De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nicolaas Schotsman

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nicolaas Schotsman

9 minuten leestijd

4

In de laatste van de drie boetpredikaties, waaruit wij de vorige keer een en andermaal hebben geciteerd, ontwerpt Schotsman een beeld van een theocratische staat gelijk die hem persoonlijk voor ogen heeft gestaan.

Theocratie

De welvaart van een volk, zegt hij daar, hangt af van de eerbied voor God en een standvastige gehoorzaamheid aan Zijn geboden.

Bij zulk een volk staat de natuurlijke vrees voor God in hoog aanzien. Men leeft dan naar de inspraak van het geweten. Men spot niet met dood en eeuwigheid. Men onderwerpt zich aan het door God gestelde gezag. Men is verkleefd aan de zuivere leer van het Evangelie. Men vreest Gods oordelen. Men mijdt dartele danszalen en andere dergelijke gelegenheden. Men verzuimt de huiselijke godsdienst niet. Men tracht met ijver de godsdienstige beginselen in te planten in de harten der kinderen. Men leert hen al heel vroeg de Heere te zoeken. Men spreekt met hen over de noodzakelijkheid der bekering en over de ware godzaligheid.

En dan de toepassing. Er zal bij ons een algehele hervorming moeten plaatsvinden. Pas dan zal het ons en onze kinderen kunnen welgaan. De verloren indrukken van Gods Wet en van Gods hoogheid, van deugd en ondeugd, van dood en eeuwigheid zullen moeten terugkeren. Wij moeten hervormd worden tot waardige belijders van het Christendom; in heel ons levensgedrag. De godsdienst moet voorwerp der beoefening zijn, ook in onze huizen en bidvertrekken. Geen hinken tussen God en de wereld. Laat ieder bij zichzelf beginnen.

Onze leraars en opzieners moeten met vermaning, tucht en voorbeeld schandelijke ergernissen tegengaan, ingeslopen misbruiken wegnemen, de beoefening van de ware godzaligheid voorstaan en bevorderen.

En vooral moet er een hervorming plaatsvinden in de opvoeding van de kinderen, opdat zij niet zonder onderwijs en tucht verloren gaan. Doch Iaat ieder beginnen met de hervorming van eigen hart. Anders zal het ons aan gezindheid, lust, moed en kracht ontbreken. Alle verlichting van het verstand en alle beschaving der zeden is ontoereikend als ons hart niet veranderd wordt. Men kan niet volstaan met rechtzinnigheid. Het komt aan op de vreze Gods en het dienen van God.

God kan en wil ons zulk een hart geven. Als wij het maar bij Hem zoeken en van Hem verwachten. Hij roept en nodigt ons tot bekering; met de belofte van Zijn genade. Hebben wij niet een Middelaar en Voorspraak bij de Vader? Stort uw hart uit in de schoot van de hemelse Vader, in de naam van de Middelaar; en wacht gelovig op de werking van Zijn Geest.

Zo preekten gereformeerde predikanten in de 17e en begin 18e eeuw; zo preekte ook Schotman.

Visie op het verleden

Het laat zich denken dat bij hem ook een zeer bepaalde visie op het verleden te vinden is. Wij bedoelen het verleden van kerk en volk. Eens, toen hij nog in Sneek stond, heeft hij een paar preken gehouden die wij tijdredenen zouden kunnen noemen. Maar hij heeft zich daarin niet alleen over de toenmaals tegenwoordige toestand van kerk en volk uitgesproken doch ook over de toestand van beide in het verleden.

De eerste preek hield hij op oudejaarsavond 1800, een zeer bijzondere dag; de tweede op nieuwjaarsmorgen 1801. 's Avonds nam hij afscheid van de 18e eeuw, 's morgens opende hij, gelijk hij het zelf heeft uitgedrukt de 19e eeuw.

Terugziende op de 18e eeuw zegt hij: Aan het begin van deze eeuw zuchtte de kerk onder allerlei innerlijke beroerten. In Holland deden zich de dwalingen van Balthazar Bekker gevoelen, de man die het bestaan van boze geesten, van duivelen en engelen loochende; in Zeeland die van Jacob Verschoor-, een antinomiaan (wetsbestrijder). In Leiden verwekte Jacob Bril beroering; in Zwolle Frederik Leenhof (een Spinozist).

Na dezen kwamen nieuwe dwaalgeesten verwarring schoppen in de kerk.

Schotsman noemt nu de namen van Willem Deurhof en Pontiaan van Hattem; en wijst op de invloed van de joodse wijsgeer Spinoza. Ook de Duitse filosofie, met name die van Wolff, stelt hij vervolgens aansprakelijk voor het verval van de kerk in Nederland. En tenslotte noemt hij ook nog de theosofie van Swedenborg.

Schotsman herdenkt verder ook de geestelijke opwekkingen (réveils) die plaatsvonden omtrent het midden van de eeuw. Te Nijkerk, te Aalten en te Werkendam. Die beroeringen waar het hier over gaat noemt hij 'opmerkelijk'. Hij gedenkt ook de rampen die hebben plaatsgevonden. De oorlog van 1746; de diverse watervloeden; het uitbreken van de veepest; en het verlies van de koloniën tijdens de Franse overheersing.

Vooral op de laatste tientallen jaren van de 18e eeuw levert Schotsman veel kritiek. Het waren de jaren die hijzelf bewust had meegemaakt. Zij werden overschaduwd door wat de Fransen ons aandeden, maar mede door de schuld van onze landgenoten zelf.

Schotsman zegt: De weelde nam toe. En in gelijke tred daarmee de zorgeloosheid. Het was ook een tijd van geesteloosheid. Een geest van afval en zedeloosheid maakte zich meester van ons volk. De nationale zonden vermenigvuldigden zich. De mensen werden vergiftigd door allerlei nieuwe opvattingen en ideeën. Het deisme, waarin God aan de kant wordt gezet, kreeg vat op hen. En ook het naturalisme; een alles toeschrijven aan de natuur: een natuurlijke religie, een natuurlijke theologie; een natuurlijke moraal.

Verdraagzaamheid (tolerantie) werd het toverwoord. Maar men gebruikte het om de leer die naar de godzaligheid is ermee terzijde te schuiven. De leer der verzoening, en ook die van 's mensen zonden en onmacht, werd van alle zijden aangevallen.

Afval en ongeloof

In de nieuwjaarspreek van 1801 beluisteren wij soortgelijke geluiden. Men heeft, zegt Schotsman, zo lang de verdraagzaamheid gepredikt en aangeprezen, dat wij tenslotte los en onverschillig zijn geworden. Er heerst onder ons volk een geest van afval van het ware christendom.

En dan geeft Schotsman een toch wel heel rake typering van wat zich afspeelde op theologisch en kerkelijk gebied in ons land; hij zegt: 'En nu heeft men een Godgeleerdheid zonder openbaring, een openbaring zonder Zaligmaker, een Zaligmaker zonder voldoening aan Gods gerechtigheid, of, tenminste, een voldoening zonder derzelver toepassing; nu vindt men een Godsdienst zonder deugd, deugd zonder bekering en bekering zonder vernieuwing van het hart'.

Wij merken hierbij op: Veel hiervan is ook toepasselijk op ónze eigen tijd, de tweede helft van de 20e eeuw. 

De nieuwe Verlichting, zo betoogt Schotsman verder, ontroofde ons onze beginselen; ongeloof en zedeloosheid waren de gevolgen ervan; verachting van Gods Woord, versmading van Zijn gezanten.

Persoonlijke zonden worden, voorzover men er geen verzoening voor gevonden heeft in het bloed van de Heere Jezus, op de Oordeelsdag gestraft, maar nationale zonden worden, wanneer de maat van hun ongerechtigheid vol is, hier op aarde nationaal vergolden.

Er is een zichtbaar wijken van de geest der genade en der gebeden. De godzaligen verminderen in aantal en klagen dat zij 'geen werk hebben' met kerk en vaderland en er 'geen toegang' voor vinden.

De geluiden die Schotsman hier laat horen doen denken aan wat meer dan een eeuw daarvoor geschreven werd door Witsius, in zijn Twist des Heeren met zijn wijngaard. Naar dit boek wordt door Schotsman ook nadrukkelijk verwezen. En verder ook naar nog enkele andere 'oude schrijvers', mannen als Costerus, Abraham van der Velde en Fruytier, Zions Worstelingen.

Was Schotsman dan alleen maar een boeteprediker? Heeft hij in het geheel geen oog gehad voor andere, betere dingen? Wel degelijk! Hoewel de 19e eeuw, toen hij deze preek hield, nog maar enkele uren oud was, zag hij toch al in haar de eerste tekenen van een geestelijke opleving, een Réveil. Weinigen in ons land zullen daar in die tijd oog voor hebben gehad, maar Schotsman in elk geval wel.

Naderend Réveil

Wij citeren nog wat meer uit de bedoelde nieuwjaarspreek. Is er dan geen hoop meer? vraagt Schotsman zichzelf af. Zijn antwoord is: Zeker wel! Wij hebben ook redenen van bemoediging. En hij noemt dan ook enkele van die redenen.

In de eerste plaats: 'De waarheid van den Christelijken en inzonderheid van den Hervormden Godsdienst mag onder ons miskend, verdonkerd en aangevallen worden, zij heeft ook haar predikers en verdedigers, en vindt haar steunsel in de banden en formulieren van enigheid, welke, ondanks de woelingen der verleiders, nog gaaf en ongeschonden zijn'. In de tweede plaats, 'zo lang de zuivere verkondiging van Gods Woord, de bediening der bondszegelen en de kerkvergaderingen blijven, kunnen wij niet klagen, dat God ons geheel verlaten en verstoten heeft'.

In de derde plaats, er zijn in ons midden nog ware kinderen van God, die, als het heilig zaad, het steunsel van het land zijn. Gods gezanten moeten erkennen dat hun arbeid niet ijdel is in den Heere. 'Zo lang des Heeren Geest nog werkt, mogen wij den moed niet opgeven, en, wie weet, hoeveel zaads er nog in de akker der Kerk voor ons oog verborgen ligt'.

In de vierde plaats, en nu komt hetgeen waar wij vooral op gedoeld hebben: 'De geest des afvals en des ongeloofs wint zoo veel velds niet meer als in voorige dagen; velen, die voor deezen onverschillig waren, gevoelen nu een afkeer van die Godonteerende beginselen en zielverwoestende zedeloosheid'.

Er begon zich dus een zekere kentering af te tekenen onder ons volk; en Schotsman met zijn scherpziende blik merkte dat op.

Niet dat hij zich heeft overgegeven aan allerlei illusies. Hij zegt: Het is waar, al dit goede kan niet opwegen tegen het kwade dat onder ons gevonden wordt, 'echter mogen wij er uit besluiten, dat God ons niet geheel verlaten heeft'.

De preek besluit met het volgende: Laat ons oog op den Heere zijn. Laten wij tonen dat het behoud van Kerk en Vaderland ons ter harte gaat. Wij moeten eigenbelang terzijde stellen, gevoelig zijn over Sions leed, onze nood de Heere voordragen. Er moet meer gebeden worden willen wij niet te gronde gaan.

Het is geen wonder dat deze zelfde Schotsman toen het Réveil eerst in het buitenland en daarna in ons eigen land zich duidelijker begon te openbaren, terstond blijk heeft gegeven van zijn hartelijke belangstelling en instemming. Maar daaover later.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Nicolaas Schotsman

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's