wel een vraagteken).
Mensen, die geen helper hebben, behoeven de hulp van de christelijke gemeente. Wat denkt u van het volgende, opgetekend uit de mond van een jongere, die zo aan lager wal raakte: 'Nee houd jij je cleane (zuivere) wereld maar. . . kan ik niet meer terecht. . . voel ik me niet meer thuis. . . willen ze mij niet meer hebben. . . geen plaats voor een junk hè. . weet je. . alles heb ik geprobeerd. Nu zit ik in de vernieling. . .alles in puin. Voor mij is er niemand. . .' Voor mij is er niemand?
'Een dikke traan liep langs zijn wang. Hij trilde zo erg, dat hij zijn frisdrank over zijn kleding morste. Het enige wat hij nog van me wilde aannemen was een broodje kaas en een glas chocomel. Met lange lome passen loopt hij tenslotte de drukke winkelstraat uit en niemand scheen aandacht aan hem te besteden'.
Niemand? Ik dacht aan Hem, die ons in de Evangeliën wordt geopenbaard als Heiland, Heler van zieken, melaatsen, geschondenen, als iemand die het verlorene zoekt, als iemand die de tollenaar, de hoer en de moordenaar zeer nabij komt, die zelfs met de misdadigers is gerekend. Die weliswaar geen zondaar zalig prijst op zijn (publiek) zondaar zijn maar die wel zondaars zalig maken, redden, verlossen wil. En daarom schrijf ik van harte over wat Van Driel en Stan zeggen ten aanzien van de roeping van de gemeente:
'Ligt hier geen taak voor de kerken. . .?
Kunnen niet juist hierin de kerken tonen, dat zij in deze tijd hun diaconale roeping verstaan. . .?
Ligt hier geen taak voor ons allen. . . ?
Ook, misschien wel juist, ten aanzien van drugverslaafden kunnen we tonen, wat naastenliefde is.
Als we eerlijk zijn, moeten we erkennen, dat we daar niet altijd veel van begrepen hebben. Nog al te vaak lopen we als de priester en Leviet in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10) met een grote boog om de hulpbehoevende die ons niet aanstaat, heen.
Evenals de priester en de Leviet hebben we dan vaak nog vrome verontschuldigingen ook, maar ondertussen verzaken we onze Christenplicht.
Jij op school kunt iets doen door nietje Christelijke opvoeding te verbergen, maar door te getuigen.
Praat eens met dat meisje dat nooit naar de kerk gaat en die jongen die zich zo anders gedraagt.
Stoot hen niet van je af.
Blijf bereikbaar, blijf aanspreekbaar. Laat eens merken, wie je bent, watje bent. . ! Ik denk wel eens: Als er één overtuigde Marxist in de klas zit, merk je dat direct de eerste dag al, maar van sommigen, van velen, die Christen moeten zijn, ontdek je dat pas in de kaartenbak van de administratie als je achter de naam een kerkgenootschap ziet staan! Ouders zouden meer mét hun kinderen moeten praten. Ze zouden niet zo veel moeten preken, maar het hun kinderen vóór moeten leven. Ze zouden moeten laten zien, laten horen, laten merken dat ze hoop hebben op dit leven, want daar zijn kinderen veel gevoeliger voor dan voor mooie woorden. Weten de ouders wat hun kinderen in hun vrije tijd doen, met wie ze de zaterdagavond doorbrengen, met wie ze omgaan? Bieden ze hun ook andere mogelijkheden aan, als ze menen hun iets te moeten verbieden?
Beteden ze tijd aan hun kinderen en laten ze hun steeds opnieuw merken dat ze bij hun ouders terechtkunnen? Praten ze alleen zelf of laten ze hun kinderen ook meepraten. Een vader kwam eens tot de volgende schrikbarende ontdekking: 'Vroeger praatte ik met mijn kinderen over God, tegenwoordig praat ik alleen nog met God over mijn kinderen.' Het is niet voldoende kinderen alleen maar te verbieden en dan te denken dat alles goed zit. Wat ook kinderen nodig hebben, is een levend geloof. Ouders moeten ze de wapens in handen geven, zodat ze de aanvallen van de Boze kunnen weerstaan. Als de ouders verslaafd zijn aan drank, sigaretten, T.V., auto, sport, caravan enz., dan moeten ze niet raar opkijken, als hun zoon of dochter verslaafd raakt aan een meer eigentijds middel, dat hèn aanspreekt. Voor allen, zowel kinderen als ouders, geldt het woord uit de Bijbel: 'Alleen als de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo bent u waarlijk vrij. . .' Als ouders dit woord goed verstaan, zullen ze meer begrip hebben voor de problemen van hun kinderen.'
We hebben in dit artikel aandacht besteed aan een voor ons blad ongewoon thema, maar een thema dat intussen in onze samenleving uiterst acuut is. Zou het niet zo moeten zijn dat binnen de gemeente het zondebesef dermate diep is, dat wanneer mensen dieper vallen dan anderen (maar wat is diep en minder diep in Gods ogen, die ook met gedachten al rekent? ), zij zich opgevangen mogen weten door hen die weten wat verzoening is?
En zou het binnen de christelijke gemeente ook niet zo mógen zijn, dat de ellendige en die geen helper heeft een thuis vindt wanneer hij vraagt naar 'iemand' in zijn nood? Christus vraagt een beker koud water te geven aan een dorstige. Welnu aan dezulken heeft onze tijd geen gebrek.
Tot slot nog dit: de genoemde boeken, die we uiteraard niet volledig konden bespreken, maar waarover we slechts aandacht wilden vragen nodigen niet alleen tot lezing, het komt me voor dat er ook waardevol materiaal gegeven is voor doordenking op gemeenteavonden en in gesprekskringen.
Drs. H. J. ter Haar Romeny: Ik ben in de gevangenis geweest; Uitgave Ten Have, Baarn, 126 pagina's.
C. Stam en L. van Driel: Je moest eens weten; Uitgeverij De Groot, Goudriaan, 172 pagina's, ƒ 19, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1977
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's