De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hadden we niet beter bij elkaar kunnen blijven?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hadden we niet beter bij elkaar kunnen blijven?

10 minuten leestijd

De vraag, die ik boven dit artikel plaats, kwam bij mij boven toen ik op één dag twee stukken in de krant las van overigens heel verschillende aard. Het eerste was een uitgebreid verslag over de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in het Reformatorisch Dagblad. Het tweede was een beschouwing bij het 70-jarig bestaan van de Gereformeerde Gemeenten in het blad de Schakel. Met beide kerken voelen we, vanuit de verworteling in dezelfde belijdenis, ons verwant. Vandaar dat ontwikkelingen daar ons ter harte gaan. Vandaar ook dat we de vragen, die bij ons opkwamen en die resulteerden in de titel van dit artikel, niet willen achterhouden.

Gezangen

De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben zich uitvoerig bezig gehouden met de zangenkwestie. Blijkens het synodeverslag wordt tegen deze zaak heel verschillend aangekeken, waarbij het getal der voorstanders van het invoeren van gezangen en van tegenstanders elkaar in evenwicht hielden.

Nu is deze kwestie niet van vandaag of gister. De zaak gaat eigenlijk terug op de Reformatie zelf. Luther dichtte zelf vrije kerkliederen. Calvijn daarentegen wilde zich nauwkeurig aan de tekst van de Schrift houden. Wij wensen dat de Psalmen in de kerk worden gezongen, zoals wij daarvan in de Oude Kerk een voorbeeld hebben'. En: 'wij vinden geen betere zangen dan de Psalmen, die de Heilige Geest ons zelf heeft gegeven. (Geciteerd uit de Chr. Encyclopedie, Kok Kampen).

Daarin volgde Calvijn Augustinus, die zei: 'Niemand kan waardige dingen tot God zingen, als hij ze niet eerst van Hem ontvangen heeft'.

In deze zin sprak kennelijk ook ds. M. C. Tanis op de Christelijke Gereformeerde synode, die zei, dat het unieke van de Psalmen is, dat ze niet alleen reflexie van de dichter op de Godsopenbaring zijn, maar tegelijk Godsopenbaring. Met andere woorden in de Psalmen zingen we wat God zelf heeft voorgesproken en niet alleen onze subjectieve en persoonlijke reactie op het heil.

Kenmerkend voor de Gereformeerde Kerk hier te lande is dat deze van huis uit, dat wil zeggen vanuit de Reformatie, het op de Psalmen hield, al zette de zelfde Gereformeerde Kerk (we bedoelen dus niet de kerken, die uit de Doleantie onstonden) in art. 69 van de Dordtse Kerken Orde met de Enige Gezangen de deur naar het vrije lied wél open. Maar in brede kring, ontstaan uit de Gereformeerde Reformatie, bleef het Psalmboek hét boek voor het kerklied, zonder dat men overigens stelde dat het hier om een zaak ging, waarmee de kerk staat of valt, (het schriftberoep is immers niet het sterkst als we bedenken, dat gesproken wordt over psalmen, lofzangen en geestelijke liederen).

Waar het mij nu om gaat is dat én de Afgescheidenen én de Dolerenden en - wat de Hervormde Kerk betreft de Hervormd Gereformeerden in die voorkeur voor het Psalmboek één waren. Bij de oprichting van de Gereformeerde Bond in 1906 sloten zich mensen aanéén, komend uit psalmzingende gemeenten. Zulke gemeenten waren er heel wat. Ze zijn niet met de Gereformeerde Bond gegeven, de Gereformeerde Bond kwam juist daaruit óp. In de Gereformeerde Kerken van die dagen zong men óók uitsluitend de Psalmen.

Dr. A. Kuyper zei, 'dat de invoering van de gezangen schier overal ten gevolge heeft gehad, dat de Psalmbundel erdoor verdrongen werd'. En de Afgescheidenen van 1834 hielden het óók bij de Psalmen. Van Ledeboerwel niet direct een representant van de Afscheiding, omdat hij zich, na aansluiting bij de Afscheiding, spoedig weer van haar afkeerdeweten we, dat zijn schorsing te Benthuizen mede een feit wend omdat hij het gezangboek plechtig in zijn tuin begroef.

Al met al gaat het hier om een zaak, die al tijdenlang aan de orde is. En deze kwestie ligt zó gevoelig dat er tumultueuze dingen rond deze zaak gebeurden. In één van de nummers van de Waarheidsvriend aan het begin van deze eeuw lazen we, dat in Rijssen vrijwel allé kerkgangers, inclusief de kerkeraadsleden, opstapten toen in een vacaturedienst een ringpredikant uit Oostmarsum een gezang opgaf. Men kan dan wel zeggen, dat dit te onzaliger ure een kwestie geworden is in de kerken in ons land, het is bepaald geen bagatel.

Wat nu opvalt is, dat én in de kring van de Dolerenden én in de kring van de Afgescheidenen rondom deze zaak op dezelfde wijze ontwikkelingen kwamen als binnen de Hervormde Kerk, de Kerk waarmee men brak. De Gereformeerden hebben al vele jaren de gezangen, inclusief dié vrije liederen waartegen vanuit Schrift en Belijdenis ernstig bezwaar te maken is.

Toen in 1933 deze kwestie in de Gereformeerde Kerken acuut werd (o.a. na kritiek van dr. Kaajan op diegenen in zijn kerk, die bezwaar maakten tegen gezangen), schreef prof. dr. H. Visscher: 'De heeren zullen het wel gelooven, maar met droefenis zien we aan, hoe langzaam maar zeker die tijd komt, waarop men zal zeggen: 'wat onderscheid ons nog van de kerk, waaruit wij zijn uitgegaan? ' En thans discussiëren de Christelijke Gereformeerden over de vraag: wél of géén gezangen. En de kloof erover blijkt diep te zijn. De vraag, die dan bij mij boven komt, is deze: zijn al die kerken, die-of het nu in Afscheiding of in Doleantie was - buiten de Hervormde Kerk terecht kwamen niet bestemd vroeg of laat dezelfde processen door te maken, die de oude vaderlandse kerk al zoveel jaren heeft? En dan bedoel ik het niet alleen in de zin van; vóór of tégen gezangen. Want achter deze vraag ligt niet zelden (zeker op langer termijn) de vraag van de confessie. Ik zou daarom liever, dieper willen vragen; zijn de gescheiden kerken niet bestemd ook telkens weer door de crises in confessioneel opzicht heen te gaan, die de Hervormde Kerk al jaren kent en waaronder zij gebukt gaat? In ieder geval liet het synodeverslag van de Christelijke Gereformeerde Kerken het gevoel bij mij achter, dat men er de grootste moeite mee heeft zich nog te blijven bewegen op het spoor, waarop men sinds de samensmelting van de Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk onder 't kruis in 1869, dus vanuit de Afscheiding, ging. Vandaar mijn vraag: hadden we toch niet beter bij elkaar kunnen blijven? Ik zet een streep onder het woord elkaar, om de suggestie te vermijden dat wij in de Hervormde Kerk béter deden. Is het niet de nood van de gescheidenheid, dat we niet meer samen kunnen staan in de strijd om het rechte belijden en dat we elk voor ons die strijd tenslotte toch in eigen kring ook moeten voeren? al zou ik dat wat de Chr. Gereformeerde Kerken betreft niet graag louter aan de gezangenkwestie ophangen.

Ledeboer

Een tweede verschuiving, zij het een heel andere, was, meen ik, te signaleren in het genoemde blad de Schakel, dat grotendeels gewijd was aan het 'jubileum' van de Gereformeerde Gemeenten. De Gereformeerde Gemeenten zien graag Ledeboer als hun voorman, hoewel in hetzelfde nummer de Oud Gereformeerde M. Dankers en - passant vriendelijk zegt: hó even, wij zijn er ook nog! Maar daarom gaat het mij nu niet. Hoe men ook over Ledeboers afzetting denken moge, feit is, dat hij de moederkerk in het oog bleef houden. Was hij het niet, die zei, dat het nodig was de hervormde kerkgebouwen goed bij te houden, want 'God zal ons haar weergeven'?

Ooit haalden wij in het boekje Tien Keer Gereformeerd de uitspraak van Ledeboer aan, waarin hij over zijn gemeente zegt: 'Betreurenswaardig is de toestand van de gemeente. Mijns is de grootste schuld. Wat ik ervan zien mag te mijnen opzichte wil ik 't, eerst openbaren of aan den dag leggen. Dit is vleselijk begonnen, vleselijk voortgezet en de Heere verhoede dat het niet wordt vleselijk geëindigd. Vleselijk be-• gonnen, op mensen gesteund. God uit het oog en hart verloren. Menselijk gewerkt. Menselijk bijeengeroepen, besluiten genomen, ouderlingen aangesteld. Alles buiten het Woord, zonder voorafgaand onderzoek, beproeving, vasten en bidden, zonder des Heeren mond naar behoren te raadplegen en dus zonder God en Zijn zegen. Het is tevergeefs op bouwen toegelegd als de Heere zelf het huis niet bouwt'.

Dit citaat is de laatste weken in de Saambinder, het orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, één en ander maal aan de orde geweest. De heer M. Golverdingen meent, dat Ledeboer hiermee niet zijn eigen kerkelijke gang in gebreke heeft gesteld. Dr. A. Kuyper zou dat al hebben aangetoond. Ik laat dat nu in het midden, maar het kan niet worden ontkend, dat Ledeboer óóg bleef hebben voor de kerk die hem afzette, voor de moederkerk. Daarheen had hij toch een heimwee. Daarom is het dunkt me terecht, dat de heer M. Dankers zegt bij het 70 jarig bestaan van de Gereformeerde Gemeenten geen aanleiding te zien te feliciteren als immers 'kinderen al 70 jaar in een noodwoning verblijven omdat zij nog steeds niet terug kunnen keren naar het huis van hun moeder. Dat is immers een situatie om bij te schreien...'

Wij voor ons begrijpen best, dat men nog niet terugkeren kan. Maar we mogen wel hopen dat het Ledeboeriaanse heimwee blijft. En dit is het wat bij mij vragen opriep in een ander artikel in de Schakel, te weten in een interview met ds. J. W. Verwey, predikant van de Gereformeerde Gemeenten te H. I. Ambacht. Het artikel heeft als titel 'Met ootmoed herdenken'.

Hoewel in dit interview eerlijk gesproken wordt ten aanzien van het standpunt van Ledeboer (een 'noodkerk') gezegd wordt: 'in diepste wezen had Ledeboer misschien wel gelijk. Maar... alleen de Heere kan de weg openen, meen ik toch een verschuiving te moeten constateren inzake het Ledeboeriaanse heimwee. Op de vraag van de interviewer of ds. Verwey tegenover de Hervormde kerk op dezelfde wijze staat als tegenover de andere kerken is zijn antwoord: 'Ja hoor. De idee van een 'moederkerk' heb ik losgelaten. Ik sta natuurlijk wel sympathiek tegenover een aantal predikanten uit de Gereformeerde Bond, bij wie ik me geestelijk thuis voel, maar de Hervormde Kerk als geheel heeft voor mij geen aantrekkingskracht'.

We zouden dankbaar kunnen constateren dat ds. Verwey tegen de Hervormde Kerk op dezelfde wijze aankijkt als tegen de andere kerken, dat hij wars is van alle kerkisme en dat hij sympathiek staat tegenover een aantal predikanten van de Gereformeerde Bond. Maar de opmerking, dat de Hervormde Kerk als gehéél geen aantrekkingskracht voor hem heeft bleef bij mij haken. Ik zou het zó kunnen interpreteren - en dan vindt ds. Verwey mij aan zijn kant dat er van de concrete Hervormde Kerk weinig goeds te zeggen is, maar dan hadden we daarbij iets meer van het heimwee willen proeven. Toegegeven, de gedachte van de 'moederkerk kan men romantiseren, maar eerlijk gezegd was het mij liever geweest, dat kritisch was ingegaan op de concrete koers van de Hervormde Kerk en mijnentwege ook de Gereformeerde Bond ter discussie was gesteld dan dat nu te constateren was, dat het zicht op de kerk, die hier te lande met de Reformatie is gegeven, wég is.

Ik denk dat we elkaar op deze dingen eerlijk mogen bevragen. Is er nog heimwee? Is er nog droefheid over het gruis van Sion? Is er nog medelijden over haar gruis? De Hervormde Kerk is mij liever dan de Gereformeerde Bond, dat kan ik eerlijk zeggen, al huiver ik bij wat er in het geheel van deze kerk loos is. Mag - zo zou ik willen vragen - van de gescheiden broeders óók nog zicht op het herstel van de kerk verwacht worden?

En ik zeg weer: hadden we niet beter bij elkaar kunnen blijven om samen de weg van het rechte belijden te gaan en elkaar op het herstel van de Kerk aan te spreken?

Misschien mogen we elkaar ook tot een hand en een voet zijn in het stellen van eerlijke vragen als deze. Dat was ook de bedoeling bij wat we nu aan de orde stelden, én terzake van de Christelijke Gereformeerde Kerken én terzake van de Gereformeerde Gemeenten. Juist vanwege de verwantschap, zeg de familieband.

En verder - als altijd-wil men van die zijde reageren? de kolommen van ons blad staan open.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Hadden we niet beter bij elkaar kunnen blijven?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1977

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's