Tien jaar 'theologie der verontrusting'
Kortgeleden las ik een pas verschenen verzamelwerk over de Tweede Wereldoorlog. En bij het lezen werd het me als het ware bij toverslag duidelijk, waarom de hoofdstroom van de theologie na de Tweede Wereldoorlog zich zo uitputtend met de rnens en zijn situaties en condities heeft beziggehouden. Immers, in die oorlog is de mens voor het eerst op totalitaire manier en op wereldniveau met zijn verregaande onmenselijkheid en tegelijk met zijn titanische macht geconfronteerd. De eensluidende roep van Europa en de wereld na die oorlog was: 'Dit nooit weer!' En de uitvinding van en het experimenteren met de atoombom (Japan) en de dreiging van de waterstofbom en al het nucleaire heeft die roep onderstreept. De mens werd bang voor zichzelf en voor de ander, voor samenklontering van groepen en openbaring van totalitaire neigingen. Tot op vandaag bekijken velen het politieke gebeuren aan de hand van vragen als: Waar duikt het facisme op? Waar regeert de dictatuur? Hoe zijn de machtsverhoudingen? Waar wordt het leven primair bedreigd, door discriminatie en andere vormen van ontrechting en terreur?
Waartoe de theologie?
Zo men dus van enige wetenschap tegengif tegen deze gevaren mocht verwachten, dan was het wel van de godgeleerdheid. Zij moest het opnemen voor het mens-zijn zoals God hiet wil. Nu is er tegen deze redenering niet veel in te brengen. Maar in de zestiger jaren werden steeds meer theologen zich ervan bewust dat de theologie - en eigenlijk het hele kerkelijk gebeuren-op deze manier was ingewikkeld in de zorg voor de leeftocht van wereld en mensheid. Hier te lande, maar ook in Duitsland (o.a. Thielicke, Huntemann, Lüttig en Beyerhaus) kwamen protesten los, en meestal van de kant van mensen die niet gewend waren te protesteren, zich in een mars te begeven of te grijpen naar het 'wapen' van de revolutie. Op 17 september 1967 preekte dr. W. Aalders uit Lucas 18 over de gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter in de Grote Kerk te 's-Gravenhage, en sprak in niet mis te verstane bewoordingen over wat de gemeente in Gods ogen is, en wat mensen, juist binnen de kerkelijke organisatie, van haar maken. De reakties waren zó duidelijk positief en zó even duidelijk negatief, dat het bijna niet anders kon of er stond het een en ander te gebeuren. Hij had in een ontwikkeling vanjaren (ik ben daar terzijde en bescheiden via zijn prediking getuige van geweest, mag ik wel zeggen) in toenemende mate onderkend wat hij in zijn geschrift Theologie der Verontrusting noemt 'de kracht der dwaling', en hij had die kracht niet in allerlei ketterijen aangewezen - hoewel als nooit tevoren de Hervormde Kerk in de zestiger jaren in ketters vaarwater kwam - doch in afval en lauwheid; 'de uitgeblustheid van het geloof, dat zich nog verbonden weet met het klassieke, reformatorische belijden'.
En waar hij maar kon, trok hij te velde, in studentenkringen, onder collega's, in universitaire verbanden, op conferenties, tegen die theologie die zich dekte met de naam apostolaatstheologie, maar die wezenlijk vreemd was aan bekering en wedergeboorte, omdat in deze theologie miskend wordt de zonde-breuk tussen God en wereld.
Theologie der verontrusting
Het was opvallend hoe allerlei mensen 'zich herkenden' in deze theologie der verontrusting, die heel wat meer bleek te bevatten dan negativiteit en conservatisme, zoals de tegenstanders haar kwalificeerden. Binnen de Hervormde Kerk ontstond de kring van de Open Brief aan de Hervormde Kerk, gedateerd Hervormingsdag 1967: één groot pleidooi in stellingen voor de rechte prediking en de weerkeer van de tucht in de Kerk. De heersende apostolaatstheologie werd gehekeld en in de Nadere Verklaring, die het volgende jaar verscheen, werd de gelijkschakeling tussen de gehele mensheid en gemeente van Christus in het wereldgebeuren gewraakt als ontoelaatbaar. De kring, die zich in de Open Brief uitsprak, en de (veel bredere) kring die zich er spontaan achter stelde-er werden op verschillende plaatsen korte predikantenconferenties gehouden - bestonden uit mensen van verschillende richtingen. Als ik het zo zeggen mag: gedesillusioneerde barthianen, confessionelen, vrienden van Kohlbrugge en gereformeerde-bonders, en ook mensen die zich nergens bij rekenden, maar wilden staan voor de zaken die hier aan de orde kwamen.
Het zou bepaald onjuist zijn, wanneer ik in dit verband niet de namen van dr. K. H. E. Gravemeyer en zijn echtgenote noemde, die aan de vierentwintig niet alleen gedurig weer gastvrij onthaal boden, maar van wie eigenlijk de eerste stoot tot dit belijdend protest is uitgegaan.
Verschillende malen werden de vierentwintig door het breed moderamen van de Hervormde Synode ontvangen. De eerste bespreking was de meest bewogene. Telkens weer openbaarde zich een gedeeltelijk toegeven van de kant van het moderamen en zijn adviseurs aan allerlei grieven die werden geuit, mondeling, en die schriftelijk geuit waren in de brief en de volgende verklaring. Maar even vaak werd duidelijk dat dit toegeven niet de belofte in zich borg van verandering van beleid. Er kon geen sprake zijn van ombuiging en loslaten, van een totaal nieuwe koers. Een van de vierentwintig zie na de eerste ontmoeting: 'De honden blaffen, maar de karavaan trekt verder'. Verschillenden van hen hadden het gevoel, dat zij zich hadden mogen uitpraten, opdat enige verlichting van de pijn werd geboden, maar dat de werkelijke instemming met de verontrusting en haar oorzaken miniem was.
En wat daarna kwam...
Hoe echter ook de karavaan van de Hervormde Kerk verder zou trekken, al spoedig werd duidelijk dat het met deze open brief en de weerklank die zij voorlopig in de kerk had gevonden, niet afgelopen was. Mensen als collega Aalders en ir. Van der Graaf trokken als het ware het land door, niet op eigen initiatief, maar gevraagd door kerkelijke vergaderingen en verenigingen. In die tijd werden verschillenden ook betrokken bij de spanningen die in de Gereformeerde Kerken waren gerezen nadat de synode van 1967 de leeruitspraak van Assen (over de letterlijkheid van Gods Woord in uitspraken over de sprekende slang en de ezel van Bileam) als niet langer bindend had verklaard. Een gereformeerde Oudtestamenticus trachtte mij ervan te overtuigen dat door deze beslissing nog niet elke exegese van Gen. 3:1-5 was toegestaan of gewettigd, maar ik denk dat ook hem inmiddels de ontwikkeling der gebeurtenissen binnen zijn kerkverband tot droefheid en voorzichtigheid heeft gestemd. Over de grenzen van kerken heen ontstonden dus kontakten tussen verontrusten. Rond de Evangelische Omroep bijv. kwam dat vooral in het beginstadium van het ontstaan van deze nieuwe omroep openbaar. Verontruste rooms-katholieken, pinkstermensen, verontruste gereformeerden, christelijke gereformeerden, verontruste hervormden kwamen met elkaar in kontakt op een manier waar niemand van gedroomd had. Ethische hoogleraren kwamen op gereformeerdebondskansels te staan.
Kritiek te over
Er was uiteraard kritiek genoeg op dit alles. Men wees op de 'slechte' formulering waar aanvankelijk de Open Brief en later het Getuigenis zich van bediende. Men hoonde de titel 'theologie der verontrusting'. Men voorspelde dat dezelfde lui, die nu op eikaars kansels stonden, in de kortste keren met elkaar slaags zouden raken, wanneer zij in één gemeente naast elkaar kwamen te staan of elkaars invloed onderkenden in deze of gene buitengewone wijkgemeente in wording of evangelisatie. Ik moet zeggen, dat inderdaad door de 'theologie der verontrusting' niet alle kerkelijke problematiek tussen hen, die nu elkaar vonden, als bij toverslag is opgeruimd. Ik haast me er echter bij te zeggen, dat ik toch wel meegemaakt heb, hoe twee collega's van wie de ene bij de andere in de 'wijngaard' evangeliseerde uit naam van een andere 'modaliteit', elkaar op een korte predikantenconferentie rond de Open Brief ontmoetten. En ik ben er vrijwel zeker van, dat zij het vredelievende gesprek, dat zij daar voerden, juist ook over 'hoe nu verder met ons', niet zo gemakkelijk hadden gevoerd wanneer zij zich niet tot elkaar hadden aangetrokken gevoeld door deze gemeenschappelijke 'verontrusting'. Bovendien acht ik het onbillijk wanneer allerlei kerkelijke lieden van de ondertekenaars van Open Brief en Getuigenis de 'wonderen' verwachten die zij zelf niet konden bewerkstelligen.
Het Getuigenis
Het Getuigenis verscheen, oktober 1971. Opnieuw hadden hervormde predikanten en hoogleraren ondertekend, doch ditmaal was het adres zo mogelijk nog ruimer dan in het geval van de Open Briefen de Nadere Verklaring. Het was gericht aan de gemeente van Jezus Christus, en het was voornamelijk van de hand van de hoogleraar Van Niftrik. Van stonde aan was duidelijk, dat dit geschrift veel meer nog dan de Open Brief weerklank buiten de muren van de Hervormde Kerk zou vinden. Er ontstond op het eind van de zestiger en aan het begin van de zeventiger jaren een soort gereformeerde oecumene, waarin allen zich verenigden die het geloof der gemeente, het apostolische geloof, de leer des Heeren zagen aangerand worden zonder dat de Kerk in haar officiële gedaante op de bres stond of 'weerde wat haar belijden weersprak'. In deze toonaard was het Getuigenis dan ook gesteld. Het waarschuwde tegen de zgn. vertaling van het Evangelie voor de moderne mens en voor de tijd en de wereld waarin men leeft, als een springplank bij velen naar een ander evangelie, waarin messianisme en verpolitisering hoogtij vieren. De synode van de Hervormde Kerk ging er verschillende keren diepgaand op in, maar toen er in jan. 1973 een voorlopig antwoord kwam. -De weg van het belijden der Kerk - bleek, dat de synode de wezenlijke vragen van het Getuigenis en de bedoeling ervan niet honoreerde. In het kort kwam het hierop neer, dat het belijden van de Kerk niet statisch moet zijn, maar mee moet gaan op de weg die God met de Kerk gaat. Telkens moet het opnieuw onder woorden worden gebracht, en het kan nodig zijn dwalingen te signaleren en af te wijzen 'als strijdig met geest en hoofdzaak van het belijden der kerk'. Het lijdt geen twijfel, dat deze laatste zin de tegenstanders van de formulering van art. 10 van de Kerk-orde 1951 - 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen' - die tóén vreesden dat nu elke tuchtprocedure onmogelijk was door deze zwakke en juridisch weinig zeggende formulering, in het gelijk heeft gesteld. Bovendien herinneren de woorden wel zó aan de strijd in de vorige eeuw over het 'omdat' of 'voorzover' (instemming met de belijdenis, omdat voorzover deze overeenstemt met de Heilige Schrift) in de formule, die de candidaten moesten ondertekenen, wanneer zij tot de heilige dienst werden toegelaten, dat je je afvraagt of men wel ernstig in het jaar 1972 bezig is geweest met de belijdenisvraag, die het Getuigenis aan de orde stelde.
Eentweede zwakke zijde aan dit antwoord was het feit dat wel richtlijnen voor de doorwerking van deze vragen in het beleid van de Kerk werden gegeven, maar dat de aanwijzingen voor het beleid van de plaatselijke gemeenten inzake belijden, polarisatie en veelvormigheid eigenlijk niets om het lijf hadden.
Evaluatie
Ik voel me niet geroepen om de historie te vervolgen tot op heden. De bedoeling van dit artikel is een andere. Rechts en links heeft inmiddels wel toegegeven dat de laatste jaren de polarisatie eer toe dan afgenomen is. Ondanks het veelomvattende werk van de Raad van Kerken in Nederland, is het vuur der oecum.ene in ons land meer op een laag pitje dan op een aanstekelijk vuur gaan gelijken. Opvallend is bij het werk van de Raad, maar ook op het hele kerkelijke erf, hoe weinig representatief de 'meerdere vergaderingen der Kerk' in het algemeen zijn voor wat er in de gemeenten omgaat. Een synodezitting van de Hervormde Kerk met als hoofdschotel Zuid-Afrika en andere politieke kwesties, in juni van dit jaar, is tekenend voor deze ontwikkeling. De onmacht van de Gereformeerde synoden van de laatste jaren om het 'belijden' van Kuitert en Wiersinga terug te dringen of zelfs maar de invloed ervan in de hand te houden, is een ander baken in zee.
Uit het Getuigenis zijn geen protestmarsen of kerkscheuringen voortgekomen. Wel een grote aandacht onder het protestantse kerkvolk in de breedste zin voor goede lektuur en belijdenisgetrouwe informatie. Belijdenisgetrouwe kranten en periodieken verheugen zich in een toenemend aantal lezers. Daar is de vraag naar verantwoord onderwijs, met name ook hoger onderwijs: de bloei van veel Bijbelscholen, het ontstaan van. vrije fakulteiten door Europa heen en de eerste stappen naar een soort evangelische universiteit alsmede de groei van een geref. sociale akademie ten onzent, en een evangelische omroep en nog zoveel meer, wijst erop.
In die tien jaar is duidelijk geworden:
1. dat ons protestantse kerkvolk geen scheuringen begeert, ook niet dat deel dat verontrust is en in eigen gemeenten hongeren dorst lijdt;
2. dat de gemeente zich op het punt van het belijden en de belijdenis geen knollen voor citroenen laat verkopen;
3. dat de afstand tussen gemeenten en kerkelijke vergaderingen in het algemeen ontstellend groot is;
4. dat er een afstand bezig is te groeien tussen theologische fakulteiten en gemeenten, waarbij de student zó geschokt wordt dat hij óf voor 'wetenschappelijkheid' - een variant van ongeloof? - óf voor 'gemeentetheologie' kiest. Gelukkig de jongens die er heelhuids doorkomen en noch in de ene, noch in de andere kuil vallen;
5. dat sommigen, die in theologisch en kerkelijk Nederland leiding gaven, nadat zij uitgediend waren, hun angsten en zorgen over de kwalijke gangen, hierboven omschreven, hebben uitgesproken. Meestal werden hun uitspraken door leidinggevenden aan seniliteit toegeschreven;
6. dat het niet aangaat om van deze ontwikkeling te zeggen: 'Het is een stukje geschiedenis uit de laatste tien jaren'. De vruchten van wat er in die jaren is gebeurd én gezaaid op kerkelijk erf, worden heden en in de toekomst gemaaid;
7. dat men van de mensen van Open Briefen Getuigenis wel meer aandacht voor de situatie van anderen en andersdenkenden kan vragen en daarbij kon wijzen op de veelvormigheid van de Kerk, maar dat onrust rond de belijdenis niet wordt weggenomen door de verzekering dat ook andere dingen aandacht vragen.
Eenzijdigheid?
Toen collega Aalders die enigszins geruchtmakende preek uit Luc. 18 hield, werd hem prompt eenzijdigheid verweten. M.i. zal verdere polarisatie voorkomen worden op het kerkelijk erf, doordat men met elkaar die eenzijdigheid riskeert om te zien of de tijd soms juist dit deel van het belijden vereist. En moeten dan zij, die op de belijdenis hameren, omgekeerd ook de eenzijdigheid van de politieke uitdaging, vraagstukken en prediking aandurven? Ik heb goede moed dat wie met eenzijdige belangstelling zich in de belijdenis inleeft, op deze laatste vraag een rein antwoord heeft.
De Gereformeerde Kerken hebben officieel in de zestiger en zeventiger jaren geen nadere scheuring meegemaakt, en ook in de Hervormde Kerk is het zover niet gekomen. Daarom is er, ook na tien jaren, heden gelegenheid tot een werkelijke ontmoeting rond Schrift en belijdenis. Een gelegenheid die men niet moet uitstellen. Een gelegenheid tot bekering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's