De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

­ Diaconaal aanpakken... taak van de gemeente

Op de diaconale zomerconferentie hield ds. A. Romein (Ede) een referaat over het diaconaat. Onder meer kwam ook het werelddiaconaat ter sprake. Ds. Romein wees er op, dat het diaconaat van de gemeente zich niet beperken mag tot de huisgenoten des geloofs (al is dat wel de binnenste cirkel), maar zo wijd is als de wereld. Diaconaat en apostolaat hebben immers beide te maken met het woord van Christus: 'De akker is de wereld'.

Ook in een andere zin is er samenhang tussen diaconaat en apostolaat. NI. in die zin dat we de verkondiging en het dienstbetoon niet van elkaar mogen scheiden. We citeren uit het juni/juli nummer van Diakonia:

Die twee elementen mag men nooit tegen elkaar uitspelen en ook nooit van elkaar ontkoppelen. Maakt men het getuigenis voor de wereld los van het dienstbetoon aan de wereld, dan is men wijzer dan Jezus Christus zelf, die zijn daden aan het getuigenis paarde als tekenen van zijn volmacht en waarheid.

Maken wij het dienstbetoon echter los van het getuigenis van Christus, dan raakt het los van zijn wortel, gaat het gelijkenis vertonen met allerlei andere vormen, menselijke vormen, humanitaire vormen van bijstand - op zichzelf heel goede uitingen van verantwoord burgerschap, dat gaat alle mensen aan, of zij christen zijn of niet - maar diaconaat heeft te maken met een opdracht van de christelijke gemeente. Als de handen van de kerk mag het niet los gedacht worden van het hoofd van de kerk, Jezus Christus. Diaconaat op wereldniveau zal overal contactpunten zoeken en hebben en onderhouden met christelijke gemeenten elders op deze wereld, indien dat mogelijk is, bij voorkeur via haar de noden te lenigen en met haar de broden te delen. Op een eerdere conferentie is daar wel eens speciaal op gewezen door professor Van der Woude.

Over de aard van het werelddiaconaat en de interpretatie daarvan kunnen we nog genoeg discussiëren, maar dit moge vaststaan, dat dit wereldwijde diaconaat door ons moet worden aangepakt, en telkens weer voortgezet. Die aanpak betekent naar de eigen gemeente toe, duidelijke en geregelde informatie, een gebruik maken van de talloze middelen die ervoor zijn, waarvoor mensen zijn, ook in het GDR verband. Het projectenboekje en andere uitgaven helpen u daarbij uitvoerig.

Ik stel me bij deze aanpak voor dat we onze gemeenten duidelijk doelen voor ogen geven en het is mogelijk, dat wij gerichte aandacht en akties stimuleren, dat we - ik weet niet of dat mogelijk is - nog meer dan gedaan wordt, zoeken naar correspondentie tussen diaconieën hier en gemeenten ver weg, resp. diaconieën ver weg, dat we alert zijn, natuurlijk altijd en niet te laat op onmiddellijke diaconale reaktie bij rampen of calamiteit.

Ik denk ook dat het werelddiaconaat gediend is met een goede relade met de zending, maar dat de gemeente toch goed het verschil moet kennen tussen beide takken van kerkewerk, waarbij in de zending het eerste accent valt op het getuigenis en in het werelddiaconaat op daadwerkelijk dienstbetoon.

Wereldwijd diaconaat staat ook voor de vraag naar de verhouding van kerk en politiek. Waar liggen hier de grenzen en de mogelijkheden?

Wie zich met de wereld inlaat en serieus op haar noden let en daarop ingaat, ontmoet op tal van plaatsen in de wereld verschrikkelijke toestanden van onrecht, discriminatie, martelingen, onderdrukking, grove vormen van ongerechtigheid. Hoe ver moeten wij gaan in onze bemoeienis en aktiviteit, tot in de politieke stellingname toe?

Een ieder zal hier, denk ik pleiten voor de nodige voorzichtigheid. Het gaat daar om de grenzen van ons diaconaal kerkelijk handelen. De kerk kan en mag zich niet vereenzelvigen met politieke pressiegroepen of partijen, zich niet laten verwarren met niet-christelijke ideologieën, maar het onrecht kan zó schrijnend, zó duidelijk, zó schreewend, tegelijk anti-menselijk en anti-christelijk zijn (ik denk aan Zuid-Amerika bv.), dat de kerk niet meer zwijgen mag. Het diaconaat heeft solidair te zijn en handreiking te doen zoveel waar mogelijk is aan hen, die om wat voor reden dan ook gevangen zitten, alles verloren hebben, huis noch goed of recht meer over hebben. Hierbij denk ik dan ook bijzonder aan de broodnodige solidariteit, levende solidariteit van ons als gemeente en diakenen, met mensen in Oost-Europa. Voor hen moet aangepakt worden wat maar mogelijk is.

Het blijkt in de praktijk altijd weer moeilijk hier de juiste weg te gaan. Aan de ene kant is er immers het gevaar van een zwijgende gemeente die zich aanpast aan het bestaande, zich conformeert aan de machthebbers. Aan de andere zijde dreigt keer op keer weer het gevaar dat de kerk tot partij wordt en haar roeping prijsgeeft door een verpolitisering van de opdracht. Juist ten aanzien van een politiek diakonaat is waakzaamheid geboden. En vooral bijbelse bezinning op noties als gerechtigheid en barmhartigheid.

Om de vrede van de strijd

Dat is de titel van een door dr. A. H. van den Heuvel geschreven boekje, bedoeld om de oordeelvorming in de plaatselijke gemeente te stimuleren ten aanzien van de vrijwillige bijdrage ten behoeve van het Speciale Fonds van het Programma ter bestrijding van het Racisme van de Wereldraad. Ds. S. Kooistra wijdt aan dit boekje zijn hoofdartikel in het Hervormd Weekblad van 14 juli. Terechtwijst hij er op, dat de Kerk profetisch een 'neen' zal hebben uit te spreken tegen racisme, discriminatie en onderdrukking. Voorts dat dit profetische 'neen' gepaard zal moeten gaan met diaconale steun aan de slachtoffers van rassendiscriminatie. Maar hoe ver strekt deze steun. Houdt deze ook in steun aan vrijheidsbewegingen, die in hun strijd geweld niet schuwen? Hierover schrijft Kooistra:

De moeilijkheid is echter van politieke aard. Kan de Kerk met geld steunen vrijheidsbewegingen, die in hun actie geweld voorstaan, ook al is het geld uitdrukkelijk niet bedoeld voor de aankoop van Wapens? Vandaar, dat niet alleen velen in de Herv. Kerk maar ook in de Geref. Kerken en ook in de Doopsgezinde Broederschap moeite hebben met het program van de Wereldraad tot bestrijding van het racisme. Dat bleek al in 1971. De sectie Internationale Hulpverlening, destijds nog onder leiding van mej. Kohlbrugge, meende toen geen medewerking te kunnen verlenen. (Zie bijlage 1, pag. 54). Dr. Van den Heuvel ziet het geweld van deze vrijheidsbewegingen op hetzelfde vlak als het geweld van de knokploegen ten behoeve van het onderduikerswerk in de oorlogstijd en als het geweld, waarmee onze vaderen zich vrij gevochten hebben van Spanje. Ik vind het iets te gemakkelijk om alle gebruik van geweld over één kam te scheren. Geweld mag slechts in uiterste noodzaak gebruikt worden, zoals onlangs in Nederland gebeurd is bij de gewelddadige beëindiging van de jongste gijzelingsacties. Wat het geweld in de oorlogstijd betreft, kan men in de boeken van prof. De Jong lezen, hoe voorzichtig en soms ook wel eens onvoorzichtig men geweld heeft toegepast. De Kerk heeft in de oorlogstijd geen oordeel uitgesproken over dit geweld, maar wel de gezinnen van de knokploegen mede financieel gesteund.

Het geweld van de vrijheidsbewegingen o.a. in Afrika kan ik zelf niet voldoende beoordelen. Inzoverre zou ik met dr. Van den Heuvel ook niet direct hen willen veroordelen, die in wanhoop grijpen naar geweld. Wel rijst bij mij dé vraag, of er soms ook niet terroristisch geweld wordt gebruikt tegen weerloze burgers, wat door de Wereldraad zonder meer veroordeeld wordt. Ook valt het mij in bijlage 2 op, dat in Angola beide vrijheidsbewegingen die later elkaar bestreden, de MPLA en de Unita door het fonds van de Wereldraad zijn gesteund. M .i. gaat dr. Van den Heuvel te ver, als hij zich indenkend in de situatie van een zwarte dan naar de wapens zou willen grijpen, al zou hij de kerk niet vragen om de wapens te zegenen. Omgekeerd ben ik het wel met hem eens, dat de blanken tot de conferentietafel geroepen moeten worden. Aan het slot deelt dr. Van den Heuvel mee, dat hij zelf wel gevoeld zou hebben voor een bijdrage aan het Speciaal Fonds uit de algemene middelen der Kerk maar toch zich neergelegd heeft bij het compromis, dat dit vrijwillig gevraagd zou worden aan individuele gemeenten of individuele christenen.

Zo staan wij als gemeenten en enkelingen voor de vraag of wij vrijwillig dit fonds zullen steunen. Ik heb wel eens gegeven aan Betaald Antwoord en het later ook weer niet gedaan wegens de genoemde bezwaren. Ik moet nu door deze brochure voor mezelf weer opnieuw beslissen. Ik denk, dat ik ondanks alle bezwaren om diaconale redenen een bedrag zal overmaken op giro 8685 ten name van de Generale Diaconale Raad te Utrecht met de vermelding: tegen het racisme. Maar ik kan me ook indenken, dat men hiertoe in zijn geweten niet kan besluiten. Want het is niet alléén een diaconale zaak. Je zit ook met de vragen van de politieke beoordeling en met de vraag, wat op het terrein van de Kerk ligt en wat tot het terrein der Overheid behoort. Boycotacties en de kwesties van al of niet investeren in Zuid Afrika zie ik meer liggen op het terrein van de politiek en dus van de Overheid. Zo vind ik het eigenlijk onjuist, dat de Boycot Outspan Actie 5000 dollar in Nederland kreeg voor hun uitstekend bulletin. Waren de zwarten hier werkelijk mee gediend? Anderzijds voel ik hier wel voor humanitair werk, als onderwijs en medische zorg in bevrijde gebieden te steunen. Wel lijkt me de situatie in Zuid Afrika uniek, omdat je hier niet van koloniale verhoudingen kunt spreken. Je kunt de 4 millioen blanken aldaar niet verzoeken terug te gaan naar het 'moederland', zoals het gegaan is met de Portugezen in de landen Angola en Mozambique. In Zuid Afrika spreekt ons nóg het meest aan de geweldloze actie van ds. Beyers Naudé van het Christelijk Instituut. Maar ik blijf er begrip voor hebben, dat anderen hierover anders denken. Ik deel niet de mening van dr. Van den Heuvel, dat zij, die het Speciale Fonds afwijzen, het bezien door de bril van het heersend geweld. Als ik mijn aarzelingen heb, is dat niet uit sympathie voor het apartheidsbeleid van de Zuidafrikaanse regering. Ook ik meen dit 'racisme' af te moeten wijzen. Maar ik heb moeite er mee, dat de Kerk de indruk zou wekken de weg van het geweld te steunen. De Kerk kan niet verder gaan dan het 'profetisch neen' en het diaconaal 'ja'.

Wie ds. Kooistra het verwijt zou willen maken dat hij te gemakkelijk het 'enerzijds-anderzijds' schema hanteert, te aarzelend is in zijn beoordeling, moet bedenken dat dit verwijt wel eens op eigen hoofd zou kunnen neerkomen. Drukken de aarzelingen niet uit, dat we op deze punten toch in de mist verkeren?

De soms gehoorde uitspraak: 'Laat de kerk zich niet met politieke zaken bemoeien, maar het Woord verkondigen' kan goed bedoeld zijn, in zoverre ze terecht een scherpe grens trekt tussen kerk-en overheid, kerk en politieke organisatie. Maar men moet dan tegelijk bedenken dat in de dertiger jaren in Duitsland door aanhangers van het Nazi-regiem ook zo geoordeeld werd. Door te zwijgen en zich er buiten te houden, kan men ook alle partijen te vriend houden en in wezen een liberale kerkpolitiek van het bedenkelijkste soort voeren. De geboden en inzettingen des Heren raken alle terreinen van het leven, ook de politieke sectoren. Daarom kan een kerk die gehoorzaam wil zijn aan het Woord Gods stellingname in aangelegenheden die duidelijk indruisen tegen Gods wet en evangelie niet ontgaan, maar zal ze kleur hebben te bekennen, en profetisch hebben te spreken ten overstaan van overheden en volkeren.

Niettemin onderschrijven we de eindconclusie van Kooistra: Niet verder dan een profetisch 'neen' en een diaconaal 'ja'. Ik meen dat we daarmee ook in de lijn blijven van Israels profeten die zich scherp gekeerd hebben tegen alle onrecht en onderdrukking, maar nooit tot geweld opgeroepen hebben. Het spreken en handelen der kerk zal die grens nauwkeurig in acht hebben te nemen.

Uit een slotwoord

Tenslotte in dit persoverzicht iets geheel anders. Het is een gedeelte uit het slotwoord dat prof. C. Veenhof op de ontmoetingsdag van de Geref. vrijgemaakten (buitenverband) uitgesproken heeft. Veenhof vertelde daarin het volgende verhaal uit de kerkhistorie van de vorige eeuw:

In Almkerk was het in 1835 tot een 'afscheiding' van het Ned. Herv. Kerkgenootschap gekomen. Dat geschiedde als gevolg van een schandelijke afzetting van de innig vrome predikant van die plaats, ds. Gezelle Meerburg. De Roomsen in de kop van Noord-Brabant gaven hem de erenaam van 'Pater Bernardus van de Scholtianen'. En ze verdrongen zich, als hij in 's Hertogenbosch kwam spreken, in het pakhuis of de schuur waarin hij optrad om hem te horen. Op onvoorstelbaar ergerlijke wijze werden Gezelle Meerburg en de afgescheiden gemeente vervolgd. Het regende boetes vanwege verboden samenkomsten. Eens kwamen er 22 dagvaardigingen op één dag bij Gezelle Meerburg in de bus. Duizenden guldens moesten betaald worden. Erger nog waren de 'inlegeringen' van rauwe, vloekende soldaten die zich soms schandelijk misdroegen. Maar het allerergste was het optreden van het grauw! Het kwam tot volksoplopen die leidden tot het stuk gooien van ruiten, barricaden van deuren en vernielen van huizen. Soms werden afgescheidenen bewusteloos geslagen of tot bloedens toe mishandeld en met geschreeuw en ketelmuziek gevolgd als zij uit een kerkdienst kwamen. Het gebeurde zelfs dat jonge meisjes ernstig werden gemolesteerd. Eén ervan werd de muts van het hoofd gerukt, bij de haren getrokken, op de grond gesmeten en eindelijk ten aanschouwen van de menigte een zo schandelijke bejegening aangedaan dat - ik citeer letterlijk - 'kiesheid verbiedt die te beschrijven.' En dit alles vond plaats terwijl de politie stilzwijgend toekeek en sommige 'liberale' notabelen grijnslachten.

Als men in die jaren in de nacht van een zaterdag op een zondag ergens in de Biesbos zouden zijn geweest en het was helder maanlicht zouden we op een bepaalde plaats een groot aantal roeiboten hebben kunnen zien die van allerlei kant bijna geruisloos naderbij kwamen. Ze legden ergens aan en de inzittenden verzamelden zich op een stuk weiland omringd doorboog griendhout. Het waren er soms honderden. En zo, om twee of drie uur in de morgen, trad ds. Gezelle Meerburg uit de menigte naar voren, klom op een wagen of schuit, en begon met een kerkdienst. Op 17 dec. 1838 schreef hij aan ds. Buddingh: Ik heb dit jaar nog al dikwijls onverhinderd en voor grote scharen mogen preken en de sacramenten bedienen, doch meestal in de nacht, inzonderheid is de prediking met de biddag gezegend geweest, toen ik voor een grote schare van 's nachts 3 tot 7 uur gepredikt heb over Jes. 59 : 1, 2': Zie, de hand des HEEREN is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort'.

De dank-, vasten- en bededag van 20 september 1837 had men ook in de Biesbos gevierd. In een verslag daarvan las ik 'Met enige gelovigen uit naburige plaatsen begaf de gemeente van Almkerk zich naar een afgelegen stuk land, waar zij tot 's avonds zes uur bleven, om geheel afgescheiden van het gewoel der wereld een- en andermaal geknield op het aardrijk te liggen, terwijl ds. Gezelle Meerburg hun voorging in schuldbelijdenis en gebed'.

Dit is het eerste verhaal dat ik wilde vertellen. Ik deed dat omdat daaruit op ons afkomt een onverzadigbare honger naar het Woord van God, een diep besef dat God zijn zegen wil geven door de prediking van het evangelie in de kerkdienst, en een bereidheid om alle moeite, smaad en vervolging te dragen om Zijn Woord te horen en als gemeente de HEERE te loven en te prijzen.

Bij alle nodige bezinning en doordenking van de relatie van de kerk tot de wereld, haar roeping en opdracht in getuigenis en dienst is het goed en even noodzakelijk ook de andere zijde van de kerk niet te vergeten. Een levende gemeente wordt gekenmerkt door honger naar het Woord en door de bereidheid zich het Evangelie niet te schamen, maar er desnoods voor te lijden. God make ons getrouw én in het belijden én in het dienen, opdat we in het midden van deze wereld als een profetische en priesterlijke gemeenschap openbaar mogen komen. Dat kunnen we niet organiseren. Dat is en blijft het geschenk van die Geest Die ons in alle waarheid wil leiden. Laten we het in gehoorzaamheid en afhankelijkheid daarvan verwachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's