De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nicolaas Schotsman

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nicolaas Schotsman

10 minuten leestijd

5

De eerste keer dat Schotsman behalve in de preken die wij al uitvoerig geciteerd hebben, openlijk via het geschreven woord, positie koos tegen de oprukkende geest van de 19e eeuw was in 1816.

In dat jaar schreef hij een vrij uitvoerige Voorrede op een boekje dat vertaald uit het Duits tot titel kreeg:

De kunstgrepen van het hedendaags ongeloof

Het boekje was bepaald niet nieuw. Het was al rond 1775 verschenen, in Duitsland. De schrijver ervan is niet bekend.

Reeds ten tijde van het verschijnen in het Duits werd het in Nederland opgemerkt. In de Nederlandsche Bibliotheek werd het bij gedeelten in Nederlandse vertaling gepubliceerd. Toch trok het in die tijd hier maar weinig de aandacht.

Men had hier namelijk in die tijd andere dingen aan het hoofd. De hoofden en harten waren vol van de burgertwisten, tussen de Oranjegezinden en de Patriotten. Bovendien, de Duitse Verlichtingstheologie had in ons land in die tijd nog geen grote aanhang. Men was over het algemeen nog Gereformeerd, zij het zeer gematigd.

Maar begin 19e eeuw is de situatie sterk gewijzigd. Schotsman heeft tot zijn schrik gezien hoe dezelfde ideeën die eertijds in Duitsland zoveel kwaad stichtten ook in eigen land hoe langer hoe meer aanhang verwierven. En zo is hij ertoe gekomen dit boekje nog eens uit te geven, nu in de vorm van een doorlopend verhaal, in boekvorm, voorzien van een Voorrede van eigen hand. Schotsman heeft hiermee bewust willen ingrijpen in de ontwikkelingen op geestelijk en kerkelijk gebied in zijn land; en hij heeft daarbij een niet onduidelijk geluid laten horen.

Hij schrijft in zijn Voorrede: Het doel van de uitgave van dit boekje was eertijds de aandacht van de Duitsers te bepalen bij de bedekte plannen en pogingen van de neologen - , wij zouden zeggen: van de nieuwe theologen. De schrijver van het boekje, die mij onbekend is, heeft de rampzalige gevolgen van de Verlichting, met haar geloof in de menselijke Rede, vooruitgezien. Helaas heeft dit boekje niet kunnen verhinderen dat het proces van de afval van het ware christelijke geloof toch voortgang vond. Betekent dat dat het geheel vruchteloos geschreven en uitgegeven werd? Neen, dat niet. Het zal menigeen teruggehouden hebben van zijn voet te zetten op het pad des verderfs.

Vele jaren, zegt Schotsman, scheiden ons van de uitgave van dit boekje in het Duits. Er hebben intussen in ons land verschrikkelijke dingen plaatsgevonden.

Wij hebben de nederlandse burgertwisten met verlies van goed en bloed moeten boeten, en met tranen moeten bewenen. Men heeft ons van onze welvaart beroofd en ons met de ondergang gedreigd. Wij zijn vernederd geweest tot slaven van de meest verachtelijke dwingeland (Schotsman bedoelt Napoleon). Doch in al dat leed heeft de beoefening van de christelijke godsdienst ons het hoofd boven water doen houden. En de Heere is ons genadig geweest; wij zijn nu weer vrij. Iemand uit het geliefde Oranjehuis zit op de troon. Wij beleven gezegende dagen.

Onze dankbaarheid zou hierin moeten bestaan dat wij ons nu afwenden van het ongeloof en haar kunstgrepen. Maar gebeurt dat ook?

Schotsman herinnert nu aan een boek dat pas verschenen was, getiteld: Christendom en Hervorming vergeleken met den Protestantschen kerkstaat, bijzonder in de Nederlanden. Dit boek verscheen in hetzelfde jaar 1816. Het had toen Schotsman zijn Voorrede schreef al heel wat stof doen opwaaien. Men kan er wel zeker van zijn dat Schotsman de heruitgave van De kunstgrepen van het ongeloof bevorderd heeft juist met het oog op dit boek, om daarin wat tegenspel te bieden.

'Christendom en Hervorming' verschenen anoniem. Toch is de schrijver ervan wel bekend. Het was van de griffier van de Provinciale Staten van Groningen, de heer H. W. Hoving. Het ademde geheel de geest van de verlichtingstheologie, de neologie.

Christendom en Hervorming

In zijn Voorrede gaat Schotsman in op de inhoud van Hovings boek. Hij zegt daar: De schrijver acht de tijd gunstig om het ongeloof in te voeren. Hij laat het daarbij echter voorkomen of het om een hervorming gaat. Maar men lette echter er wel op wat voor een soort van hervorming hij voorstaat. Hij sluit geheel aan bij de geest van de tijd.

Hij meent dat nu vooral de tijd gekomen is om nieuwe ideeën in te voeren. Naar zijn oordeel zal dat wel lukken ook. Hij rekent daarbij vooral op de jonge predikanten. Deze staan op de dorpen, en daarom zal, naar zijn oordeel, deze 'hervorming' allereerst op het platteland gestalte krijgen. In de steden staan de oudere predikanten, die zullen, zegt hij, moeilijker te winnen zijn.

Hij rekent dus wel met verzet. Trouwens niet alleen van de oudere predikanten, maar ook van de catechiseermeesters. Die laatsten vervloekt hij zelfs daarom. Toch zal hij, zegt Schotsman, ook het kerkvolk niet mogen onderschatten. Dat heeft geleerd dat niet alle verandering verbetering is. En het laat zich ook niet zomaar zijn Heidelbergse Catechismus ontwringen, want dat is hun lievelingsboek.

De schrijver van 'Christendom en Hervorming' smeekt de koning, Willem I, om toch de 'Dordtse kluisters' te verbreken. Maar het Gereformeerde volk, zo merkt Schotsman op, is aan dat gejank allang gewoon, het weet zeer wel dat deze kluisters niemand willen kwellen dan alleen de kwalijk gezinden.

En wat de koning betreft, zo meent Schotsman, die zal naar deze 'naamloze duisterling' niet willen luisteren.

De man wil een verbroedering van alle Protestanten. Hij verheft de doopsgezinden en vooral de remonstranten tot in de wolken, en vernedert de gereformeerden tot in de afgrond.

Lezers, zo vermaant Schotsman aan het slot van zijn Voorrede, vergelijkt wat ge in dit boek leest over de 'kunstgrepen van het ongeloof' eens met 'Christendom en Hervorming' en andere soortgelijke hedendaagse geschriften en dan zult ge uzelf ervan kunnen overtuigen, dat men heden ten dage nog dezelfde 'kunstgrepen' toepast als 40 jaar geleden, toen dit boekske voor het eerst in Duitsland verscheen. Tot zover Schotsmans Voorrede.

Schotsman heeft met de heruitgave van dit boekje en met zijn Voorrede, dat zal nu wel gebleken zijn, een zeer bepaald doel nagestreefd. Hij was een der eersten in ons land, zeker onder de predikanten, die het gevaar onderkenden van de in ons pas herstelde vaderland opdringende nieuwe theologie, die men toen neologie noemde. Op een boek als dat van Hoving heeft hij snel gereageerd. Hij zal zich op dat moment herinnerd hebben hoe er al jaren eerder, in de tijd dat hij zelf nog een jonge man was, in Duitsland een geschrift verschenen was, dat hij kon gebruiken als tegenweer in de strijd tegen de dwalingen van zijn tijd, en zo kwam hij tot deze heruitgave. De tijd was aangebroken dat Schotsman nog meer van zich zou doen spreken.

Da Costa's instemming

Het zou ons te ver van ons onderwerp afvoeren indien wij hier de hele inhoud van het boekje over de 'Kunstgrepen' gingen weergeven. Dit zij er alleen van gezegd, dat men het gerust een onthullend boekje mag noemen, en dat de daarin beschreven taktiek die toegepast werd door de nieuwe theologen in die tijd op menig punt ook heden nog door de nieuwe theologen wordt toegepast.

Wel willen wij nog even vermelden wat Schotsmans medestander Da Costa later, nl. in een Nawoord bij de herdruk van 1829, dus 7 jaar na Schotsmans overlijden, er aan toegevoegd heeft.

Men bedenke dat toen, 1829, de neologie en de geest des tijds zich intussen in ons land nog veel krachtiger hadden doen gelden dan Schotsman in 1816 had kunnen voorzien. Da Costa schreef dan: Het gedrocht der redegodsdienst, der neologie, heeft zich sinds een halve eeuw ook tot ons land uitgebreid. De getrouwe, nu zalige Schotsman, wiens nagedachtenis bij duizenden van de in de aloude leer der waarheid staande gehoudenen steeds in zegening blijft, heeft als een getrouwe wachter de bedreigde Gemeente gewaarschuwd. Hetgeen hij en anderen hebben voorzien is thans werkelijkheid geworden in het droevig vervallen Nederland. Op de kansels verzwijgt men nu de neologie niet meer, op de hogescholen evenmin. De afgod van de eeuwgodsdienst is op het altaar gezet. De kunstgrepen van het ongeloof zijn gelukt, de hoogmoed van de eeuwgeest heeft voor een tijd overmocht.

Maar God is nog Dezelfde. Hij zal eens zeggen: Tot hier toe en niet verder! Let op de daden des Heeren, op de tekenen van Zijn Komst.

Da Costa wijst dan op enkele hoopvolle tekenen. Eerst in Duitsland. Hij zegt: Vanuit Duitsland is de stroom van het neologisme over onze kerken en academiën gekomen, maar zie, vandaar komen thans vele boodschappers van goede tijding, die melding maken van de overwinningen van God op het zich reeds meester wanende wangeloof der Eeuw. Da Costa zinspeelt hier op het ook in Duitsland doorbrekende Réveil. In een noot onder aan de bladzijde verwijst hij naar Elberfeld, waarbij dan wel gedacht zal moeten worden aan de prediking van de Krummachers.

Hij wijst verder ook op Engeland. Ook daar was de macht van het ongeloof groot, maar ook daar openbaarden zich nieuwe krachten, ontwaakten velen uit de sluimer der lauwheid. Dan volgt een vermaning aan het adres van zijn landgenoten. Strijdt toch voor het geloof dat de heiligen is overgeleverd. De Heere vergadert allerwege Zijn uitverkoren Gemeente, en roept haar tot de strijd. Mocht er ook voor de Nederlandse Kerk nog hoop zijn. Mogen de dorre beenderen nog gaan leven. Er is nog een overblijfsel. Er is nog hoop.

Blijft uitzien en volhardt in het gebed. Wacht op den Heere, in het vertrouwen op Zijn beloften. Weest werkzaam met de u toebetrouwde gaven.

Gij leraars, staande gebleven ondanks de afval der eeuw, al staat gij met weinigen tegenover een menigte waarheidsbestrijders en bijbelvervalsers in de scholen en op de kansels van ons naar de rand van de afgrond gevoerde vaderland, de Heere zal Zijn Woord en Naam verheerlijken. Waarom zoveel lauwheid en traagheid bij u, en vrees en toegevendheid ten aanzien van de leugen van deze wereld, en ten aanzien van de antichristen dezer tijden? Waarom niet de bazuin geblazen en met luide stem geroepen? O, wat vreest gij? De Heere is met ons.

Huisvaders, ook voor u is er een heilige roeping. In uw gezinnen en in uw binnenkamers. Mochten daar eens de beginselen van herstel en vernieuwing van kerk en land worden voorbereid.

Moeders, leert uw kinderen de vreze Gods en de liefde van Christus door het geloof in het bloed Zijns kruizes. De strijd is des Heeren. Het is een strijd van geloof en lijdzaamheid, ijver, liefde, getrouwheid, waakzaamheid; in vrezen en beven; in bidden en vasten; en in de Heilige Geest. Aan de Heere is de overwinning.

Deze oproep tot de strijd, uit de pen van Da Costa, heeft Schotsman niet meer gehoord, hij was de strijd reeds te boven - , de nu zalige Schotsman, zei Da Costa. Maar zijn nagedachtenis leefde nog bij velen.

Een paar jaar na 1816 zou Schotsman opnieuw de pen opnemen, en dan zou hij pas recht de geesten wakker roepen. Daarover de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Nicolaas Schotsman

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's