De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waar twee hetzelfde doen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waar twee hetzelfde doen

6 minuten leestijd

'En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des lands de HEERE offerde, en Abel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Abel en zijn offer aan, maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan...' Gen. 4 : 3, 4 en 5a 'Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kain...' Hebr. 11:4.

Vorige week mediteerden wij over de geboorten van de eerste twee kinderen: Kain en Abel. De nadruk lag op de naamgeving en de plaats van de ouders daarin.

De twee jongens groeien op.

De één wordt schaapherder, de ander landbouwer. We lezen er zo overheen, maar pas als we er aan denken hoe het lag met de verhouding van die twee, gaan deze twee beroepen een eigen betekenis krijgen.

'Schaapherder...!' Niet alleen onder de grote volken als Egyptenaren, maar ook onder de Joden van later eeuwen was het schaapherder-zijn maar een veracht beroep... alleen voor de geringe, de nietige, voor mensen die niet hoger konden grijpen. Abel de 'nietige' wordt 'maar' schaapherder.

En dan Kain hij die bouwt én op wie men kan bouwen; hij bebouwt de aarde; hij wordt land 'bouwer'. Dat is het pas. Zelfs nu komt het nog wel voor, dat een welgestelde 'landbouwer' toch eigenlijk wat neerziet op iemand die alleen maar vee heeft. Dat was in de oude tijden tienmaal sterker.

Het huwelijksformulier zegt dat ieder beroep, waarin we met God en ere werkzaam kunnen zijn, een goddelijk beroep is. Het ene beroep schijnt echter in de ogen van mensen toch eervoller te zijn dan het andere.

Kain, de 'pijler op wie men bouwt' heeft een hoogwaardig beroep!

Abel, de 'nietige' krijgt een 'nietig' beroep.

Maar de HEERE heeft geheel andere gedachten!

Op een goede dag gaan beiden offeren.

Nu behoren wij met ons verduisterd verstand, niet kritische vragen te gaan stellen zo in de zin van: 'Hoe konden zij nu weten wat offeren was... enz.' Het is een gave als mensen verstand ontvangen om ook op wetenschappelijke wijze bezig te zijn met de dingen van God en Zijn Woord; anderszins kan het hoogmoedig alles - willen - weten van theologen een grote zonde worden. Wij hebben niet het recht het onfeilbare Woord van God te trekken voor de rechtbank van ons kritisch denken. Wij hebben ons te buigen voor de openbaring van God, uitgedrukt in de Heilige Schrift... en ons zo te laten gezeggen. Kain en Abel gaan offeren.

Vader en moeder zullen hen daarin wel voorgegaan zijn, en hun kinderen verteld hebben van de schepping die (zeer) goed was, evenals van de diepe val der zonde... maar ook van de belofte. Doen wij als ouders dit? Durven wij met onze kinderen te spreken over de zonde, onze persoonlijke zonde? Wijzen wij hen op de beloften van God?

Kain en Abel gaan offeren.

Later zal de Schrift veel zeggen over het offer als een teruggeven van wat God zelf eerst geschonken had; over het plaatsvervangende en plaatsbekledende van de offerdienst: het bloed dat vloeit in onze plaats. De vraag of deze twee offeraars dit toen al ten volle beseft hebben is niet aan de orde: zij offeren!

Beiden doen hetzelfde... de één ontvangt een zegen, de ander niet. Juist m.b.t. de dienst van God - en dat is offeren toch - kunnen twee mensen precies hetzelfde doen: een man en zijn vrouw, twee broers, zusters, gemeenteleden... en toch!

'Mijn man ontvangt zoveel zegen bij het lezen van de Bijbel, in de prediking van het Woord, maar ik... hoe zal dat toch komen? We vernemen deze vraag wel eens.

Hoe kwam het dat God het offer van de 'nietige', die met dat geringe beroep wél aanzag en het offer van die 'sterke pijler' niet? 'Is dat niet gemeen... ? ' zoals een katechisant uitriep, of 'Is dat willekeur? ' zoals een volwassene weleens zegt?

Het antwoord hierop moeten wij leren vinden, niet bij onszelf, niet bij mensen, maar in de Schrift zelf. Daar ligt de uitleg (exegese) en het onderwijs van de Heilige Geest.

En die Heilige Geest heeft het de bijbelschrijver haarscherp laten optekenen. Niet -zoals wij vaak zeggen - 'De HEERE zag het offer van Abel wél aan, maar het offer van Kain zag Hij niét aan...' doch ' En de HEERE zag Abel en zijn offer aan... maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan...'

God zag eerst naar Abel, Hij doorzag deze man, het hart en de bedoeling van zijn offeren. .. en toen pas keek Hij naar het offer van Abel En zo ook met Kain. Eerst de mens Kain, en van deze mens en zijn handelingen zegt de Geest in 1 Joh. 3 : 12 'Kain die uit de boze was... omdat zijn werken boos waren'.

God zag dwars door deze beide broers heen, en Hij zag dwars door hun offer heen. God kijkt niet eerst naar de vruchten en dan naar de boom, maar omgekeerd.

En diezelfde Heilige Geest licht in Hebr. 11 de sluier op, die over deze verzen lag en zegt: 'Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande geofferd dan Kain...'

Dat 'meerdere' behoeft niet te betekenen 'meerder' in de zin van kwaliteit of hoeveelheid, maar 'meerder' omdat Abel's hart erin lag.

Abel deed het 'uit geloof, en dóór geloof'. Door dat geloof liet Abel God God, en gaf hij in zijn offer 'zijn leven' terug aan de HEERE. Niemand heeft het recht hier te spreken van 'willekeur' in de zin van 'je treft het of je treft het niet'. God duwt Kain niet weg, integendeel; en de volgende week zullen wij daarop terugkomen; maar God ziet het hart aan.

Bij Kain is er geen gelovig, afhankelijk buigen voor God. Hij, Kain is een 'pijler' op wie hijzelf, op wie de ander op wie God moet bouwen. Hij steunt op eigen kracht, bebouwt eerst het land en straks in vers 17 een stad met de trotse naam van zijn eigen zoon.

Bij Abel echter is er door de verkiezende liefde van God een - zich - overgeven in het offer aan de HEERE, een zich buigen voor Hem... bij Abel is er geloof.

De vraag van die vrouw hierboven kan dan ook maar met één wedervraag beantwoord worden: 'Ontvangt u geen zegen omdat uw bijbellezen, uw horen van de prediking niet met geloof is gemengd...?

Adam en Eva plaatsen hun 'geringe' hun Abel in de schaduw van hun 'pijler' hun Kain. De HEERE trekt echter de geringe uit die schaduw in het licht van Zijn genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Waar twee hetzelfde doen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's