De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Men moet de macht van het gesproken woord niet onderschatten. In oorlogstijd vormt de propaganda een wezenlijk bestanddeel in de strijd, de beïnvloeding van de mentaliteit enz. In vredestijd kunnen leuzen en slagzinnen invloed uitoefenen op het denken en leven. Men denke aan wat men wel genoemd heeft de 'verborgen verleiders' van de reclame. Oefenen deze leuzen hun kracht uit, dan kan het gevolg zijn, dat men de kritische instelling er tegenover verliest. Er vindt dan plaats, wat prof. dr. W. H. Velema in Koers van 5 augustus noemt een psychische slijtage. Velema plaatst dit alles in het kader van de politieke bezinning. Ook in de politieke crisis doen slagzinnen hun werk.

In gesprekken over de oplossing van de Nederlandse politieke crisis wordt nogal eens de opmerking gehoord: als er een kabinet komt zonder de PvdA, zal de vakbeweging het de regering zo moei lijk maken, dat de vrede in ons land verdwenen is In het telkens herhalen van deze opmerking zit een suggestieve kracht. Ik leid dat mede daaruit af, dat ik deze opmerking meer dan eens heb horen gebruiken door mensen van wie men zou verwachten dat ze er door heen keken. Wanneer het tot een gesprek kwam over zo'n leus, bleek dat mensen door de herhaling, erin waren gaan geloven. Dat punt is uitermate belangrijk. Er is een psychologische oorlogvoering aan de gang, waarvan het resultaat verbluffend is. Ik denk nu ook aan het feit dat het de communisten gelukt is om ons, West-Europeanen, te doen geloven dat we een kapitalistisch stelsel aanhangen en in praktijk brengen. Niets is minder waar. Niemand minder dan professor J. Tinbergen heeft geschreven dat het een onvergeeflijk slordige manier van denken is om te menen, dat wij in een kapitalistische orde leven. Toch waagt bijna niemand het meer om zo'n beschuldiging van de kapitalistische samenleving in het Westen, te weerspreken.

We laten het ons niet enkel aanpraten. We gaan erin geloven. Dat betekent dat de geesten zonder argumenten rijp gemaakt worden, voor een andere economische en sociale orde. Ik moet er vaak aan denken, dat in Openbaring 13 niet alleen het beest uit de zee, maar ook het beest opkomend uit de aarde beschreven wordt. De macht van de propaganda wordt verpersoonlijkt in het beest uit de aarde. Ik ben van mening dat we veel te weinig letten op de macht die dit beest in de huidige samenleving oefent. Het gemak waarmee allerlei leuzen worden overgenomen is daarvan een duidelijk bewijs. De kritiekloze manier waarop zinnen uit interviews, of regels van volksversjes worden gebruikt, wijst in deze zelfde richting. Hoevelen uit protestantse gezinnen laten zich door pikante uitspraken van VARA's 'In de Rooie Haan' of uit populaire amusementsprogramma's niet op het verkeerde spoor zetten? (!)

Het merkwaardige van zulke leuzen is, dat het kritisch vermogen erdoor afstompt. Men neemt ze over en gaat erin geloven zonder erbij te denken, wat men overneemt. Er zit in deze propaganda een stuk irrationalisme. Het kritisch denken wordt uitgeschakeld. Het is een bepaalde manier van (mee)doen. Het is uitdrukking van een levensgevoel.

Dat alles is natuurlijk niet zonder betekenis. Door dergelijke processen, als hierboven geschetst kan men de geesten rijp maken voor een geestelijke omwenteling. Een omwenteling in de richting van denkbeelden die tegen de Schrift ingaan. Daarom is het zaak dat in de christelijke gemeente dergelijke leuzen ontmaskerd en niet meer gebruikt worden.

Naar mijn gedachte is onze tegenstander voor niets zo bang als voor het eigen geluid. Hij heeft immers ook zijn eigen geluid. Dat wordt ontmaskerd wanneer men daartegenover een ander geluid stelt. De eerste en voornaamste slag heeft hij gewonnen, wanneer hij ons eigen, bijbelse geluid tot zwijgen weet te brengen.

In dit verband zou ik ertoe willen oproepen om zich niet te schamen voor een afwijkend standpunt. Men moet het aandurven om tegen de stroom in te gaan. Men moet proberen zijn woorden zo te kiezen, dat anderen daarin iets herkennen van het bijbelse denken, dat toch radikaal anders is dan het wereldse denken.

Er is zoveel onduidelijkheid, omdat men de dingen niet bij de naam durft te noemen. Ik denk nog even aan de vaderlandse politiek. Het CDA heeft nagelaten aan het volk duidelijk te maken, waarom men het tot een kabinetscrisis liet komen. Nu is het weer hetzelfde, bij de formatie van een nieuw kabinet. Men verkleint de verschillen in plaats daarvan dat men duidelijk zegt, waarom men iets niet wil. Deze vaagheid maakt op mij de indruk van een gebrek aan verweer. Ze speelt de duidelijkheid aan de andere zijde in de kaart. Ze vergemakkelijkt het denken in en het spelen met (irrationele) leuzen. Christenen zullen belijdende mensen moeten zijn. Dat belijden komt niet alleen uit in het gebruiken en betuigen van de naam van Jezus Christus. Dat ­komt ook uit in een doorlichting van de dingen van de dag; in een kritische blik op wat zoal wordt geventileerd.

Misschien zegt iemand: de titel moet anders luiden. Het gaat niet om psychische slijtage. Het gaat veel meer om geestelijke slijtage. Wie dat opmerkt, heeft mijn bedoeling goed begrepen. Ik gebruikte de titel als blikvanger. Dankbaar zou ik zijn, wanneer de lezer zelf meedenkend, de ontwikkeling van psychische naar geestelijke slijtage heeft onderkend. Tegen geestelijke slijtage bestaat maar één verweer: geestelijke weerbaarheid. Zij komt ook uit in ons woordgebruik, in wat we zeggen en in wat we nalaten te zeggen.

Denkend over de macht van het woord ga ik onwillekeuring over op het Woord met een hoofdletter. Dat Woord wordt als getuigenis van de Heihge Geest vergeleken met een zwaard, waarmee de gelovige in geestelijke strijd weerbaar kan blijven. Toen ik in verband met de vervaardiging van een serie bijbelstudies over de brief van Paulus aan de Efeziërs mij verdiepte in deze diepgravende brief, trof me hoezeer Paulus de gemeenten van zijn tijd attendeert op hun woorden. Hij waarschuwt er voor zich te laten verleiden door holle leuzen, vuile woorden, kwaadsprekerij. Hij wekt op tot het zingen van lofzangen en geestelijke liederen. Hij spoort aan om het zwaard van de Geest, het Woord van God ter hand te nemen. Laten we eerlijk erkennen: er zijn niet alleen leuzen ter linkerzijde. Men kan ook vervallen in zeer orthodoxe leuzen en slagzinnen. Ook dat is hol en zonder betekenis. Geestelijk weerbaar worden we, als we leven bij en gevoed worden door het Woord als de omgang met het Woord onze woorden stempelt en richtsnoer is voor ons handelen.

Pastorale werkers in Friesland

Nu de synode van de Ned. Herv. Kerk een en ander maal de kwestie van de hulppredikers ter sprake gebracht heeft en er kerkordelijke bepalingen voorbereid worden om een en ander te regelen, is het zinvol ook eens te letten op de situatie van hulpkrachten in de Geref. kerken. Ds. L. H. Kwast schreef in het Geref. Weekblad van 29 juli een artikel over de pastorale werkers in Friesland. Friesland telt honderden dorpen, dorpjes en gehuchten. Er zijn een groot aantal kleine gemeenten die aangewezen zijn op hulpkrachten, omdat het financieel niet mogelijk is een predikantsplaats te bezetten. Soms heeft men een oplossing gezocht in de vorm van combinatiegemeenten. Maar er zijn anderen die een pastorale werker hebben aangesteld. Over deze pastorale werkers schrijft Kwast:

Maar her en der hebben kerkeraden een oplossing gezocht in de aanstelling van een zgn. pastorale werker. Dat is gebeurd in Paesens-Moddergat, Achlum, Stiens, Eernewoude, Staveren, Warns en Scharl. Het is me bekend dat ook andere kleine Friese kerken de aanstelling van een pastorale werker overwegen.

Een pastorale werker - de naam zegt het al - vervult in allerlei opzichten het werk van een predikant. Hij preekt, catechiseert, legt ziekenbezoek af, leidt vergaderingen, en wordt vaak als 'dominee' aangesproken. Maar hij mag geen doop en avondmaal bedienen, geen huwelijken bevestigen, geen openbare belijdenis des geloofs afnemen. Hij is een hulpkracht. Zijn opleiding is veel geringer geweest dan die van een predikant. Misschien heeft hij met vrucht de lessen aan een catechetenopleiding gevolgd, misschien heeft hij een zgn. bijbelschool bezocht en een eenvoudig examen afgelegd.

Ik schrijf er met haast bij dat pastorale werkers vaak harde werkers zijn en zich dagelijks beijveren om een gemeente te dienen. Even haastig erken ik dat ze door gemeenteleden in kleine kerken vaak op handen gedragen worden.

Sommige hulpkrachten hebben langs de weg van art. 6 K.O. het predikantschap bereikt en worden thans terecht als dominee aangesproken.

Maar het hele eiereten is dat de Gereformeerde Kerken in Nederland officieel geen instituut van pastorale werkers in de zin van substituutpredikanten kennen. De kerkorde zwijgt erover. Al een royaal aantal jaren hebben Friese kerkeraden kennelijk geredeneerd: nood breekt wet. Ze zijn met medwerking van classes - er moet nu eenmaal een preekconsent op tafel komen - tot aanstelling van een hulpkracht overgegaan. Geleidelijk werd dat in den lande bekend. Zo presenteerden zich telkens kerkleden-van-elders onder aanbieding van attesten, getuigschriften en andere papieren om in gereformeerd Friesland als hulpkracht emplooi te vinden.

ledere zich presenterende hulpkracht en iedere kerkeraad zong zijn eigen lied. Geen twee arbeidscontracten waren gelijk. Van enige werkelijke rechtspositie kon geen sprake zijn. 

Dat heeft de particuliere synoden van Friesland (Noord en Zuid) ertoe gebracht om enige orde op zaken te stellen en regelen aan te geven volgens welke kerkeraden en hulpkrachten zich moeten gedragen. Er werd voorzien in een studie-en examenregeling voor hulpkrachten.

Beide particuliere synoden hebben zich tot de generale synode gewend om erkenning van hun handelwijze.

Ds. Kwast vertelt hoe ter synode er aanvankelijk weinig gehoor was voor deze zaak. Hulpkrachten bestonden op papier, maar mochten er in werkelijkheid niet zijn. Maar je kunt een bestaande situatie uiteraard niet omver praten. Het is te begrijpen dat een aantal Friese predikanten aangedrongen hebben op een regeling, waardoor enerzijds deze hulpkrachten een officiële positie krijgen en anderzijds misstanden voorkomen kunnen worden. Die regeling zal nog wel even op zich laten wachten. Kwast stelt dan ook de vraag aan de orde: Hoe gaan we verder?

Beter een half ei dan een lege dop. Op déze synode zal een studie van deputaten worden aangeboden, waarin de Friese regeling zal worden besproken en - naar ik hoop erkenning zal vinden. Daarom kan ik het verzoek van de vorige generale synode aan Friesland voorlopig geen nieuwe personen toe te laten begrijpen en billijken.

Alleen: een particuliere synode kan lang niet alles naar haar hand zetten. Want hoe doe je dat: niet toelaten? Wanneer een Friese kerkeraad desondanks met classicale medewerking een hulpkracht aanstelt, moet dan aan die kerkeraad en gemeente een ultimatum worden gesteld? Moet zo'n kerkeraad bij weigering aan kerkelijk vermaan gehoor te geven buiten het kerkverband worden geplaatst? De enige mogelijkheid bestaat m.i. in broederlijk en vriendelijk gesprek tussen classes en kerkeraden, waarbij de classes de kerkeraden opwekken om de beslissingen van de huidige generale synode af te wachten. Méér kan niet gebeuren.

Wèl blijft de mogelijkheid om kerkeraden van kleine gemeenten aan te sporen naar combinaties en werkverbanden te streven, of een overeenkomst met een Hervormde Gemeente aan te gaan, aan de hand van de betreffende synodale bepalingen. Classicale deputaten voor de oecumene kunnen zulke kerkeraden wel op weg helpen. Eveneens de classicale deputaten voor kerkopbouw.

Maar als een kerkeraad na afweging van mogelijkheden en onmogelijkheden desondanks een hulpkracht aanstelt, kan geen classis en geen particuliere synode onneembare versperringen opwerpen. Ze kunnen niet meer dan dringend afraden, eventueel de verstrekking van een preekconsent weigeren, maar daarmee zijn de tegenmaatregelen zo goed als uitgeput.

Verstandiger is het om als kerken, kerkeraden, classes en particuliere synoden in Friesland gemeenschappelijk te zoeken naar een betere weg. En ik voeg eraan toe: het is ook verstandiger om het Friese individualisme dat de kerken nog wel eens parten speelt, niet als norm te verheffen. We zijn samen kerk, en niet iedere stads-en dorpsgemeente op eigen houtje.

Wij laten de intern-gereformeerde problematiek hier rusten. Maar het hele aspect van de plaats van hen die geen bizonder ambt bekleden en nochtans hun studie en gaven, hun tijd en hun inzet geven aan pastoraal werk of werk onder jongeren of buitenkerkelijken is de moeite van de doordenking meer dan waard. In de vijftiger jaren werd in de Hervormde kerk nogal eens gesproken over ambten en bedieningen. Gebleken is, dat deze onderscheiding nog al wat vragen oproept. Wat is het onderscheid precies? Dat blijkt niet zo gemakkelijk aan te geven. Voorts is er het aspect van de charismata, de genadegaven. Wie het Nieuwe Testament leest, zal aan de ene kant ontdekken hoe er van meet af aan 1 zoiets geweest is als een ambtelijke structuur, , ook al is er nog veel in beweging. Maar daar naast blijken allerlei gemeenteleden met hun 1 charisma in de gemeente werkzaam te zijn. Een hoofdstuk als 1 Cor. 12 laat zien, dat ook : dat geen onaangevochten zaak is geweest. Misstanden lagen ook toen op de loer. Men kan zich afvragen, in hoeverre wij het zicht op ) deze charismata zijn kwijt geraakt.

Daar is voorts het aspect van de opleiding. In welk opzicht heeft de opleiding tot predikant een eigen plaats, naast andere opleidingen. Het lijkt me een goed reformatorisch uit­ - gangspunt om er aan te blijven vasthouden dat bestudering van de grondtalen van de Bijbel, m.a.w. kennis van Hebreeuws en Grieks, tot de onopgeefbare vooronderstellingen behoren van een predikantsopleiding.

Daarnaast kennen we cursussen geestelijke vorming, catechetencursussen, bijbelscholen en - voorlopig nog - de hulppredikersopleiding. Het is hier niet de plaats om over deze kwesties allerlei uitspraken te doen. Wij signaleren slechts het verschijnsel dat allerlei lidmaten van de kerk, al of niet in interkerkelijk verband zich bezig houden met dergelijke cursussen en opleidingen. Hoe kan hier een dusdanige regeling getroffen worden dat één en ander wat op elkaar aansluit. En hoe blijven we de mogelijkheden open houden om deze mensen in te zetten in de kerkelijke arbeid? In hoeverre liggen er financiële mogelijkheden? In hoeverre moeten we denken aan kerke werk dat in de vrije tijd geschiedt, terwijl men daarnaast bezig is in een ander beroep? En in hoeverre is het mogelijk ook vandaag te werken met het onderscheid tussen ambten en bedieningen? Dat zijn zo enkele vragen die met andere aan te vullen zijn. In elk geval, het artikel van ds. Kwast raakt een kwestie aan die niet alleen in de Gereformeerde Kerken speelt, maar ook de Hervormde Kerk - in andere vorm wellicht - bezig moet houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's