De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening

Bekijk het origineel

Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening

6 minuten leestijd

Deze artikelenreeks 'Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening' beoogt een bredere informatie te geven over de dingen die gaande zijn in deze sector van wat we toch ook nog kerkewerk mogen noemen.De artikelen zijn dan ook niet geschreven voor alleen maar diakenen of bestuurders van instellingen, maar voor ieder die er van overtuigd is dat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ook voor hem of haar geschreven is.Hoewel het onderwerp zich toespitst op de dienstverlening, zullen toch ook veel herkenningspunten aangetroffen kunnen worden ten aanzien van de christelijke organisatie in het algemeen.

1

Staan de zuilen nog?

De zogenoemde verzuiling, die in principe haar oorsprong vindt in de schoolstrijd van de vorige eeuw heeft vooral in de twintiger en dertiger jaren, en niet te vergeten in de eerste jaren na de oorlog, een stempel gezet op ons volksleven.

Heel ons maatschappelijk bestel rustte op schijnbaar onverwrikbare zuilen. Politieke zuilen, onderwijszuilen, vakbewegingszuilen, omroepzuilen, kortom alle allerlei organisaties op bijna elk denkbaar terrein waren opgedeeld in zuilen, waren 'verzuild'. In grove lijnen kunnen we ze schetsen als de socialistische, liberale, rooms katholieke en protestants christelijke zuilen. De eigen identiteit poogde men te waarborgen door zich in de eigen zuil te verschansen, daar een soort bolwerk van te maken. Van daaruit werd dan gepoogd invloed uit te oefenen op het maatschappelijk bestel.

Vanuit dit gegeven kunnen we terugzien op het z.g. rijke roomse leven, de mannenbroeders en de rooie rakkers. Terugzien, inderdaad, soms met wat nostalgische gevoelens, soms met wat meewarige humor.

Het is nu immers allemaal anders. We denken nu veel ruimer. We zijn mondiger geworden, er zijn gevoelens van bevrijding. Een verzuilde maatschappij is een gepolariseerde maatschappij. Daarom kwam er in de zestiger jaren een proces op gang dat we nu de 'ontzuiling' noemen. Gewoon de zuilen laten vallen, opruimen. Een nieuwe maatschappij bouwen zonder daaraan exclusieve kentekenen, etiketten, zuilen, te verbinden.

Dit proces van ontzuiling kreeg een bijzondere kans in de tak van het welzijnswerk, de maatschappelijke dienstverlening. Merkwaardig, dat kerkelijke zuilen, diaconale zuilen, je zou kunnen zeggen zuilen met een stevige grondslag, het eerst ten prooi vielen aan dit afbraakproces.

In de maatschappelijke dienstverlening vond de kreet 'gevulde algemeenheid' een gretig Nu moet gezegd worden dat het klimaat voor een dergelijke visie uitermate gunstig werd beïnvloed.

Allereerst wil ik wijzen op de ontwikkelingen in de theologie. De volgelingen van Robinson en later van Sölle laten ons zien dat de dienst aan de naaste geen specifieke kerkelijke aangelegenheid kan zijn. Want onder oecumene verstaan wij allang niet meer een samengaan van kerken, maar van hen hebben wij geleerd - zo heet het dan - dat het nu gaat om héél die bewoonde wereld. Dienst aan de naaste is zonder meer solidariteit. Dienst bewijzen, dat kun je samen doen, het is uitsluitend een humane aangelegenheid. Laten wij als christenen niet denken dat het iets exclusiefs is vanuit onze levensbeschouwing. Deze visie, met name gevoed vanuit genoemde theologie, heeft zoals bekend een ruim onthaal gevonden in de midden-orthodoxie, maar ook in de rooms-katholieke en gereformeerde kerk.

Van geheel andere invloed is de toenemende overheidsbemoeienis op de maatschappelijke dienstverlening.

Zeer terecht is de overheid in de meerdere mate haar taak gaan verstaan in het behartigen van het welzijn van de onderdanen. Maar dat betekent ook dat er daarmee een bepaalde druk door die overheid wordt uitgeoefend op wat wij het 'particuliere initiatief' noemen. In de zestiger jaren heeft de overheid onder de verlokking van ruime subsidies een enorme invloed uitgeoefend op de identiteit van de maatschappelijke dienstverlening. Met de hiervoor genoemde theologische fundering én met de ruime subsidies van de overheid was de weg naar de gevulde algemeenheid slechts een korte. Daarnaast mag ik dan ook nog wel de invloed van de werkers in die dienstverlening noemen. In niet weinig gevallen geschoold op akademies waar het neo-marxisme hoog in het vaandel staat, is het niet wonderlijk dat de mensen in het 'veld' het niet meer zo zagen zitten met de 'zuilen'. We doen immers allemaal hetzelfde, we hebben feitelijk dezelfde doelstelling, wat let ons om het samen te doen.

En zo zijn in betrekkelijk korte tijd veel instellingen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening ontdaan van hun etiketten en samengaan in wat we dan nog noemen gevulde algemeenheid'.

Hiermee wordt dan bedoeld dat in dat samengaan toch nog iets van die oude identiteit gewaarborgd moet blijven. De oude zuilen zijn als het ware in één stevige algemene zuil samengevoegd, maar hebben daarbij iets van hun oude kwaliteit meegekregen.

Inmiddels zijn er weer een aantal jaren verstreken en begint het er op te lijken dat het allemaal toch niet zo ideaal is als men zich voorgesteld had.

In veel gevallen bleek het 'gevulde' vertaald te worden met 'eenheidsworst'. Wat stelt b.v. christelijke identiteit nog voor. Nee, veel belangrijker is de identiteit van de eenheid, van de maatschappelijke dienstverlening op zich. Gevulde algemeenheid bleek veralgemenisering te betekenen, dus ook deconfessionalisering. Vulling, hoe dan ook, was er niet meer bij.

Maar ben je eenmaal zó ver, dan blijkt dat je een lege huls over houdt. Dit nu wordt men zich in de maatschappelijke dienstverlening bewust.

De mens kan immers niet waardevrij benaderd worden. In dit werk, waar het juist gaat om de mens, om zijn welzijn, gaat het niet zonder basiswaarden.

Er valt dan ook nu binnen veel instellingen, onder veel welzijnswerkers een zekere hunkering waar te nemen. Hunkering naar duidelijkheid zou ik het willen noemen, of toch ook hunkering naar identiteit.

Bovendien blijkt nu ook dat het reeds genoemde neo-marxisme geen neutrale aangelegenheid is. Ook dat is niet waardenvrij. Het heeft juist specifieke bedoelingen. Met name wordt dit zichtbaar in de vakbladen en andere literatuur in 'welzijnsland'. Kort geleden nog werd er in het 'welzijnsweekblad' op zeer uitvoerige wijze aandacht geschonken aan het proefschrift van dr. Joost Smiers: Cultuur in Nederland:1945-1955'. De onverhulde sympathie van de heer Smiers voor het communisme krijgt in dit welzijnsblad een onevenredig grote aandacht.

Ook de toenemende overheidsingrepen in de maatschappelijke dienstverlening worden nú oorzaak van bezinning. Waren we wel op de goede weg? Hebben we niet teveel overboord gegooid kortom, de overheid begint, gelukkig, het particuliere initiatief weer wakker te schudden. Geconstateerd moet worden dat de zuilen er nog staan. Weliswaar niet in hun oude vormen, soms zelfs in geheel andere gedaante, maar ook in de maatschappelijke dienstverlening gaat men weer waarde hechten aan een 'achterland', aan bezinning, aan een heroriëntatie. Dat betekent dat er ook nog mogelijkheden zijn voor een christelijke identiteit. Dat betekent dat er nog een taak ligt voor de christelijke gemeente. Met instemming citeer ik dan ook professor Graafland (Gods geseculariseerde wereld, blz. 48); 'Ons ten volle bewust van de ernst van de tijd, waarin wij leven, en waarin wij voor een allerzwaarste beproeving kunnen komen te staan, moe-, ten wij conform de opdracht tot volharding onze roeping blijven vervullen. Dat zal in deze situatie nog kunnen zijn in de vorm van een christelijke gemeenschappelijkheid in kerken en gemeenten, in christelijke vereniging en organisaties. Niet om bij de instituties te zweren of erin te geloven. We gebruiken ze, critisch, zolang dit mogelijk is, want ook zij kunnen ontaarden, en vragen dus om voortdurende hervorming.'

Het is daarom niet zo belangrijk of de zuilen er nog staan. Uiteindelijk leeft de christen niet bij de gratie van de zuil. Veel meer zegt het ons iets wanneer wij ook in de maatschappelijke dienstverlening ons mogen richten tot medemens, niet met Marx, niet met Erasmus, maar met het Woord dat ons geschonken is in Jezus, de Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Op zoek naar een christelijke identiteit in de maatschappelijke dienstverlening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1977

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's