Nicolaas Schotsman
7
Schotsmans tweede preek in zijn 'Ere-zuil' heeft een sterk eschatologische inslag. De tekst van deze preek bracht als vanzelf deze gerichtheid op de toekomst met zich mee. Zij is Opb. 16 : 15 'Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie'.
De juistheid van Schotsmans 'uitleg van deze tekst en van het boek Openbaring laten wij in het midden. De zesde fiool vs. 12 laat hij betrekking hebben op de ondergang van het Turkse rijk. Onder de 'koningen der aarde en der gehele wereld' (vs. 14) verstaat hij de Joden. In deze (ons inziens gewrongen) excgese volgt Schotsman Robert Fleming na, wat hij ook zelf zegt. Robert Fleming was een Engels predikant die in Nederland theologie studeerde, in ons land ook enige tijd predikant was en in 1716 te Londen overleed. Hij is beroemd geworden door een boekje dat in het Nederlands vertaald de naam kreeg van Sleutel tot de Openbaringen, of Verhandeling over de opkomst en de val van het Pausdom. Dit is het boekje waaraan Schotsman veel ontleend heeft voor zijn genoemde preek.
Schotsman ziet in het verschiet een bekering der Joden en een terugkeer der Joden naar hun erfland. Daaraan voorafgaande zal het Turkse rijk verwoest worden. Daarna komt de grote eindstrijd.
Volgens Schotsman leefde hijzelf aan de vooravond daarvan. Grote gebeurtenissen hebben wij beleefd, zegt hij, en van nog grotere gaat de toekomst zwanger. Wij hebben de vierde fiool zien uitgieten; de vijfde wordt thans uitgegoten; en eerlang zal de zesde worden uitgegoten. Reeds begint het uitgestrekte Turkse rijk in onze dagen een opmerkelijke vermindering in macht, aanzien en inkomsten ten gevoelen. De Heere Jezus komt, omringt de Turkse bodem met het Evangelie. Mohammed zal voor Hem moeten wijken. Immanuèl zal als een overwinnend Held de weg bereiden om de Joden, dwars door Turks Europa heen, naar hun erfland te geleiden.
Welk een strelend vooruitzicht, aldus Schotsman, op de bloei en welvaart van het christendom. Doch zij komt niet zonder grotere beroeringen in deze wereld. Het wordt tijd om te ontwaken.
Ontwaken
Tot de grote beroeringen voorafgaande aan een betere tijd rekent Schotsman ook de verbasteringen van het ware christendom. En daarmee was hij dan weer temidden van de zorgen van eigen tijd.
Er zijn dieven het 'Kerkhuis' binnengeslopen, zegt hij. Valse leraars en dwaalgeesten keren de grondwaarheden van het christendom om. Zij doen dat eerst heimelijk, daarna met geweld. Zij vervalsen de leer, verijdelen de tucht en verbreken de eenheid.
Het is tijd om te waken en de klederen te bewaken. Alle mensen liggen, zo lang zij onbegenadigd zijn, in een diepe slaap van zorgeloosheid. Onbewust van hun verloren staat zijn zij vervuld van droombeelden. De ontwaakte echter is waakzaam, heeft leren bidden, is ook werkzaam geworden. Welnu, wie ontwaakt is, moet wakker blijven.
Een waakzaam christen is een wérkzaam christen. Hij weet dat hij gewekt is om zich te oefenen in de plichten van geloof en godzaligheid. Hiertoe zal hij zich gereedmaken in zijn binnenkamer, door overdenkingen en gebeden; in zijn woning, door de huiselijke godsdienst waar te nemen; en door naar de kerk te gaan.
Hij is op zijn hoede voor verleiders, beproeft de geesten of zij uit God zijn. Immers, christenen kunnen van hun belijdenis en van de beoefening daarvan beroofd worden. De vijanden van het christendom sluipen steelsgewijs de kerk in. Onvaste zielen vallen. Vandaar de vermaning te waken, wakker te zijn.
Zo preekte Schotsman op zondagavond 16 mei 1819. Zijn herdenken van de Dordtse Synode liep uit op een bewogen woord, betreffende de nood van de tijd waarin hij leefde.
Uiterlijk scheen het allemaal zo goed te gaan in de kerk. Het vaderland was hersteld. Er was rust. Maar Schotsman zag wel wat zich in het verborgen afspeelde; trouwens het kwam steeds meer openbaar. Het vergeten van de Dordtse Synode had een diepe oorzaak. Men wilde af van de oude Gereformeerde waarheid. Het ging om een ander Evangelie. Men ziet, niets nieuws onder de zon!
Bilderdijks aanmerkingen
Wij hebben het al opgemerkt, de tweede uitgave van Schotsmans Ere-zuil is voorzien van enkele 'aanmerkingen' van Bilderdijk. Laten wij even luisteren naar deze veteraan in de strijd tegen de geest van de 19e eeuw, een eeuw waarvan hij eens zei: Deze zal nooit de mijne zijn!
De geest des tijds, aldus Bilderdijk, spreekt, zie het Letterlievend Maandschrift, over de dwaasheden onzer vaderen. Deze 'dwaasheid' is gelukkig nog niet begraven. Zal pas dan ophouden beleden te worden als de antichrist Christus geheel onttroond zal hebben.
En dan keert Bilderdijk zich tegen de 'ongerechtigheidsplegers', die wel in Christus roemen, maar Zijn onfeilbaar Woord, Zijn vergoten bloed en Zijn oppermacht beide in hemel en op aarde bestrijden en honen. Hun gerechtigheid bestaat in verraderlijke onderkruiping, aanmatiging en een duivelse vertreding van al wat heilig is.
Zij spreken van broederschap, smeden verenigingen; maar wij verachten die Kains broederschap, en hun ingebeelde verlichting, die in loutere zelfaanbidding en miskenning van God en Zijn genade bestaat!
Voor ons bestaat er een volstrekte Waarheid, die van geen tijden of mensenbevattingen afhangt. Deze waarheid uit zucht naar nieuwigheden, hoogmoed en onverstand bestrijden en degenen die haar belijden of leren, uit kerk en staat schoppen, en smaden, komt niet overeen met de verdraagzaamheid waarin men roemt. Laten die monsters het kleine hoopje rechtzinnigen (die zij dwepers en duisterlingen noemen) dat nog over is, hetzelfde recht gunnen dat zij Turken, enz. niet weigeren, nl. hun leer en gevoelen, zonder gescholden en beschimpt te worden, onder elkaar voort te planten, de weldaden des hemels daarbij ondervonden openlijk te erkennen en hun vaderen met lof en dank te herdenken. Maar ach, niemand onverdraagzamer dan die de verdraagzaamheid steeds in de mond heeft.
Niet de Dordtse Synode, zo vaart Bilderdijk opnieuw uit, heeft de godsdiensthaat en twist levend gehouden tot op deze dag, zij heeft er juist paal en perk aan gesteld, door te bepalen wat de kerkleer was. Maar die booswichten die niet ophielden hun gevoelens de kerk op te dringen en de leer der kerk met duivelse woede aan te vallen en die thans gedurende twee eeuwen de kerk geen rust hebben gelaten met hun bespottingen en drogredenen; zij zijn het die de haat en twist levend houden, en dit zullen blijven doen, totdat Gods hand hen uitroeit.
Men heeft de brave Schotsman, aldus Bilderdijk, en met hem al wat rechtzinnig van gevoelen is, vervloekt en verdoemd. Men oefent gewetensdwang. En dan: Schotsman schaamt zich niet op het gebouw van het oude waarachtige christendom, waarvoor onze vaderen leden en streden, een ere-zuil te stichten; en wij schamen ons niet ons rond die ere-zuil te scharen! Dit was kloeke taal. Gelijk men van Bilderdijk verwachten mocht. Men zal hem de eer moeten geven dat hij het moedig opgenomen heeft voor de om zijn rechtzinnigheid bespotte en bekladde Schotsman.
Bij alle verschillen die er tussen deze beide mannen waren, waren zij toch ook eensgeestes. Het zal Schotsman zeker goed gedaan hebben dat Bilderdijk zich onomwonden aan zijn zijde schaarde.
Om naam en eer heeft Bilderdijk niets gegeven. Hij sprak rechtuit.
En ook Schotsman heeft zijn naam en faam in de waagschaal gelegd.
De liefde tot de Waarheid dreef hen, bij alle gebreken, die zij overigens hadden, die Waarheid hoorden zij vertolkt ook te Dordt. Vandaar hun ere-zuil, waar zij zich moedig omheen schaarden, ook toen hele horden van tijdgenoten er een aanval op deden.
Een paar jaar later, 1821 dicht Bilderdijk zijn befaamd Aan den heer Schotsman. Daarin komen onder andere deze woorden voor: 'Ja, Schotsman, staan wy pal! By Jezus Kruis gebogen' . Dat hebben beiden inderdaad gedaan, pal gestaan.
Schotsman is de geschiedenis ingegaan als de man van de Ere-zuil. De ere-zuil die hij oprichtte voor de Dordtse Synode is tegelijk bij alle rechtzinnigen ook voor hemzelf een erezuil geworden. Schotsman heeft dit niet bedoeld of bewust nagejaagd, maar wel gekregen.
Toen Schotsman overleden was, begin 1822, greep Bilderdijk opnieuw naar de pen en schreef hij zijn Ter uitvaart van den waardigen leeraar N. Schotsman (Krekelzangen, Rotterdam 1823, deel III, 137). Bilderdijk prijst in dit gedicht Schotsman als een oprechte herder die bij het 'reutlend wolfsgehuil' de 'toeberouwde Kooi' verdedigde en behoedde, en daarvoor de woede der vijanden dorst trotseren.
Wat mij aan u verbond, schrijft Bilderdijk was 'de echte zucht voor Jezus' eer'. Gij waart een verkondiger van 's Heeren Woord 'in ongesmukte taal, en wars van kunstversiering'. En dan de persoonlijke ontboezeming: 'Ik, grijsaard, ik, uw tijd-, uw lot-, en leedgenoot / Toen Kerk en Staat bezweek voor horden van Barbaren / Ik volg u, en getroost, naar 's aardrijks duisteren schoot / Den zachten schoot der rust na stormen en bezwaren'.
Die schoot der rust was in 1819, toen Schotsman zijn Ere-zuil oprichtte, wel niet ver meer af, maar toch ook nog niet bereikt. Er wachtte nog meer strijd. Daar zal het de volgende keer over gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1977
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's